ALLESKUNNER MET BOODSCHAP

Het was een noviteit: een schilder die een verhaal uitwerkt in een serie doeken. Een tentoonstelling in de Tate Britain maakt duidelijk dat de reputatie van William Hogarth verder gaat: dit is de eerste Britse schilder van de moderne tijd....

Het zijn acht schilderijen, ze hangen naast elkaar in de Tate Britain aan de Theems in Londen. In de serie A Rake’s Progress (letterlijk ‘De levensloop van een losbol’, 1734) vertelt William Hogarth het verhaal van Tom Rakewell. Een wannabe aristocraat die zich pakken en status aanmeet en de erfenis van zijn zuinige middleclassvader er als een trein doorheen jast. Hij biedt zijn liefje, die hij eens gouden bergen beloofde, een paar schamele munten als afkoop wanneer ze zwanger is. Hij gokt op paarden en hanen, verspeelt geld met kaarten in kroegen en laat zich inpalmen door hoeren met zwarte vlekken van de syfilis op hun gezicht. In hoog tempo breekt zijn aristocratische allure af, tot hij berooid in een gekkenhuis belandt, tot vermaak van de upperclassdames en -heren die er als toeschouwer vermaak zoeken.

Het was een volstrekte noviteit in de kunstgeschiedenis: een schilder die een compleet verhaal bedenkt en dit uitwerkt in een serie van schilderijen. De kunstenaar treedt op als schrijver, en het narratief – het lopende verhaal – krijgt een hoofdrol in de schilderkunst. Hogarth koos uit zijn verhaal over Tom Rakewell precies de rake momenten – de hoerenclub, de arrestatie voor het niet afbetalen van schulden, het afslaan van het huwelijk met de trouwe, zwangere Sarah. Zoals middeleeuwse kunstenaars in kathedralen precies de sprekende momenten uit het leven van Christus of een heilige konden kiezen: de prediking in de tempel, de genezing van zieken, de Judaskus, de kruisiging. De rest blijft voor de verbeelding van de kijker.

Hogarths voorstellingen zijn aangekleed met verwijzingen en zijverhalen, zoals schilderijen op de achtergrond die het verhaal ondersteunen, en bijfiguren die hun eigen acties uitvoeren, zoals waarschuwen voor vuur, of het beroven van Rakewell.

A Rake’s Progress is niet gebaseerd op verhalen uit de bijbel of de oudheid, maar heeft duidelijk verband met de samenleving in Londen aan het begin van de 18de eeuw: Londense locaties als St. James’ Palace, de hoerenclub The Rose Tavern, Hyde Park, en het gekkenhuis Bedlam vormen de decors. Hogarth bracht hiermee een methode van beeldend vertellen van verhalen met een morele boodschap in gang, wat in latere tijden stevig grond kreeg in de Britse beeldende kunsten: de satire.

Hoe actueel dat nog steeds is, laat de catalogus bij de tentoonstelling zien. Naast Hogarths Rake-serie is de serie Diary of a Victorian Dandy (1998) van Yinka Shonibare afgebeeld. Een interessante dimensie die die de actualiteit van Hogarths uitvindingen onderstreept: net als bij The Rake’s Progress toont de serie toont het leven van een dandy op meerdere momenten, uitmondend in morele chaos. Al is bij Shonibare de nadruk verschoven: het gaat minder over maatschappelijke ondergang dan over sociale en etnische verschillen, want de dandy is zwart, iets wat eerder in de kunstgeschiedenis ongezien was. Ook andere moderne kunstenaars lieten en laten zich inspireren door Hogarth; zo baseerde Stanley Kubrick zijn film Barry Lyndon (1975), over de teloorgang van een rijke jongeling, zich ook op Hogarths Rake-serie.

Hogarth putte voor zijn vondsten natuurlijk wel inspiratie uit bestaand materiaal. Het is opvallend hoe dicht de karikaturale gezichten en de slonzige houdingen van de figuren soms doen denken aan de low life figuren in Hollandse werken van Jan Steen en Adriaen van Ostade. De Hollanders van de Gouden Eeuw waren lange tijd populair in het Britse koninkrijk, bij gebrek aan eigen kunstenaars. Vlaamse en Hollandse schilders verhuisden vanaf het einde van de 17de eeuw naar Engeland toen het economisch minder ging in de Lage Landen. Die invloed is in de Britse kunst van de jaren daarna goed te zien. Ook de morele toon van de schilderijen van Hogarth, barstensvol symboliek die een waarschuwende boodschap onderstreept, is terug te voeren op het moralisme dat in Holland tot in de stillevens doordrong.

Toch is Hogarths werk op en top Brits, te zien aan de locaties en de sociale hiërarchie. De overeenkomsten met de Hollandse kunst zeggen vooral iets over de aandacht die de schilders hadden voor het leven op straat in de grote stad. De satires van Hogarth kregen groot succes. Kranten drukten ze af, en de bevolking kocht de series gretig in prentversie.

De reputatie van Hogarth als schilder en etser van satires is nooit betwist. Al werd hij in sommige latere tijden niet meer zo serieus genomen – misschien deels omdat hij zichzelf aan het eind van zijn leven iets te serieus nam. Maar de Tate wil in dit enorme overzicht meer dan deze status van Hogarth bevestigen. Dat wordt duidelijk in de tien zalen in het museum, die zijn ingericht naar volgorde van tijd en naar thema’s, zoals ‘Patriottisme’, ‘Beeldend Theater’, ‘Straatleven’ en ‘Hoge Kunst’. Wat Hogarth voorstond in zijn theoretische geschrift The Analysis of Beauty, dat hij in 1753 publiceerde, is in de tentoonstelling de belangrijkste invalshoek geworden: variatie.

Hogarth zelf bedoelde er vooral variatie in de voorstelling mee. ‘Gecomponeerde variatie’, een nauwkeurig georkestreerde diversiteit die de vormen en kleuren in de natuur moest reflecteren.

De Tate bedoelt de variatie in zijn oeuvre. Hogarth wordt neergezet als eerste Britse schilder van de moderne tijd. Als nieuwe homo universalis die alle genres, zelfs de meest tegenstrijdige, beheerste en met elk ervan invloed had op latere generaties: van Gainsborough via Constable tot de moderne en hedendaagse Britse kunst en film. Hogarth was een prent- en satiremaker, maar ook een schilder van conversatiestukken – nog een uit de Lage Landen overgewaaid genre –, waaraan hij een geheel eigen karakter gaf. Als in theaterstukken reageren de afgebeelde upperclassfiguren op elkaar met elegante gebaren, om te laten zien dat ze het spel van hogere sociale omgang tot in de puntjes beheersten, en tegelijkertijd om zich een theatrale attitude aan te meten.

Hogarth klom er zelf mee op tot de aristocratische klasse: ook hij kwam uit een laag milieu en een gezin vol schulden, en wist zijn reputatie gaandeweg op te schroeven tot de hoogste kringen. Ook hij beheerste het sociale spel dat hij schilderde tot het uiterste.

Dit gaf hem aanleiding zich ook aan historieschilderkunst, de hoogste van de geschilderde genres, te wagen, en aan het portretteren van adellijke dames en religieuze figuren. Maar niet zonder er een eigen draai aan te geven, zoals in het prachtige portret van Thomas Herring, de aartsbisschop van Canterbury (1744-47); Hogarth zocht geen toevlucht in symbolische attributen en sieraden, maar drukte de macht van de bisschop enkel uit door zich op het zelfverzekerde gezicht en de handgebaren te concentreren.

In zijn historieschilderijen waren het, naast een enkele bijbelse of mythologische voorstelling, ook hier meer moderne bronnen uit de literatuur waaruit Hogarth putte, zoals Milton en Shakespeare, om een contemporain karakter te geven aan het genre.

De Tate schetst die ontwikkeling, maar niet slechts als een Britse versie van The American Dream: van de laagste naar de hoogste klasse. Natuurlijk, als je de tentoonstelling doorloopt, bekruipt je het inspirerende gevoel dat je met een self made man te maken hebt; met een kunstenaar die zijn ambities en passies combineerde en die in elke nieuwe levensfase nieuwe dingen uitprobeerde, waardoor zijn carrière groeide en verbreedde, tot het schrijven van een theoretisch geschrift à la de klassieke Plinius aan toe.

Maar het gaat niet slechts van klein werk tot groots. Tate laat zien dat Hogarth bezig bleef met printwerk, en dat daar, in groot contrast met zijn chique historische schilderijen, juist de toon steeds rauwer en realistischer werd. De humor trok er langzaam uit. Terwijl in de grote, bekende schilderijenserie Marriage à la Mode uit 1743-45 nog op humoristische manier een teloorgaand huwelijk in zes voorstellingen wordt verbeeld – in de trant van A Rake’s Progress, maar verfijnder en grootschaliger –, zijn Hogarths prentseries aan het begin van de jaren vijftig grimmiger en veel harder. De prenten Beer Street en Gin Lane, gesitueerd in Londense armere wijken (met uitzicht op de betere buurten), laten het gevolg van de ‘gin epidemie’ aan het begin van de 18de eeuw zien: immigranten die op het economisch bloeiende Londen afkwamen maar geen werk vonden, gingen massaal gin stoken en veroorzaakten een vlaag van grootschalig alcoholisme onder alle sociale lagen van de bevolking. De harde werkelijkheid van de verslaafden – verwaarloosde kinderen, graatmagere, laveloze mensen op straat – werd door Hogarth als een regelrecht pamflet neergezet, zonder een spoortje satire. De vier prenten The Four Stages of Cruelty (De vier stadia van wreedheid) hebben wel overeenkomst met de vroegere series, omdat er weer voor één fictief hoofdpersoon gekozen is. Tom Nero wordt gevolgd van kind tot na zijn doodstraf: eerst als sadistische pester van katten en honden, dan van paarden en mensen. Tenslotte wordt zijn terechtgestelde lichaam beschikbaar gesteld aan de wetenschap, wat Hogarth aangreep om de anatomische lessen op een even gewelddadige manier af te beelden (waarmee hij tegelijk de hogere klasse bekritiseerde die deze praktijken toelieten).

Het was afgelopen met de knipoog, de etsen zijn afschuwelijk om naar te kijken. Hogarth maakte propaganda van zijn kunst, ook door goedkopere druktechnieken te gebruiken (houtblokken in plaats van koperetsen) waardoor ze betaalbaar en wijdverspreid werden. De Gin Lane-prent maakte zelfs onderdeel uit van een campagne voor een nieuwe wet tegen het stoken van gin. En de even rauwe morele serie Industry & Idleness, over criminaliteit van jonge werkmannen werd gebruikt in kerkpreken en als kerstcadeau.

De serie toont niet alleen een nieuw gezicht van Hogarth, die tegelijkertijd ook zijn mooiste aristocratische portretten schilderde, maar ook een typisch Britse fascinatie van de kunstenaar voor dood en straf. Een aan exhibitionisme grenzende traditie van het zichtbaar maken van wreedheden die tot in de Middeleeuwen is terug te voeren. The Four Stages of Cruelty is de 18de eeuwse Tabloid Press, alleen over een fictief persoon.

Het staat buiten twijfel dat Tate Britain, een museum over Britse kunst door de eeuwen heen, heel bewust heeft gekozen voor William Hogarth. Niet alleen om het publiek een hernieuwde blik op het oeuvre van de kunstenaar te bieden. Ook is de tentoonstelling een onderzoek naar de identiteit van Britse kunst, misschien zelfs een herijking ervan. In de catalogus worden eigenschappen van Hogarth, zoals zijn narratieve en sociaal-actuele aanpak geprezen als onderdeel van Britse kunst die zich, ‘in tegenstelling tot de conceptuele kunst van het continent’, altijd op deze manier is blijven ontwikkelen. Hogarth laat op zijn minst zien hoe inventiviteit in beeld en verhaal kan worden gecombineerd met een hoogst actuele onderwerpkeuze.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden