Als God later maar zegt: je was niet fout

De jongemannen op de Reichsschule in Valkenburg werden uitverkoren als toekomstige elite. Ineens waren ze uitschot...

Pieter Zandman werd in 1948 geboren, drie jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Op z’n zesde beleefde hij, net op school, een akelig incident. Er werd Sinterklaas gevierd en alle kinderen kregen een cadeautje, behalve Pieter en nog een paar anderen. Hij kreeg alleen een zakje zout. Hij snapte er natuurlijk niets van en kwam verdrietig thuis. Daarop namen zijn ouders hem apart en vertelden hun oorlogsverhaal. Pieter: ‘Toen zat ik ook in het geheim. Ik mocht er nooit over praten.’ Hij heeft sindsdien een droom, vertelt hij, terwijl hij zijn tranen met moeite bedwingt. Hij hoopt dat als hij ‘in de hemel komt, God tegen hem zegt dat hij niet ‘fout’ was’.

Honderdduizend leden had de NSB op haar hoogtepunt en nog zo’n 22 duizend Nederlanders waren toegetreden tot de SS. Voor hen en voor hun kinderen, zelfs als die pas na het einde van de Duitse bezetting geboren waren, betekende mei 1945 een schokkende ommekeer. Het kwam weliswaar niet tot een echte Bijltjesdag, maar overal in het bevrijde Nederland werden NSB’ers en anderen die van collaboratie werden verdacht opgepakt en geïnterneerd.

Dat ging bepaald niet altijd zachtzinnig. Bekend zijn de verhalen van vrouwen die werden kaal geschoren. Jonge mannen moesten rondspringen als kikkers, een boer werd gedwongen rondjes te lopen met z’n handen in zijn nek en ondertussen ‘leve Wilhelmina’ te roepen. In de interneringskampen waren in de herfst van 1945 zo’n 150 duizend mensen opgesloten en vooral in die eerste tijd kwamen machtsmisbruik en geweld geregeld voor.

In haar onderzoek naar het lot van de kinderen van vroegere NSB’ers, Besmette jeugd, beschrijft Ismee Tames het moment van arrestatie vanuit de optiek van die kinderen. Er was ‘vaak sprake van de dreiging van geweld (mannen met geweren of schreeuwende mensen) of van feitelijk geweld (een vader die van de trap geduwd wordt of geslagen op straat). Bovendien zagen de kinderen de kwetsbaarheid van hun ouders die werden behandeld als misdadigers en publiekelijk werden vernederd, soms zelfs door de eigen buren of andere bekenden. De eigen leefomgeving () bleek gevaarlijk en onbetrouwbaar te zijn.’ In de vrij talrijke gevallen dat de NSB-identiteit van de ouders vóór de arrestatie ter plekke onbekend was geweest – omdat ze er na Dolle Dinsdag als evacués terecht waren gekomen – voelde het alsof hun ‘ware identiteit’ werd ontmaskerd.

‘Deze les’, aldus Tames, ‘dat wie je eigenlijk bent geheim gehouden moest worden, is veel van deze kinderen goed ingeprent en soms hun hele leven leidraad gebleven.’ Traumatische herinneringen aan onveiligheid in eigen huis of straat plus het met zich meedragen van een loodzwaar ‘familiegeheim’ leidden bij veel van de betrokkenen tot blijvende angst voor uitsluiting en niet geaccepteerd worden. Soms zo sterk dat ze tot op de dag van vandaag de ‘foute’ achtergrond van hun ouders liever verborgen houden.

Dat geldt bijvoorbeeld voor Wilbert de Vries (de naam is gefingeerd), die in de oorlog leerling was op de Reichsschule in Valkenburg, een op nazi-leest geschoeide middelbare schoolopleiding die beoogde een nieuwe elite voor het Groot-Germaanse Rijk te vormen. In zijn boek Keurkinderen schetst Paul van der Steen een mooi, realistisch en levendig beeld van de Reichsschulen in Valkenburg en Heijthuijsen waar de intern verblijvende Jungmannen en Jungmädel les kregen, veel aan sport en muziek deden en geschoold werden in de nationaal-socialistische leer. Behalve de opleiding zelf en de intriges eromheen (de scholen waren het geesteskind van de Duitsers en de SS-gezinde radicale vleugel in de NSB, Mussert en de meer ‘gematigde’ NSB’ers zagen er niets in) beschrijft Van der Steen ook de chaotische toestanden waarin de scholieren terecht kwamen nadat ze in de herfst van 1944 met school en al naar het toen al behoorlijk ontwrichte en voortdurend gebombardeerde Duitsland waren geëvacueerd, hun ontgoocheling na de bevrijding en de daarop volgende worsteling om met de in diskrediet geraakte elite-opleiding in het reine te komen. Wilbert de Vries bijvoorbeeld kan niet loskomen van het ‘moment dat hij als gevangene in kamp Amersfoort van ellende in elkaar zakte en bij het bijkomen in de loop van een stengun keek ().’ Dat beeld ‘blijft maar terugkomen’. Hoewel hij zegt met zijn verleden te kunnen leven, is zijn vrouw de enige die zijn verhalen kent, zelfs zijn kinderen weten er nauwelijks iets van.

Ismee Tames gaat niet alleen in op de psychische problemen waarmee kinderen van ex-NSB’ers kampen, het knappe van haar Besmette jeugd is dat ze de ervaringen en moeilijkheden van de ‘kinderen’ (sommigen zijn de pensioengerechtigde leeftijd al aardig genaderd) beschrijft in wisselwerking met de reacties vanuit de Nederlandse maatschappij. Ongeveer twintigduizend kinderen die van hun opgepakte of nog in Duitsland vertoevende ouders waren gescheiden, moesten in de zomer van 1945 worden opgevangen. Een aantal vrouwen uit het verzet namen het op zich om tijdelijke internaten op te zetten waar de kinderen terecht konden en zouden worden ‘heropgevoed’.

De verhalen over die internaten en over de heropvoeding zijn wisselend en vaak negatief. Voor de leiding van de tehuizen kwam de heropvoeding er op neer dat de kinderen werden voorgelicht over het verwerpelijke karakter van het nationaal-socialisme. Maar voor veel van de kinderen ‘was het verband tussen de gruwelen van de naziheerschappij en de eigen herinneringen en ervaringen () niet te leggen. () De nakomelingen van NSB’ers voelden zich in het nauw gedreven en in de beklaagdenbank gezet zonder dat zij zich konden verdedigen. () Slechte herinneringen aan de tijd in de tehuizen of pleeggezinnen hangen vaak samen met dit gevoel van onmacht.’

De internaten voor ex-NSB-kinderen liepen in de jaren na de oorlog snel leeg; eind 1948 waren vrijwel alle kinderen weer thuis en met de ouders verenigd; velen waren al de hele tijd bij hun moeder geweest, want er waren veel minder moeders dan vaders geïnterneerd. Met de vrijlating van het overgrote deel van de voormalige collaborateurs stopten al spoedig ook de pogingen van overheidswege om hun reïntegratie in de samenleving te bevorderen. Die zou zich voortaan spontaan moeten voltrekken, maar volgens Tames is dat in de eerste naoorlogse decennia maar zeer ten dele gelukt. Ze wijt dat zowel aan de omgeving, die zich vaak weinig vergevensgezind toonde, als aan de dikwijls sterk naar binnen gerichte en naar de buitenwereld toe argwanende ex-NSB-gezinnen. Het taboe op een ‘fout’ verleden werd zodoende door alle betrokkenen mede in stand gehouden.

Ook daardoor werden kinderen uit de ‘foute’ gezinnen verscheurd tussen tegenstrijdige loyaliteiten: aan de eigen ouders en aan de in de na-oorlogse samenleving dominante anti-fascistische en humanistische waarden, waarvan de laatstgenoemde, om het nog lastiger te maken, juist op deze groep niet al te consequent werden toegepast. Dat de psychische problemen die voortkwamen uit zulke schuldgevoelens (tegenover de samenleving, de Joden, het verzet, of juist tegenover de eigen ouders) wortelden in de oorlogsgebeurtenissen werd lange tijd niet onderkend, wat de problematiek onbespreekbaar en het taboe nog zwaarder maakte.

Pas in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw begon dat te veranderen. Dat had alles te maken met verschuivingen in het patroon van herinneren en herdenken van de oorlog, een verschijnsel dat centraal staat in de door Frank van Vree en Rob van der Laarse samengestelde bundel Dynamiek van de herinnering.

Terwijl na 1945 het nationale karakter in de herdenkingen voorop stond, met veel nadruk op de heldendaden van verzet en geallieerden, veel koningshuis en Wilhelmus, verschoof vanaf de jaren zestig de aandacht naar de gruwelen onder het nazibewind, de holocaust, de Joodse en andere slachtoffers van de vervolging. Het proces tegen Adolf Eichmann in Jeruzalem en in Nederland een televisieserie als De bezetting en Jacques Pressers epos over de Jodenvervolging Ondergang droegen bij aan deze accentverschuiving.

Op het eerste gezicht lijkt het wonderlijk dat de gegroeide belangstelling voor de slachtoffers voor het eerst ook enige ruimte bood voor het verhaal van de NSB-kinderen en toch is dat zo. En wel als gevolg van, zoals De Vree het formuleert ‘de erkenning dat uiteenlopende bevolkingsgroepen heel verschillende ervaringen konden hebben, die zich niet zonder meer lieten invoegen in een nationaal geschiedbeeld’.

Ismee Tames komt tot een soortgelijke constatering: ‘De groeiende aandacht voor de psychische gevolgen van de oorlog en het slachtofferschap van ‘vergeten groepen’ vanaf de jaren zeventig bood kinderen van NSB’ers tegelijkertijd de mogelijkheid hun ervaringen en herinneringen te vertellen én een maatschappelijk geaccepteerde identiteit te verwerven. Bovendien werd door deze manier van vertellen de gedeelde oorlogservaring gevonden die de eerste decennia na de oorlog had ontbroken. ‘Goed’ en ‘fout’ werden vervangen door daderschap en slachtofferschap. En slachtoffer, dat kon iedereen zijn die had geleden onder de gevolgen van de oorlog.’

Kinderen van ex-NSB’ers richtten de Werkgroep Herkenning op, die hun oorlogsellende voor het voetlicht bracht. Er kwamen boeken en documentaires waarin werd verteld hoe het was om op te groeien als kind van ‘foute’ ouders. Dat zulke ‘kinderen’ aanspraak kunnen maken op specifieke zorg spreekt tegenwoordig vanzelf, van een maatschappelijk taboe lijkt geen sprake meer.

Tenminste als het gaat om de kinderen van vroegere collaborateurs. In het geval van hun ouders, die indertijd de kant kozen van de nazi-bezetters ligt de zaak gecompliceerder. Ook die scheidslijn is minder scherp geworden, alleen al doordat nog maar een klein deel van de in de oorlog volwassen generatie in leven is. Menigeen zal zich erin kunnen vinden dat het feit dat iemand een verkeerde keuze maakte niet hoeft te betekenen dat hij of zij in alle opzichten ‘fout’ is, een kwaadaardig mens. Terecht wordt er ook op gewezen dat foute keuzes uit idealistische motieven gemaakt kunnen worden (lang niet altijd overigens).

Een enkeling gaat veel verder in het uitspreiden van de mantel der liefde. De bijdrage van Claartje Wesselink aan de bundel Dynamiek van de herinnering over ‘Het omstreden erfgoed van Henri van de Velde’, laat zich moeilijk anders lezen dan als een kritiekloze verdediging van deze landschapsschilder. Van de Velde werd in 1933 lid van de NSB, oogstte de bewondering van Mussert met zijn schilderij De nieuwe mensch en exposeerde midden in de oorlog in een NSB-galerie met werken als Duitschland en De Held.

Om deze man een ‘idealistische cultuurmens’ en een ‘religieus geïnspireerde vredelievende wereldverbeteraar’ te noemen, zoals Wesselink doet, getuigt van vooringenomenheid en gebrek aan kritisch vermogen. Per slot van rekening is de Tweede Wereldoorlog, zoals Frank van Vree in zijn inleiding betoogt ‘geen afgesloten hoofdstuk, maar levend verleden – een geschiedenis beladen met actuele politieke en morele betekenissen’.

Dick Woudenberg, zoon van NSB-prominent H.J. (Jan) Woudenberg, is een van de leerlingen van de Reichsschule in Valkenburg die in Keurkinderen aan het woord komt. Hij is een van de oprichters van de Werkgroep Herkenning en was er een tijd voorzitter van. Hij is nog altijd werkzaam als psychotherapeut en hoopt daar tot z’n negentigste mee door te gaan. Zijn oudste broer sneuvelde als SS’er aan het Oostfront. Zelf werd hij in Duitsland door de Britten krijgsgevangen gemaakt, in een benauwde goederenwagon zonder eten of drinken teruggestuurd naar Nederland en in kamp Vught begroet met slagen van geweerkolven. Als hij eenmaal beseft dat de verhalen die hem worden verteld over naziterreur en vernietigingskampen waar zijn, krijgt hij het gevoel ‘alsof de grond onder zijn voeten wegschuift’. Aan zijn tijd in Valkenburg denkt hij met gemengde gevoelens terug, sommige dingen waren ook achteraf best leuk. Maar: ‘De eigen wil was volkomen uitgeschakeld. Ik heb na de oorlog weer moeten leren denken. Als Hitler de oorlog had gewonnen, waren we robots geworden, erger dan de generatie voor ons. Ik ook, geen twijfel mogelijk.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden