Als de omroep 2016 maar haalt

Niet pas in 2016, maar nu al kan iedereen op elk willekeurig moment televisieprogramma’s bekijken op internet. Werner Herzog, Michael Moore, alles kan bekeken worden....

Minister Plasterk verwacht dat in 2016 de publieke omroep ingrijpend moet worden hervormd. Zoals de Volkskrant schrijft: ‘In 2016 is het systeem achterhaald door de techniek. Iedereen kan dan op elk willekeurig moment televisieprogramma’s bekijken via internet’ (Binnenland, 4 januari).

Hier is het nieuws: dat kan nu al. De enige reden dat er nog naar zenders wordt gekeken, is gewoonte. Gewoonte bij de kijker, die het fenomeen internetvideo nog moet ontdekken. En ook gewoonte bij de kranten, die toelaten dat hun recensenten het immense aanbod op internet negeren.

Sinds ongeveer tweeënhalf jaar probeer ik redacties en hoofdredacties te interesseren voor het signaleren en recenseren van video op internet. Afgelopen oktober had ik er genoeg van en ben ik voor mezelf begonnen, onbetaald, met de weblog Videovolt.net.

Nu bekijk ik avond aan avond, vaak met openhangende mond van verbazing, de prachtigste programma’s. Twee video’s per dag maak ik met één klik bereikbaar voor bezoekers van mijn weblog, die zo tevens fungeert als tv-zendertje op internet. In de achtste week dat ik het bezoek bijhoud, zijn ruim tweeënhalf maal zoveel pagina’s bekeken als in de eerste.

Wat heb ik zoal opgeduikeld? Gruizige YouTube-filmpjes met dronkemanspraat? Welnee. Een Buster Keaton, een Hitchcock en een Michael Moore. Verschillende animatiefilms met Oscarnominaties. De documentaire Grizzly Man van Werner Herzog, die ’s avonds op tv werd uitgezonden, kon ik mijn bezoekers ’s middags al aanbieden. Live optredens van U2 en Monty Python. Elf seizoenen van South Park. Aangrijpende lezingen en interviews. Allerlei satire. Meestal in keurige beeldkwaliteit, gratis en voor zover ik weet legaal.

Internet heeft intussen zijn eigen sterren, zoals actrice Felicia Day, de geschifte puberheld Fred Figglehorn en roddelkoning Michael ‘What the Buck’ Buckley. Inmiddels bestaan er ‘webseries’ met korte afleveringen (2 tot 10 minuten), die vele seizoenen beleven. Bijvoorbeeld Pink, een thrillerserie over een vrouwelijke huurmoordenaar, of The Guild, een komedie over de game World of Warcraft. En niet te vergeten The Interior, een korte Engelstalige dramareeks van topkwaliteit, met een glansrol voor Hanna Verboom. Ik zou veel meer dan twee tips per dag kunnen geven als ik er tijd voor had. Geeks (computerfreaks) in de VS zeggen hun kabel op – een essentiële tv-serie kopen ze wel via iTunes, dan houden ze nog geld over.

De lezer zal zich misschien afvragen hoe je internetvideo bekijkt. Het makkelijkst is: op de pc. Dat vindt niet iedereen prettig; mensen kijken graag achteroverhangend naar een groot scherm in de verte. Het aansluiten van een laptop op de televisie is niet zo moeilijk als het lijkt, maar toch is het voor veel mensen een brug te ver. Maar dat is een kwestie van tijd. Mensen zullen wennen aan de laptop en wellicht zelfs aan het mobieltje als videovenster.

Marcel van Dam denkt dat het met video van internet niet zo’n vaart loopt (Forum, 7 januari). Mensen zijn sociale wezens en willen gezamenlijk rond de tv zitten, of in ieder geval achteraf praten over wat ze hebben gezien. Ook daar is geen omroep meer voor nodig, Marcel. Jonge mensen sturen elkaar via msn links naar video’s op YouTube en slaan elkaar virtueel op de schouders van het lachen.

Je hoeft geen plaats en tijd meer af te spreken om samen ergens van te genieten. In mijn gezin gaat dat zo: soms kijken we samen naar het nieuws, naar sport of naar een film. Vaker zit er één voor de tv en zitten drie anderen achter hun laptop. En als iemand iets met een ander wil delen, wordt er een kreet geslaakt of een linkje gestuurd, net hoe het uitkomt.

Voor zover mensen per se rond het toestel willen hangen, zullen ze ook dáár in de nabije toekomst van internetvideo kunnen genieten. De eerste tv-toestellen waar een internetstekkertje in past zijn onderweg naar het schap.

Van Dam meldt dat de gemiddelde televisiekijktijd de laatste tien jaar alleen maar is gestegen. Dat moet voor de omroep geen reden zijn zich niet schrap te zetten. Ook de kranten en de muziekindustrie hebben tot na de eeuwwisseling gedacht dat het wel los zou lopen. Terwijl in tien jaar het aantal tv-uren ietsje is gestegen, groeit Uitzendinggemist met tientallen procenten per jaar en hetzelfde geldt voor YouTube.

Hoe komt al die video gratis op internet? Veel films uit de jaren dertig en eerder zijn rechtenvrij en staan op Archive.org. Voor veel archieffilms, van de Amerikaanse overheid bijvoorbeeld, geldt hetzelfde. Zo staan belangrijke televisietoespraken van Kennedy (Varkensbaai) en Nixon (Watergate) integraal online. Documentaires over Amerikaanse oorlogshelden idem. Het complete archief van de National Film Board of Canada, vol cinematografische juweeltjes, is sinds kort openbaar. Prijsvragen en filmfestivals genereren publiciteit door materiaal online te zetten, zoals onlangs het documentairefestival IDFA in Amsterdam.

Webseries zijn meestal gemaakt om gratis te worden aangeboden, om het publiek naar advertenties te lokken. Dat geldt natuurlijk ook voor de videostromen van zenders als CNN en MSNBC en het op internet geboren Current.tv. Onafhankelijke filmmakers geven hun film weg en vragen om donaties of verkopen in eigen beheer de dvd. Michael Moore deelt zo nu en dan zijn films uit omdat het leuke pr is. In het geval van Sicko (over misstanden in de Amerikaanse gezondheidszorg) was dat tijdelijk, maar Slacker Uprising (over de presidentsverkiezingen 2004) is nog steeds gratis.

Het is natuurlijk niet alleen de kwaliteitsvideo die de omroep bedreigt. De bagger van amateurs op YouTube vraagt tijd van de burger, en een verwante bezigheid als gaming doet dat ook. Niet alleen de publieke omroep heeft hier last van, de commerciëlen net zo goed.

Eigenlijk is de door Plasterk gesignaleerde beschikbaarheid van video op internet voor de omroepen geen fundamenteel probleem. Video gratis aanbieden, was altijd hun core business. Dat kunnen omroepen op internet ook; dat doen ze zelfs al. Al is hun aanbod onderhevig aan allerlei bekrompen beperkingen. Studio Sport staat niet op Uitzendinggemist; buitenlandse series meestal ook niet; sommige programma’s staan er maar even. Dit fnuikt de concurrentiekracht van de omroepen op internet en jaagt mensen naar YouTube en naar het illegale aanbod.

Alle programma’s moeten op internet, die van de publieke omroepen vanwege het publieke belang, die van de commerciële omroepen vanwege het commerciële belang. Misschien zijn er relatief weinig reclame-euro’s te halen, maar de paaltjes moeten nu eenmaal de grond in. Ook sport moet op internet, niet alleen de speciale evenementen maar álles, niet gedurende een beperkte tijd maar voorgoed. Ook buitenlands drama (onlangs voor het eerst de VPRO-serie Dexter). De archieven moeten open. Dat gebeurt inmiddels voorzichtig: 940 uitzendingen van Man Bijt Hond staan sinds kort online.

In principe zijn er geen ‘zenders’ meer nodig, of kanalen op de kabel, om kijkers te bereiken. Op termijn zullen die wel worden afgeschaft. Als de omroep zich op internet concentreert, heeft dat wel gevolgen. Kijkers krijg je daar niet cadeau. Er zijn geen toestellen die altijd op Nederland 1 springen als ze worden aangezet. Geen mensen die op de afstandsbediening eerst de ‘1’ indrukken. Er moeten kosten worden gemaakt voor promotie, terwijl de reclame-inkomsten dalen. Minder kijkers dus, en lagere programmabudgetten.

Er hoeft op internet geen ‘zendtijd’ meer verdeeld te worden. Het is daarom minder nodig dan ooit de publieke omroep te laten bestaan uit een wonderlijk samenraapsel van belangenorganisaties. Een club van katholieken, socialisten, senioren of jongeren, kan bij voldoende aanhang prima voor zichzelf zorgen, programma’s laten maken en die op internet zetten. GeenStijl bijvoorbeeld deed dat al, en sprak uit met Powned alleen maar op het Hilversumse geld uit te zijn. Waarom zou Omroep Max niet op eigen benen kunnen staan op internet?

Eén publieke organisatie die geld krijgt van de overheid voor omroeptaken die niemand anders voor zijn rekening neemt, is meer dan voldoende. Handig is dat er niet meer gekozen hoeft te worden tussen één, twee of drie zenders. Er zijn alleen nog programma’s. Zoveel als de publieke omroep denkt te kunnen maken met het beschikbare geld.

Ook de commerciële omroepen moeten inbinden. Ook zij concurreren met duizenden onafhankelijke makers, die zonder vergaderen en zonder gezeur van rechthebbenden kunnen besluiten materiaal weg te geven of hun zakenmodel te veranderen. Deze vrijbuiters hebben weinig overhead, geen aandeelhouders die maximalisatie van de winst eisen en kunnen zich experimenten permitteren. Ze hebben toegang tot de hele wereld, net als de kijker.

Grote mediabedrijven kunnen hiertegen allerlei marketinggeweld inzetten en ze kunnen succesvolle concurrenten opkopen. Maar het valt niet uit te sluiten dat ze dezelfde weg gaan als de vroegere posterijen en het vroegere telefoonbedrijf: steeds maar kleiner worden door de digitale techniek en de toegenomen concurrentie.

De kijker hoeft geen boodschap te hebben aan de zorgen van al die rare omroepbedrijven. Het is feest want wat blijft zijn de programma’s. Er is nu al keus uit tienduizenden kwaliteitsprogramma’s uit binnen- en buitenland die permanent gratis beschikbaar zijn. Er is werk aan de winkel voor verkenners die het publiek daarin de weg wijzen. Als de kranten tijdig het licht zien, kunnen ze daarin misschien nog een rol spelen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden