Interview

'Als ik later groot ben' werd 'later is nu'

In de serie Over de helft interviewt Cornald Maas net- of bijna-vijftigers over hun dilemma's. Columniste Nausicaa Marbe (51) ontsnapte op haar 40ste aan de dood. Alles wat daarna lukte, ziet ze als een cadeau.

Nausicaa Marbe

'In het jaar dat ik 50 werd, verhuisde ik met mijn column van de Volkskrant naar De Telegraaf. Hoofdredacteur Philippe Remarque wilde dat ik niet langer wekelijks mijn column zou schrijven, maar eens in de twee weken. Ik vond dat geen goede beslissing, vanwege de band met mijn lezers en omdat ik een wekelijks ritme nodig heb.

Op de dag dat in de krant gemeld werd dat mijn column voortaan tweewekelijks zou verschijnen, kreeg ik veel reacties. Een kwam van Sjuul Paradijs, hoofdredacteur van De Telegraaf. Hij deed me een goed aanbod voor een wekelijkse bijdrage, gaf me carte blanche en verzekerde dat ik me niet hoefde aan te passen aan zijn krant - en de overstap was een feit.

Er is natuurlijk een cultuurverschil tussen beide kranten. In de Volkskrant was ik wat subtieler, met ironie als stijlmiddel. Er schrijven zoveel columnisten voor de Volkskrant dat je meer moeite moet doen op te vallen of iets toe te voegen. Mijn columns in De Telegraaf zijn serieuzere mini-essays: er is minder reflectie in de rest van de krant en er zijn minder concurrenten. Daardoor voel ik me vrijer. Maar ik voel ook een grotere verantwoordelijkheid. Meer dan bij de Volkskrant verwacht de lezer dat ik de samenleving duid. Ik kijk minder naar de achtertuin en meer naar de straat, en schrijf niet cryptisch.

Duizend rimpels

Van zo'n telefoontje van de hoofdredacteur van de Volkskrant zou ik op mijn 20ste of 30ste in paniek zijn geraakt. Nu niet - een erfenis van wat me op mijn 40ste overkwam. Bij de geboorte van mijn tweede kind scheurde mijn baarmoeder, verloor ik 6 liter bloed en raakte ik in een coma. Ik lag op de IC en de artsen wisten niet of ik nog wakker zou worden, en als dat al zou gebeuren, hóé dan. Maar nadat ik 's nachts was ontwaakt, stond de chirurg glunderend aan mijn bed: 'U bent een wonder, mevrouw.'

Omdat ik bijna dood ben gegaan, heb ik alles wat daarna lukte als een cadeautje beschouwd. Ik realiseerde me toen nog niet wat er precies was gebeurd. Dat besef kwam pas later. Ik was tot die tijd kerngezond, maar door de grote schok die mijn lichaam had gekregen, verouderde het snel: het werd stroef en pijnlijk, fietsen en traplopen gingen moeizamer. Op mijn 39ste voelde ik me als 25, op mijn 40ste als 45, of zelfs 50.

Dat ik er op mijn 40ste al niet meer had kunnen zijn, vond ik een verschrikkelijke gedachte. Van het 'later als ik groot ben' uit de Calvé pindakaasreclame kreeg ik opeens een brok in mijn keel, omdat die fase definitief voorbij was. Ik stelde mijn idealen bij. En was er meer dan ooit tevoren van doordrongen dat ik oud wilde worden en gezond wilde blijven en dat duizend rimpels of grijze haren me niets zouden uitmaken - zolang mijn lichaam maar bleef functioneren.

Oude doos

Ik prijs me vooralsnog gelukkig. Ik heb meestal gekregen wat ik wilde, en als mijn verbintenis met De Telegraaf plotseling zou worden beëindigd, weet ik zeker dat ik elders terecht zou kunnen. Ik realiseer me dat dat bijzonder is: Nederland is geen vriendelijk land voor vijftigplussers. Er zijn genoeg mensen die veel ervaring hebben opgedaan, zeer gekwalificeerd zijn en rond hun 50ste misschien wel op hun best zijn, maar toch niet meer aan de bak komen nadat ze werkeloos zijn geraakt. Ze gelden niet langer als vernieuwend, hip of jong en gaan kopje onder. De mogelijkheden zullen heel beperkt zijn als ik rond mijn 60ste een boekenprogramma zou willen presenteren of een toneelstuk zou willen regisseren. 'Te veel een oude doos', zeggen ze dan.

Hoe anders was dat in Roemenië, waar ik oorspronkelijk vandaan kom. Daar hebben mensen ten tijde van het communistische regime in stalinistische gevangenissen of werkkampen gezeten of ze waren in ballingschap. Als 40-jarige gingen ze alsnog studeren, om rond hun 50ste pas echt carrière te maken en een nieuw leven op te bouwen. Ik ben opgegroeid in de tijd dat mensen in afschuwelijke omstandigheden leefden en dat ze werden opgepakt en verhoord - ook kennissen en vrienden. Je werd gedwongen mee te gaan in de leugens van de partij van Ceausescu, maar thuis kozen mijn ouders ervoor die leugens te corrigeren. Mijn vader, die schrijver was en op de zwarte lijst stond, en mijn moeder, die een gevierd componiste was, zorgden ervoor dat bij ons thuis iedereen kon zeggen wat hij dacht. Bevriende kunstenaars lazen scripts of boeken voor die ze niet gepubliceerd kregen. Homoseksuelen die hun baan verloren, kwamen er logeren.

In die sfeer van solidariteit, waarin je werkelijk iets voor elkaar wilde betekenen, roerde ik me ook. Net als mijn vader, die genadeloos was in zijn kritieken op het morele verval en de collaborateurs, maakte ik als puber keiharde politieke grappen. Op school deed ik het ook, al wist ik nooit of je door iemand uit de klas zou worden verlinkt. De meeste leraren waren etnische Duitsers die weg wilden uit Roemenië, maar de leraar wiskunde was een verstokte communist die in de pauze brillantine in zijn haar deed zodat-ie meer op Ceausescu leek. Als wij tijdens zijn door de partij gedicteerde verhaal gniffelend vragen stelden, antwoordde hij met nog meer propaganda of sommeerde hij mij om niet langer hoge hakken te dragen omdat ik anders zou worden geschorst.

Een geprinte afbeelding van Nicolae Ceausescu.Beeld anp

Omwenteling

Ik ben uiteindelijk, op mijn 18de, acht jaar voor de omwenteling, door mijn ouders naar Nederland gestuurd, naar het Haarlemse huis van een vriend van hen, de componist Rob du Bois. Hun beslissing getuigt van veel zelfopoffering: ik was hun enige kind dat later, als ik in Roemenië was gebleven, voor ze zou zorgen. Maar ze hadden het idee dat er voor mij in Roemenië geen perspectief was. Alles zou hetzelfde blijven of, met de Partij die de samenleving steeds meer in zijn wurggreep had, nog slechter worden. In Nederland viel mij meteen de grenzeloze vrijheid op en de menselijke maat. Dat er iets te kiezen was en dat mensen verschillende behoeften en smaken hebben. Als de verkiezingen hier, zoals laatst, op een totale versnippering uitlopen, ben ik niet teleurgesteld, omdat het laat zien hoe pluriform de samenleving is en dat die niet ten onder gaat als er veel visies zijn.

Last van heimwee had ik natuurlijk ook. Ik wist in het begin niet of ik mijn ouders ooit nog zou zien. Toen ik een paar jaar later in de zomer afreisde naar Boekarest, in een auto die was volgeladen met eten en winterspullen voor mijn ouders, overviel het me: dat mijn wortels nog zo diep in Roemenië lagen. Ik bleef een maand in plaats van de geplande week en terug in Nederland belandde ik in een depressie. Mijn studie liep niet zoals gepland, ik woonde in een afschuwelijke kamer, ik miste mijn Roemeense vrienden en de Roemeense zomer, er was geen grote liefde - ik had alleen rare scharrels. Een goede psychiater heeft me erbovenop geholpen. Ik leerde dat als je gevoelens je zo overrompelen, je die de baas moet worden.

Vrij leven

Misschien heb ik het mijn ouders ook wel kwalijk genomen, dat ze indertijd niet met me meegingen naar Nederland. Maar mijn moeder vond dat niet alle mensen van waarde het land moesten verlaten. Ze doceerde aan de universiteit en gaf haar studenten een schijn van een vrij leven - ze wilde het land fixen. Voor mijn vader lag dat anders: hij had, als briljant filmcriticus en dramaturg, als geen ander oog voor maskerade en kon de Roemeense politiek alleen zien als een mislukte klucht die mensen - soms letterlijk het leven kostte. Hij ging er uiteindelijk geestelijk aan onderdoor en zag geen lichtpunt meer, anders dan mijn moeder. Hij kwam voor een halfjaar naar Nederland en is hier overleden, kort voor de val van de Muur.

Mijn moeder was toen even oud als ik nu. Het moeten voor haar eenzame jaren zijn geweest. Op haar 60ste leerde ze een Duitse componist en musicoloog kennen, een homo, die vijf jaar jonger was dan ik. Ze werkte intensief met hem samen en hij werd haar beste vriend, reisgezel en vertrouweling, ondanks de afstand. Ik zou willen dat ik straks net zo'n flexibele geest heb als zij. Zij kon op haar 60ste nieuwe vriendschappen aangaan, opnieuw in de startblokken gaan staan. Ik weet niet of ik dat zou kunnen.

Mijn moeder overleed in 1997. Ze heeft in haar leven meer moeilijke keuzes moeten maken dan ik. Laatst had ik het er nog over met Jeroen, mijn man - welke goede keuzes heb ik gemaakt? Ik somde ze op: ik ben uit Roemenië weggegaan, ik ben met jou getrouwd, we hebben twee kinderen gekregen. Maar ik kreeg gelukkig ook last van 'vijftigkriebels'. Ik durf meer, de laatste tijd, niet gehinderd door de angst voor wat mensen ervan zullen vinden.

Voor mijn 50ste klooide ik voor mijn gevoel maar wat aan in de journalistiek. Maar nu ben ik van krant veranderd en heb ik, ruim vijftien jaar na mijn debuut Mandraga, mijn tweede roman, Smeergeld, geschreven, die vorig jaar is verschenen en een stuk beter is gelukt dan mijn eerste. Lange tijd dacht ik dat wat ik schreef niet zo goed was als wat ik las en dat het niet voldeed aan wat ik mooi vond. Het zelfvertrouwen is kennelijk toegenomen. Het 'later als ik groot ben' werd 'later is nu'.

Nausicaa Marbe (tweede van links)met Adriaan van Dis en Connie Palmen.Beeld anp

Toontje lager

Toen ik laatst een paar van mijn columns herlas, betrapte ik mezelf op een wat rare gedachte: misschien doe ik nu wel wat mijn moeder vroeger deed en wil ik, zoals zij Roemenië wilde fixen, Nederland fixen. Dat klinkt als een megalomane ambitie, maar wat ik wil zeggen, is dat ik de mensen die de democratie verwaarlozen een kleine waarschuwing wil geven.

Ik weet uit eigen ervaring hoe murw mensen kunnen worden van een communistisch regime. Maar ik zie nu dat mensen in volledige vrijheid ook murw kunnen raken - simpelweg omdat ze zich niet meer realiseren wat vrijheid inhoudt en dat die lang niet altijd vanzelfsprekend is. Ik was aanvankelijk vooral een aanhanger van het verlichte liberalisme, met een verzorgingsstaat die een toontje lager moest zingen. Maar de laatste tijd besef ik dat we de steunpilaren van de samenleving van de vorige eeuw aan het verbrijzelen zijn.

Mensen hebben een verzorgingsstaat nodig die richting geeft en die moreel leiderschap toont. Toen na de val van Ceausescu de eerste Roemeense verkiezingen een feit waren, reisde mijn moeder van het Duitse Mannheim, waar ze toen woonde, twee dagen lang in een tweedehandsauto, in een sneeuwstorm naar haar geboorteland om te kunnen stemmen. Op de sociaal-democraten, die haar familieleden altijd als de norm van de beschaving hebben beschouwd.

Weldadige rust

Vorige maand was ik bij een concert van het Doelenkwartet, dat een strijkkwartet speelde dat zij heeft gecomponeerd - haar muziek wordt nog steeds uitgevoerd, in binnen- en buitenland. Ze schreef het toen ik 17 was, speciaal voor mij. Indertijd vond ik er niet veel aan - moderne, atonale muziek, wat moest ik ermee? Maar nu was ik ervan onder de indruk. Het klonk als een landschap dat zich ontvouwde en openstelde voor de zon en zich sloot voor slecht weer. Dit is hoe mijn moeder mij toen zag, dacht ik - soms lyrisch, met duidelijke stemmen, dan weer stemmen die verdwalen of verdwijnen. Alsof ze wilde zeggen: je kunt veel, maar je hebt, onbestendig als je bent, ook een neiging tot versnippering. Daar had ze, zeker toen, gelijk in.

Ik wil de komende jaren vooral duidelijke keuzes maken. Ik zal de lange adem van het schrijverschap blijven combineren met het ventileren van mijn opvattingen voor een gevarieerd publiek. Ik zou mijn zakelijke instinct nog wel wat willen ontwikkelen en ik zou mijn rijbewijs willen halen. Want dan verhuis ik meteen naar het platteland, waar ik het gevoel heb dat ik op grote voet kan leven, en van waaruit ik geregeld de stad kan bezoeken. In Roemenië genoot ik vroeger van het platteland, van de mooie plekken aan zee, van de weldadige rust in Transsylvanië.

Alleen in Nederland

Nausicaa Marbe wordt op 11 augustus 1963 geboren in Boekarest, Roemenië, als dochter van een schrijver en een componiste. In 1982 verhuist ze, zonder haar ouders, naar Nederland. Ze studeert aan de VU in Amsterdam. Daarna werkt ze mee aan culturele programma's voor de VPRO en schrijft ze voor onder meer Vrij Nederland, NRC Handelsblad en Trouw. In 1998 verschijnt haar debuutroman Mandraga, waarvoor zij wordt bekroond met het Charlotte Köhler Stipendium. Tot juni 2013 schrijft ze een column in de Volkskrant, daarna in De Telegraaf. In 2014 verschijnt haar tweede roman, Smeergeld, over een klokkenluider die aan de grond raakt, tegen het decor van een maatschappelijke crisis. Marbe woont met haar man Jeroen Vullings, redacteur en literair criticus van Vrij Nederland, en haar kinderen in Haarlem.

Vergane glorie

Als ik in februari in Drenthe door een bos loop, geniet ik van de drassige grond en de beschimmelde takken - de vergane glorie van de natuur, met andere woorden. Ik heb geen nuchtere gedachten over de dood, sterker: ik ben er bang voor en vind het vreselijk dat het leven ooit ophoudt. Maar de natuur biedt uitzicht op een oneindigheid die onbegrijpelijk is en me toch gelukkig maakt. Het is alsof die, met het eeuwige dedain voor de kleine mier die je nu eenmaal bent, tegen je zegt: kom dichtbij en geniet van me.

Ik vind Boekarest een indrukwekkende, bruisende metropool, en dat vond ik zelfs toen ik nog in Roemenië woonde. Tot ik laatst foto's zag uit de jaren zeventig en me realiseerde dat de vergane glorie die ik zo mooi vond vooral misère en armoede was, met ruïnes en lege winkels. Maar in de tuinen van de huizen die ooit zo prachtig waren, bloeiden de rozen en op straat geurden de linden - altijd. Dat had geen partijcongres kapot kunnen maken. En dat vond ik een troostrijk besef.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden