Interview Philip Catherine

Als je hem hoort, is het alsof hij bij je in de kamer zit en een privéoptreden je zomaar overkomt

Jazzgitarist Philip Catherine ( 76 ) ontdekte het zelf pas laat: hij is muzikant. De grootste nog levende jazzbelg is ­binnenkort in het land en leidt V in zijn Brusselse ­appartement langs gitaren en jazzhistorie.

Philip Catherine, jazzmuzikant in zijn woning te Brussel Beeld Siska Vandecasteele

Philip Catherine (76) flaneert over zijn vlekkerige tapijt, met armen die er maar zo’n beetje bij lijken te hangen. De grootste nog levende jazzbelg is op zoek naar gitaren, zijn eigen gitaren, die verspreid in zijn Brusselse appartement hun onderkomen hebben gevonden.

Hij heeft er dus één getraceerd in de woonkamer, de Gibson ES-175, een gecraqueleerd exemplaar, al zestig jaar de zijne, ooit hier om de hoek gekocht. Vanochtend was deze van een haak aan de muur gehaald en ging hij op een stoel zitten. De dag was begonnen, nog voor het ontbijt, met wat grepen en akkoorden, en de bladmuziek van Aguas de Marco, de bossanovaklassieker, lag in het zicht.

Twee… drie… dat is vier… Loop maar met hem mee, door het halletje, waar foto’s hangen van overleden jazzcats, met wie hij het podium of de opnamestudio deelde, zoals Chet Baker (trompettist), René Thomas (gitarist) en Marc Moulin (pianist). Of tekeningen van zijn kleinkinderen, vergeelde kiekjes van dochters, vader, moeder, opa en oma.

Vijf… Deze komt uit Canada, een echte Godin. Zes … zeven…acht…. De banjo en die kapotte sitar tellen niet mee. De Framus, waarmee hij als tiener begon, moet hier in het appartement zijn – ergens. Daar hangt boven zijn bureau: nummer negen. Ja, en die daar in een koffer die oneerbiedig op de grond ligt, is… tien. Die kreeg hij van de vrouw van de in 2016 overleden Toots Thielemans, die andere voorganger van de Belgische jazz. Dat was toch wel een emotioneel moment.

Vind je het een rommel hier?, vraagt hij in swingend Engels met Franse accenten. De goedlachse gitarist wijst op een rijk geschakeerde tafel in de huiskamer.

Je kunt Philip Catherine op een voetstuk plaatsen, want hij hoort bij de aristocratie van de (Europese) jazz. Een gitarist die op meer dan honderd platen en cd’s speelde, en die opdook naast grootheden als Charles Mingus, Dexter Gordon, Benny Goodman en Stéphane Grappelli. Of denk eens aan alle lof die hem is toegezwaaid in de vorm van talloze muziekprijzen.

Je moet vooral naar hem luisteren, naar zijn grenzeloze virtuositeit, tuk op de melodie, de heldere klanken die als verfdruppels op een doek vallen, die eeuwig zingende gitaar. Als je hem hoort, is het alsof hij bij je in de kamer zit en een privéoptreden je zomaar overkomt.

Maar nu zit Philip Catherine op een stoel bij het raam op de vierde etage van een flatgebouw, op loopafstand van station Brussel-Zuid, en spreekt van aanhoudend getob. Hij is iemand bij wie het nooit vanzelf gaat, ondanks de vele vlieguren. We moeten eens weten hoe traag hij zichzelf al die liedjes aanleert. Geen dag slaat hij over, om te studeren, telkens weer.

Wat zou hij graag als Erroll Garner willen zijn, de Amerikaanse jazzpianist. Die liet zijn linker- en rechterhand twee verschillende intense dingen spelen en kon dat ook nog op swingende wijze managen. Als hij speelde hoefde hij niet eens op zijn toetsen te kijken, maakte hij grapjes en iedereen kreeg kippenvel. Zo nice and easy kan het zijn.

Weet je wat het met hem is: hij moet altijd dealen met Dr. Jekyll and Mr. Hyde. Alsof hij twee verschillende figuren in zich heeft vereeuwigd, die aanhoudend met elkaar in discussie zijn: Je kan het wel, het moet anders, ik doe het niet, je moet dit, nee je moet dat. Dat had Philip Catherine aan het begin van zijn loopbaan al, zegt hij, dat geworstel. Nooit zeker weten wat-ie nou wilde, muzikant zijn of toch zijn studie afmaken.

Zo begon het: nadat hij liedjes van de Franse chansonnier George Brassens had gehoord, wilde hij leren gitaar spelen. Toen zijn muziekleraar hem naar Django Reinhardts gipsyswing liet luisteren, had hij een bijna religieuze openbaring. Wow, daar was de jazz, de deur naar de geïmproviseerde muziek ging open. Hij leerde spelen en zijn grote talent viel snel op: hij kwam op de radio, struinde cafés en jazzclubs af. Stond het 17-jarig ventje zomaar in club Blue Note in Brussel, met organist Lou Bennett en drummer Oliver Jackson.

Philip Catherine, jazzmuzikant in zijn woning te Brussel Beeld Siska Vandecasteele

Niemand hoefde dat te weten, die nachtelijke escapades hield hij voor zich, ze moesten ’m op school zien als een propere en godvrezende verschijning. Totdat de priester op huisbezoek kwam: klopte het verhaal dat Philip jazzclubs frequenteerde? Daar kwamen verkeerde vrouwen op af. Drugs! Van die drugs klopte wel, zegt hij, in de jazzscene zag hij de nodige muzikanten een naald in de arm steken.

Ook zijn gig in Het Concertgebouw in het voorjaar van 1961, als 18-jarige, moest in het geniep verlopen. Hij speelde in het voorprogramma van pianist Thelonious Monk en zat samen met Lou Bennett in de trein, op weg naar Amsterdam. Gespijbeld had hij. ‘Hé manneke, wat moet jij hier?’ Daar was zijn leraar, bij toeval in de trein. Die zag hem daar zitten, met een zwarte medemuzikant, en keek hem verbaasd aan.

Uit die tijd stamt ook zijn debuut op vinyl – wat niemand hoefde te weten. Het was met Jack Sels, een Belgische saxofonist die hem vroeg mee te spelen in een studio in Brussel. Maar toen Sax Appeal van Sels verscheen, schrok hij zich rot: een in goudkleurige lingerie gestoken blonde hoezenpoes. Daar kon hij toch niet mee op de proppen komen! Had die Sels ’m mooi in het pak genaaid. Maar ja, wat kon je anders verwachten van een man als Sels, die dacht dat hij met de eenden kon praten.

Het zou nog heel lang duren, voordat hij hardop durfde uit te spreken dat hij een echte muzikant was – ja, hij weet zich het moment nog goed te herinneren. Het was begin jaren negentig. Wat zeg je nu, Philip? Toen was je toch al dertig jaar bezig? Toen had hij al lang en breed naam gemaakt als jazzfusiongitarist, samen met Jean-Luc Ponty, en in de Nederlandse band Focus gespeeld. Zelfs een wereldtournee met Chet Baker had hij achter zijn kiezen, in de jaren tachtig.

Als hij geen muzikant was, wat was hij dan wel? Philip Catherine steekt zijn handen omhoog, als teken van onwetendheid.

O man, Chet! Laten we het eerst over Chet Baker hebben. Hij wilde helemaal niet met hem spelen. Wat moest-ie met zo’n junkie, die groot was geweest in de jaren vijftig? Drie keer zei hij nee tegen het aanbod. Hij zei trouwens wel vaker nee in die tijd, zoals tegen Marvin Gaye, de grote soulzanger die berooid in België was neergestreken en een gitarist zocht.

Oké dan, zei hij na lang aandringen, hij zou met Chet aan de slag gaan. En de derde keer dat hij met hem op een podium stond, onderging hij als een existentiële ervaring. Catherine voelde zich zo ontzettend goed, zo vrolijk. Terug naar de basis, naar wat muziek werkelijk betekende. Vertrouw je oren, zei Chet, daar gaat het om.

Anyway, terug naar begin jaren negentig. Hij zat bij de relatietherapeut, samen met zijn toekomstige ex-vrouw Marian, met wie hij twee dochters heeft. ‘Ik heb iets ontdekt’, zei hij, zijn stem verheffend. De therapeut en Marian draaiden zich naar hem toe. ‘Ik denk dat ik een muzikant ben.’ Hij was doodserieus, het kwam echt uit zijn hart. En zijn vrouw en de therapeut begonnen keihard te lachen.

Philip Catherine, jazzmuzikant in zijn woning te Brussel Beeld Siska Vandecasteele

Wat meespeelde, vermoedt Catherine, is dat hij in die tijd nogal veel dronk, dus niet helemaal scherp was. Vooral na optredens goot hij zich helemaal vol. Zijn huwelijk liep op de klippen, maar van de drank kwam hij af, in 1992. Niet dat hij opeens een geweldig persoon werd, vindt hij, daarvoor was hij nou eenmaal te  egoïstisch. En als vader had hij er eveneens weinig van gebakken, aangezien hij altijd dronken was of onderweg.

Catherine staat op van zijn stoel. En met een hernieuwd inzicht en twee flesjes Spa, komt hij terug uit de keuken. Want hij vindt dat hij veel geluk heeft gehad in zijn leven. Ondanks zijn narcistische strapatsen heeft hij het toch ver geschopt en werd hij altijd en overal gevraagd als gitarist. En nog wat, weet je wel dat hij er bijna niet was geweest? Zijn Engelse grootvader moest als violist op de Titanic spelen, maar hij kwam te laat voor de afvaart van de boot. 

De Gibson ES-175 wordt erbij gepakt, en zijn armen die er een beetje bij leken te hangen, zijn alras in hun meest natuurlijke positie, verstrengeld om de gitaar. Zijn adembenemende versie van Jenny Wren, een compositie van Paul McCartney, klinkt in zijn appartement. Watermuziek, noemt hij zijn sprankelende gitaarspel. De melodie drijft voorbij, het is alsof er ijsschotsen zachtjes tegen elkaar botsen. Philip Catherine speelt nu echt, en voor een eenkoppig publiek. Zijn gitaar zingt – en buiten rijdt de trein naar Parijs voorbij. Je zult het maar meemaken, op een doordeweekse dag in november.

West Coast Big Band feat. Philip ­Catherine & Bert Joris: Bimhuis, ­Amsterdam (30/11); De Doelen,  ­Rotterdam (1/12); Tivoli Vredenburg, Utrecht (2/12).

Volgens Philip Catherine past zijn sound goed bij de lyriek van de trompet. Bij de komende concerten in ­­Amsterdam, Utrecht en Rotterdam met de West Coast Bigband speelt Catherine daarom samen met ­Bert Joris, een Vlaamse trompettist. Eerder speelde hij met de Amerikaanse trompettist Tom Harrell en natuurlijk Chet Baker.   

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden