Als iemand in staat is pijn zo te verwoorden dat je er nog jaloers op zou worden, dan Marie Kessels

Boekenweek

Arjan Peters was een van de weinige luisteraars bij Kessels’ voordracht, maar mooi dat-ie het vond.

'Natuurlijk hield hij ervan zo’n visje in zijn mond te laten glijden omdat het een bijna pervers contrast vormde met zijn eigen haperende, trage bewegingen.' Foto Eva Roefs, Io Cooman

Woensdag 11 april was een ochtend als vele andere bij uitgeverij De Bezige Bij in de Van Miereveldstraat te Amsterdam. Vertrouwde bedrijvigheid: bellende medewerkers, lezende redacteuren en toekijkende meesterwerken in de kasten. Buiten maakte een vuilniswagen enig misbaar.

Dat Marie Kessels (1954) in de directiekamer haar nieuwe roman Veldheer Banner integraal zat voor te lezen, ontging iedereen – en ik kan het weten, want een flink tijdje was ik de enige toehoorder. De schrijfster, die nooit interviews geeft en nooit op een feestje is aangetroffen, was ter gelegenheid van Wereld Parkinsondag naar de uitgeverij gereisd. Haar nieuwe roman gaat over een parkinsonpatiënt, Saul Banner, met wie vriendin en fotografe Dana Stromberg intens meeleeft. Dana kennen we nog van Kessels’ roman Brullen (2015), waarin ze verslag deed van haar lawaaineurose en leerde zich over te geven aan het vertederende geloei van PSV-fans uit het Philips-stadion.

Marie Kessels las. Een kort zinnetje, dat een verbluffend evenement samenvat. Jaren geleden heb ik de auteur een paar keer gezien, toen ze nog werkte in de kiosk van NS-station Den Bosch, waar ze de reizigers van koffie, kauwgum en gevulde koeken voorzag. Een gesprek was onmogelijk, Kessels was in volle actie, en dat beviel haar merkbaar goed.

Als er iemand in staat is remmingen en pijn zodanig te verwoorden dat je er nog jaloers op zou worden, dan Marie Kessels. Zonder op of om te kijken liet ze woensdag de 382 pagina’s van haar boek klinken, met leesbril en zachte g, over Banner die door velerlei ongemakken wordt bezocht, en voor wie Dana weleens een vers harinkje kocht, omdat hij een voorstelbare voorkeur had ‘voor alles wat glad en soepel was en niet te erg tegenstribbelde (…) Natuurlijk hield hij ervan zo’n visje in zijn mond te laten glijden omdat het een bijna pervers contrast vormde met zijn eigen haperende, trage bewegingen.’ Heel even geeft het hem een gevoel van lichtzinnigheid, zwier en frivool gemak.

Marie Kessels las, rechteraanwijsvinger over de pagina’s, haar nieuwste ode aan het detail. Na een halfuur waren er nóg twee luisteraars binnengeslopen die de onherhaalbare gebeurtenis evenmin hadden willen missen. Toen ik wegging, las Kessels gelukkig onverdroten verder. ‘Jullie kunstenaars, wie zit er op jullie te wachten? Anderhalve man en een paardenkop, als je geluk hebt.’

Maar die vonden het mooi, Marie. Het was een ochtend als geen andere.   

Meer over