interview

'Als ik dicht, ben ik 95 procent Nederlander'

Keulen, de opkomst van extreem-rechts, de zure discussies: volgens Rodaan Al Galidi, zelf ex-asielzoeker, zijn 'wij buitenlanders' verantwoordelijk voor alles wat momenteel misgaat in Europa.

Beeld Harry Cock/de Volkskrant

Hij had hier eigenlijk niet moeten zijn. Rodaan Al Galidi, geboren in Zuid-Irak - precieze datum onbekend - was uitgeprocedeerd. De verblijfsvergunning die hem in 2007 bij het generaal pardon alsnog werd toegekend, behoedde hem voor uitzetting naar Irak, het land dat hij begin jaren negentig was ontvlucht. Negen jaar heeft hij in verschillende asielzoekerscentra in Nederland de loop der dingen moeten afwachten.

In die tijd maakte hij zich de taal eigen van het land dat hem de verblijfsstatus had geweigerd, maar waarmee hij zich desondanks toch verbonden voelde. In 2000 verscheen zijn eerste Nederlandstalige dichtbundel, Voor de nachtegaal in het ei. En toen hij het asielzoekerscentrum mocht verlaten, had hij al drie dichtbundels, twee romans en twee boeken met verzamelde columns bij gevestigde uitgevers gepubliceerd.

'Het kostte mij negen jaar om een verblijfsvergunning te krijgen, maar de taal gaf mij meteen toegang tot Nederland', zegt Al Galidi. 'De taal gaf me een verblijfsstatus als dichter, schrijver en mens. Ik woon meer in de Nederlandse taal dan in Nederland. Als ik dicht, ben ik 95 procent Nederlander.'

Dit weekeinde presenteerde hij zijn zesde roman, Hoe ik talent voor het leven kreeg - over de lotgevallen van een Irakees die, net als hij, na omzwervingen door ongastvrije Aziatische landen in Nederland terechtkomt, en die, net als hij, negen jaar tussen hoop en vrees leeft. Te midden van lotgenoten die onder deze omstandigheden niet altijd aangenaam gezelschap zijn en die elkaar vaak slecht begrijpen.

De procedure die hij moet doorlopen, is ondoorgrondelijk. De ambtenaren zijn formalistisch en, in de woorden van Al Galidi, vaak 'niet barmhartig'. De Nederlanders, overwegend passanten die haastig hun hondje uitlaten, zijn afstandelijk. 'Irak doodt het lichaam', schrijft hij, 'Nederland doodt de geest.'

Een boek over een negenjarig verblijf in het rijk van het COA (Centraal Orgaan opvang Asielzoekers) en de IND (Immigratie en Naturalisatiedienst) zou dus kunnen worden gelezen als een oefening in zoete wraak. Zo is het niet bedoeld, zegt Al Galidi. Daarvoor is dit land hem te lief en daarvoor vindt hij de vluchtelingenproblematiek te ernstig: Nederland kan zich simpelweg niet meer ruimhartigheid veroorloven.

Nee, hij heeft dit boek niet geschreven om een rekening te vereffenen. Hij heeft het geschreven - eerst met tegenzin, gaandeweg steeds gewilliger - op aandrang van een Nederlander die wilde weten wat er gebeurt in de azc's waarover hij zo veel hoort maar waarvan hij zo weinig te zien krijgt. 'Het gaat over Nederlanders. Hoe zij, met angst in het hart, omgaan met brodeloze vreemdelingen.'

Na een verblijf van negen jaar in de wachtkamer legt u opmerkelijk veel begrip aan de dag voor het Nederlands beleid.

'Ik ben realistisch. Als ik naar jouw huis kom met een uitnodiging van jou, dan verwacht ik koffie en iets lekkers. Als ik bij je inbreek - en dat doen asielzoekers feitelijk - verwacht ik dat je de politie belt of mij uit huis verwijdert. Maar ik werd hier als ongenode gast niet verwijderd. Voor ik hier kwam, ben ik in Thailand geweest, in Jordanië, Maleisië, Cambodja, Vietnam. Ik werd als minder dan een beest behandeld. Maar ik kwam hier, en ik mocht douchen. Wanneer ik maar wilde. Ik stonk niet meer. Ik kon niet zomaar worden geslagen. Zat niet in een cel met criminelen, zoals in Thailand. De vluchteling ontvangt misschien weinig warmte van de mensen, maar wel van de samenleving. Het is warm in de asielzoekerscentra (azc's, red.). Je krijgt eten, een bed, condooms. Dat is gastvrijheid.'

U beschrijft wel dat u van een medewerker van het azc in een hoek moest staan en dat u pas durfde te gaan zitten nadat u daar, na vele uren, toestemming voor had gevraagd.

'Dat zijn geen prettige ervaringen, maar ze vallen in het niet bij wat ik in andere landen heb meegemaakt. Gedurende de eerste jaren in Nederland heb ik mijn situatie in het azc altijd vergeleken met mijn situatie in Irak. Die vergelijking stemt mild. Een azc is hoe dan ook vele malen barmhartiger dan het Irak van Saddam Hussein. Dat heeft me geholpen optimistisch te blijven en barmhartig voor mijzelf te zijn en voor de Nederlanders. En ik begreep dat zo'n klein land niet iedereen kon toelaten. Mijn boek is geen aanklacht tegen Nederland. Hooguit tegen Irak of tegen de andere landen waaruit mensen willen vluchten. Tegen het Midden-Oosten. Tegen misbruik van religie. Het is zeker geen aanklacht tegen de mensen hier.'

Het gros van de Nederlanders in uw boek is niet erg vriendelijk.

'Als de Nederlanders zichzelf erin herkennen, dan is het non-fictie. Als zij zichzelf er niet in herkennen, is het fictie. Per saldo zijn de Nederlanders aardig. Natuurlijk: ze bewaren afstand ten opzichte van asielzoekers. Ze maken ons duidelijk dat wij die afstand ook moeten bewaren. Als je een verblijfsvergunning krijgt, word je aangemoedigd deel uit te maken van de maatschappij. Tot die tijd blijf je op afstand staan. Ik begrijp die houding wel. Het is een zachte afstand die ook voor ons goed is. Ik heb geleerd hoe ik mij hier in de openbare ruimte moet verplaatsen. In 1998 liep ik hier nog onbekommerd rond. Nu weet ik: daar is schrikdraad, daar zijn mijnen, hier zijn bloemen, daar is gras, verderop een gat. Nu weet ik dat er plaatsen zijn waar ik beter niet kan komen.'

Hoe bewaarde u als asielzoeker de afstand ten opzichte van de Nederlanders?

'Als we vanuit het azc naar het dorp gingen, gingen we niet in groepsverband. Omdat we begrepen dat de mensen bang van ons konden worden. De Arabische taalklank is niet lieflijk. Arabisch klinkt als ruzie. Zelfs de oproep tot gebed klinkt als oorlog. Jihad-achtig. Als je Dante in het Nederlands leest, is hij een dichter. In het Arabisch klinkt hij als iemand die voor IS werkt.'

Hoe merkte u dat de mensen bang van u werden?

'Op Koninginnedag. Het was mooi weer, we praatten en we zongen. Maar ik zag dat iedereen van ons schrok. We klonken als oorlog op Koninginnedag. Dus ik zei: jongens, laten we ons opsplitsen. Twintig Arabieren bij elkaar, dat werkt hier niet. We werden bang van de angst bij de mensen. Daarom zijn we in de massa opgegaan. We begrepen dat best.'

Toen werd het toch nog gezellig.

'Zeker. Ook voor ons was Koninginnedag een groot feest. Voor het weinige geld dat we bezaten, kon je veel kopen, en als de mensen begrepen dat je een asielzoeker was, kreeg je de dingen soms gratis. Asielzoekers zijn welkom in de harten van de Nederlanders, maar niet in de hoofden. Op Koninginnedag zie je het hart van Nederland. Een meisje uit het azc had een oranje hoofddoek omgeslagen. Zeker honderd jongens hebben een foto met haar gemaakt. Zo open kan de Nederlandse cultuur zijn.'

Voelt u zich verbonden met de mensen die nu de azc's bevolken?

'Ik help Syrische asielzoekers. Op straat, op eigen initiatief. Hier in Zwolle ben ik naar de IJsselhallen gegaan om mijn diensten als vertaler aan te bieden. De mensen aan de balie waren niet aardig, ze hebben mijn telefoonnummer niet eens genoteerd. In Amsterdam heb ik mij ontfermd over twee Syriërs die een dagkaart van de NS bij zich hadden en een A4'tje met Arabische tekst. Op dat briefje stond: 'Jij mag alleen met de conducteur en de buschauffeur praten, maar niet met andere mensen.'

Een conducteur was boos op hen: ze hadden een eersteklaskaartje gekregen, van zijn belastinggeld. Ik begrijp dat wel. Ze mogen met niemand praten en de eersteklascoupé is leeg. In mijn tijd reisden asielzoekers tweedeklas. Ze hadden drieënhalve maand gelopen. Je kon ze van een afstand van 5 meter al ruiken, want ze hadden al die tijd niet gedoucht. Ze hadden honger en ze spraken heel zacht. Ik vroeg: waarom? Ze waren bang dat ze problemen zouden krijgen als de politie hen met andere mensen zag praten. Ik zei: 'Onzin, we leven in een vrij land. Maar kijk wel naar het raam in de trein. Als daar een 's' van stilte staat, moet je zwijgen. Verder mag je hier overal praten.''

Rodaan Al Galidi, Nederlandse schrijver afkomstig uit Irak. Beeld Harry Cock/de Volkskrant

Wat doet zo'n massa-aanranding in Keulen met u?

'Daar word ik boos van, héél boos. Alle vreemdelingen moeten het zich aantrekken, of ze er nu rechtstreeks bij betrokken waren of niet. Of ze nu in Duitsland wonen of niet.'

De meesten hadden er toch niets mee te maken?

'Die opvatting is achterhaald. Volkomen achterhaald. Wij, buitenlanders, zijn verantwoordelijk voor alles wat op het ogenblik misgaat in Europa. Voor de gebeurtenissen in Keulen, dus ook voor de reactie daarop. We zijn verantwoordelijk voor de angst, voor extreem-rechts, voor extreem-links, voor de zure discussies. Wíj zijn daar verantwoordelijk voor. Dat moet je niet willen wegduwen. Wie zou Wilders zijn als wij hier niet waren? Wij zijn het podium, de microfoon, de soundcheck, zijn versterkers en zijn uitverkochte concert. Wie is Wilders zonder ons?'

Wat betekent die verantwoordelijkheid in de praktijk?

'Dat we snel moeten integreren. Tot die tijd moeten we stil zijn en deze nieuwe wereld bestuderen. Híér moeten we een plek zien te vinden. Niet in Saoedi-Arabië en niet in Iran, maar hier in Europa.'

En wat moet Europa doen?

'Europa moet beseffen dat het probleem niet hier ligt. Er zit een gat in de muur, en achter dat gat wonen miljoenen ratten en muizen. In Europa rennen ze de hele dag achter vijf muizen aan, en als ze die muizen gevangen hebben zeggen ze: ga terug naar het gat. Er gaan stemmen op om het gat te dichten, maar dan komen de muizen en de ratten via een ander gat naar binnen.

'Ga kijken achter het gat. Verwijder IS en creëer daar een veilige zone. Dan gaan alle Syriërs terug naar hun boerderij, het mooie weer, naar de graven van hun oma's en opa's. Het Westen heeft het met Koeweit gedaan, doe nu hetzelfde in Syrië. Anders blijven er miljoenen komen. Niet alleen uit Syrië, maar ook uit Irak. Dat kan het Westen niet accepteren, omdat het Westen er kapot van gaat.

'Kijk naar de Russen. Die hebben Europa bevrijd van Napoleon Bonaparte. Anders hadden we hier nu Frans gesproken. Ze hebben Europa bevrijd van Hitler, anders hadden we nu Duits gesproken. En nu doen de Russen wat in Syrië. Ga niet naar Obama, maar ga naar de Russen. Ga naar Poetin. Hij bevecht IS op de grond, niet vanuit de lucht. Hij is een zoon van Stalin, hij kan tegen die barbaren van IS op.'

Ontvang elke dag de Volkskrant Avond Nieuwsbrief in uw mailbox, met het nieuws van vandaag, tv-tips voor vanavond, en alvast zes artikelen uit de krant van morgen. Schrijf u hier in.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.