Alles verandert, maar niets vergaat

Er zit weer toekomst in het klassieke verleden. De vele nieuwe vertalingen, dikwijls aantrekkelijk vormgegeven, leveren het bewijs. 'Lectori salutem' is het thema van de 65ste Boekenweek....

door Arjan Peters

WAAR waren ze ook weer gebleven? De Odyssee, boek tien. Op zijn reis van Troje naar huis is Odysseus met zijn makkers op het eiland van de cyclopen gekomen. De reus die daar enkele makkers met huid en haar opeet, wordt door Odysseus beneveld en van zijn oog beroofd. De hoofdmoot ontkomt, al gooit het monster de vluchtenden nog een rotsblok achterna.

Een doordeweekse avond in de Amsterdamse Jordaan. Ewald Vervaet (natuurkundige en ontwikkelingspsycholoog), Magda van Brummen (oud-advocate en kantonrechter), Geraldine Raap (beleidsmedewerker van de Landelijke Huisartsenvereniging), en Els Heringa (studeerde rechten en bracht daarna drie kinderen groot), scanderen de roemruchte homerische hexameters. Daarop laten ze hun vertaling horen. In de afgelopen twee weken hebben ze per persoon zo'n twintig regels in het Nederlands omgezet.

De vier maken deel uit van een leesclub, waarvan er landelijk 59 zijn aangesloten bij het Nederlands Klassiek Verbond. Geen instelling van verstarde oud-gymnasiasten, benadrukt docente Jeanette Raap, maar een bloeiende vereniging. Zij leidt haar club al vijftien jaar. Eerst hebben ze de hele Ilias gelezen, inmiddels zijn ze een eind gevorderd in de Odyssee.

Waarom langzaam gaan zitten vertalen, als er verschillende vertalingen voorhanden zijn? 'Het is mijn grote hobby', zegt mevrouw Van Brummen. 'Het uitzoeken. Puzzelen. Het plezier in het vertalen zelf staat bij mij voorop.' Els Heringa heeft zich bij leeskringen gemeld zodra ze weer tijd kreeg. 'Behalve hier zit ik ook op een club die Ovidius leest. Ja, waarom doe ik dit? Waarom vind ik muziek belangrijk? Je kunt het niet gemakkelijk aanwijzen. Poëzie en muziek onttrekken zich aan onze neiging tot nuchter definiëren.'

Geraldine Raap, de zus van Jeanette, stort zich op Homeros omdat deze club niets te maken heeft met haar dagelijkse bezigheden. Het contrast met haar werk en gezinsleven is aangenaam groot. Terwijl Ewald Vervaet vermoedt dat hij hier zit omdat hij een link ziet met zijn werk als ontwikkelingspsycholoog: 'Het omgaan met de psyche lijkt bij Homeros vreemd: regelmatig heeft hij het over een ''godheid die woede in mensen gooit'' , of ''Athene die een idee bij Odysseus in het middenrif legt''. Alsof die dingen van buiten komen. Nou, zo reflecteren kinderen van drie, vier jaar ook. En volwassenen met een psychische scheefgroei.'

Alle deelnemers hebben vroeger gymnasium gehad. Hoewel ze het toentertijd niet altijd even leuk vonden, zijn ze de belangstelling niet kwijtgeraakt.

En voort lezen ze, met permissie, want ze willen hun anderhalf uur les goed besteden. Dus toen de rozenvingerige dageraad te zien was, stapte Odysseus met zijn makkers aan boord, die in een rij de asgrauwe zee sloegen met hun riemen. Daarvandaan zeilden ze verder, bedroefd van hart. Blij dat ze nog leefden, maar immers ook 'verloren hebbende onze makkers', zoals de tekst letterlijk zegt.

Homeros is de eerste, de belangrijkste en de beste, opent Ilja Leonard Pfeijffer zijn onlangs uitgebrachte korte literatuurgeschiedenis De Antieken. Hij zegt het. Als je de leesclub van Jeanette Raap bijwoont, kun je het horen.

'OP HET moment worden er ontzettend veel belangrijke schrijvers vertaald, maar alleen de grote mannen zorgen voor de grote oplagen.' Hein L. van Dolen (1941), vertaler van Lucianus, Plutarchos en Herodotos, heeft moeten vaststellen dat zijn vertaling van enkele komedies van Aristophanes geen grotere oplage dan vijftienhonderd exemplaren haalt. 'Ik heb hem opgenomen in mijn boek De klassieke canon, niet om mijn vertaling te promoten, maar omdat hij eenvoudig bij de belangrijksten hoort. Helaas willen de mensen daar maar moeilijk aan.'

Toch gaat het aanmerkelijk beter dan zo'n vijftien jaar geleden. Toen kwamen bijna alle vertalingen van klassieke auteurs bij De Slegte terecht. Die verandering kan niet worden verklaard uit nostalgie van een bepaalde generatie oud-gymnasiasten. Van Dolen is lange tijd leraar geweest, hij weet als geen ander dat zijn oud-leerlingen destijds nauwelijks hebben genoten van hun Xeno phon en Plato. 'Dat maken wij ervan, dat ze er zoveel van opsteken. Maar die leerlingen moesten gewoon hard werken. Heel vervelend werk meestal ook nog. Stamtijden en rijen woordjes leren, zinnetjes vertalen. Of ze nou precies begrepen wat ze vertaalden, moet ernstig worden betwijfeld. Als ik terugdenk aan mijn eigen schooltijd, weet ik dat ik een heel goede leerling was, maar ik snapte soms de ballen van wat ik aan het doen was. Dat mag wel eens gezegd worden, als er nu zo geklaagd wordt over de gebrekkige kennis van leerlingen. Wij wisten wel íets, maar elke context ontbrak.

'Toch is het van belang dat de namen der groten vroeger tenminste wel gevállen zijn. Vergelijk het met een gelovige of oud-gelovige die weet wat eeuwigheid is. Iemand die zonder godsdienst is grootgebracht, kan zich daar moeilijker een voorstelling van maken.

'Overigens is het onderwijs de laatste jaren sterk verbeterd. Leerlingen zullen nu misschien wat minder goed woordjes kennen, maar ze krijgen een prachtig overzicht van schrijvers uit de Oudheid. De hele Griekse en Romeinse cultuur komt nu aan de orde.'

Bij die nieuwe trend sluit De klassieke canon aan. De tien gouden eeuwen komen ter sprake: van 800 voor Christus (Homeros) tot de tweede na (Apuleius). In korte paragrafen wordt de lezer bijgepraat over de auteurs die in hun tijd als de voornaamsten werden beschouwd. Op die aloude selectie, gemaakt in de Oudheid voor bibliotheken en scholen, bouwen wij nog steeds voort. Van Dolen: 'Je moet dit boek niet zien als mijn keuze, maar als de canon. Daarom zit bijvoorbeeld ook Sappho erbij, want om haar kun je niet heen, terwijl er bijna niets van haar werk is overgeleverd. Dus als je denkt: die vrouw ga ik eens lezen, dan zul je raar op je neus kijken. Een reeks heel korte fragmenten hebben we over, en slechts één gedicht.

'Mijn boek is gemaakt voor de lezers - of liever gezegd: voor de kopers - die behoefte hebben aan een leidraad. Die willen weten waar ze op moeten letten.' Ter lering en vermaak heeft Van Dolen zijn overzicht besloten met een alfabetische lijst van gezegden en uitdrukkingen, waaronder verrassende als 'Geen woorden maar daden' (Thucydides) en 'Ken je er een, dan ken je ze allemaal' (Terentius) en 'Zelfs een blinde kan het zien' (Aristophanes). Alles verandert, maar niets vergaat, zoals Ovidius hoopgevend sprak.

MAAR hoewel er niets vergaat, kan alles wel érg veranderen. Van die wijsheid geeft Mark Pieters (1964), senior redacteur van Athenaeum - Polak & Van Gennep en met Patrick De Rynck samensteller van het klassiek ABC-boek Van alfa tot omega, een pregnant voorbeeld: 'Het Gulden Vlies is heden ten dage vooral bekend als een hoofdstedelijke condomerie. Daar verwijzen we dus naar in ons boek, om vervolgens te vertellen waar de term vandaan komt: Jason die een gouden ramsvacht moest zien te verwerven voordat hij koning kon worden. Het complete verhaal is in de derde eeuw voor Christus verteld door Apollonios van Rhodos.'

Zijn boek is ingedeeld naar begrippen die de hedendaagse leek iets zouden moeten zeggen ('Oedipous-complex', 'Lesbisch', 'Argusogen'), en die na een korte woordverklaring worden toegelicht met een uitgebreid citaat uit de bron zelf.

Vanzelfsprekend verwacht Pieters dat die leesgrage leek er is, en hij heeft redenen voor die veronderstelling: 'Natuurlijk zijn er oud-gymnasiasten die met een knagend schuldgevoel rondlopen. Ze hebben klassieke talen op school gehad, en ze beseffen later dat ze er veel te weinig mee hebben gedaan. Maar die groep is niet de enige waarop ik mik, want ik betwijfel of zulke weemoed de kooplust aanwakkert. Er zijn ook mensen die op school helemaal geen Latijn of Grieks hebben gehad, maar die wél willen weten waar onze cultuur voor een gewichtig deel op steunt. Zij merken bovendien dat uitgevers zich er niet langer te goed voor voelen Homeros in pocket te brengen. Bij duizenden vliegen die goedkope uitgaven weg, en ze zijn zelfs - een unicum in de naoorlogse geschiedenis - in de stationskiosk verkrijgbaar.

'In mijn ogen toont niet alleen het publiek een grotere belangstelling, of zou dat driftig op zoek zijn naar oude waarden en normen. Want hoezo waarden en normen? Lees die klassieken, en je gaat van verkrachting naar moordpartij. Praktijken die meestal nog worden goedgepraat ook. Volstrekt immoreel, zouden wij zeggen.

'Hoe ik die wassende aandacht dan kan verklaren? Allereerst is het prachtige literatuur. Verder denk ik dat we moeten toegeven dat men reageert op een modernere manier van uitgeven. Vijftien jaar geleden waren het Márquez en andere Zuid-Amerikanen wat de klok sloeg. Een tijdje geleden was het de oosterse golf van Jung Chang en Lulu Wang. En vandaag de dag durft een grote boekenclub het met een gerust hart aan om grote partijen Homeros in te slaan.'

Als uitgever let Pieters er nadrukkelijk op dat de vertaling die hij publiceert, niet wordt overwoekerd door een notenapparaat, en vooral dat het origineel niet dermate angstvallig wordt gevolgd dat elke dichterlijkheid uit het Nederlands verdwijnt. Pieters: 'Ideaal zou zijn dat een graecus of latinist de vertaling maakte in samenwerking met een Nederlandse dichter.'

De interesse neemt duidelijk toe, en Pieters bidt dat die opgaande lijn ook na de Boekenweek zichtbaar zal blijven. Tegelijk bevestigt hij de ervaring van Van Dolen, dat we nu ook weer niet aan een zondvloed van bestsellers moeten denken. Van de vijftig leverbare titels in het fonds van Pieters lopen er ongeveer tien goed. 'Heel eerlijk gezegd: van die tien lopen er eigenlijk maar vier écht goed. Maar dan praten we ook over tienduizenden exemplaren. Homeros, Plato, Ovidius en Vergilius. Probeer je het met een onbekende, dan is het terstond moeilijk. Vorig jaar verscheen van Lucianus de Ware verhalen in vertaling: een mooi klein boekje, oergeestig van inhoud. Erasmus, Rabelais, Cervantes waren fan van hem. Zestig pagina's hoogstaand vermaak. Je raakt het niet kwijt, meneer. De naam zegt niemand iets. Ze durven de drempel niet over.'

OM DE lezer breder geïnteresseerd te krijgen, moet hij breder bediend worden. Essaybundels kunnen daarin voorzien, gidsen, en wellicht ook aansprekende toneeladaptaties. 'Cultuur is iets anders dan monumentenzorg', beweert Bas Heijne in zijn recentelijk verschenen essaybundel De wijde wereld: 'Kunst, ook de oudste, moet steeds weer nieuw gemaakt worden. Verspreiders van kunst, politici en stichtingen, denken dat kunst iets is wat je kunt uitdelen.'

Geldt dat ook voor de klassieke letteren?

Hein van Dolen: 'Ik ben er vast van overtuigd dat een Nederlandse vertaling geen langere levensduur dan dertig jaar heeft. Laatst heb ik de vertaling bestudeerd die Gerrit Komrij in 1970 maakte van De geheime geschiedenis van Byzantium van Procopius (zesde eeuw). Hij heeft het mooi gedaan, maar de stijl van vertalen blijkt in de tussentijd veranderd. Dertig jaar geleden mocht je breeduit omschrijven: tegenover één Grieks woord konden negen Nederlandse komen te staan. Dat is nu ondenkbaar. Als Bas Heijne dát bedoelt met de noodzaak van het ''nieuw maken'' van oude kunst, dan kan ik dat beamen.

'Iets anders is de kwestie of je alle vrije bewerkingen en uitvoeringen van klassieke tragedies even enthousiast moet begroeten. Ik heb er grote moeite mee wanneer die zonodig actueel moeten worden gemaakt. Een Griekse tragedie die nog puur als een Griekse tragedie wordt opgevoerd - ik zie het nauwelijks.

'Ik kom als bezoeker naar de Bakchanten van Euripides, door Toneelgroep Amsterdam. Best een aardige voorstelling. Maar dan komt op een gegeven moment de hoofdrolspeler, die dood is, onder de ketchup en spiernaakt weer op het toneel terug, als zijnde zijn moeder. Wat een idioterie! Die moeder heeft haar zoon gedood in een vlaag van waanzin, en dan moet vervolgens diezelfde zoon piemelnaakt zijn eigen moeder weer zijn. Iets vergelijkbaars heb ik bij een Antigone ook meegemaakt. Antigone is dood, en de bode komt vertellen hoe dat is gebeurd - maar dat doet dan diezelfde actrice! Onnodig, en ik zie ook totaal niet in waaruit hier de ''actualisering'' zou bestaan. Het is alleen maar anders dan anders, en dat is de keerzijde van Bas Heijne's stelling; dat regisseurs het zogenaamde 'nieuw maken' als eis gaan hanteren, met dit soort mallotigheden tot gevolg.

'Volgens mij werkt vernieuwing alleen zolang mensen ook over de bron kunnen beschikken. Je moet eerst weten wáár die vernieuwing op wordt gepleegd. Even terug naar de klassieke tekst, ja.'

ONTKOMEN aan de toorn van de cycloop, vaart Odysseus met zijn makkers terug naar Ithaka. Onderweg leggen ze voor een maand aan op het eiland Aiola, waar Aiolos heerst. Van Zeus heeft die het beheer over de loeiende winden gekregen. Zes zonen en zes dochters heeft Aiolos, en als de mannen volwassen zijn, geeft hij ze die dochters.

'Heb ik dit juist vertaald?', vraagt mevrouw Heringa enigszins onzeker. 'Jazeker', feliciteert Jeanette Raap haar, 'dit is dus incest, hè. Daar doet Homeros niet moeilijk over. Bij de goden is het ook meermalen raak.'

Opgelucht wordt er nog wat verder vertaald. Odysseus vertelt dat ze het vaderland al konden zien. Door hun eigen kortzichtigheid komen ze daar toch weer niet aan: terwijl Odysseus slaapt, maken de makkers de zak open waarin Aiolos de winden had opgesloten, met uitzondering van de westenwind die ze netjes thuis had kunnen brengen. Voor de leesclub is het eindpunt van de avond bereikt. Over twee weken komen ze weer bijeen. Dan bereiken ze misschien Aiaia, waar de machtige godin Kirke verblijft.

Raap wenst ze succes. Zoveel enthousiasme ontmoet ze niet vanzelfsprekend in Hoorn, waar ze overdag lesgeeft: 'Er zijn natuurlijk nog altijd leerlingen die met een lang gezicht roepen: ''Wat heb je er nou aan, die dode talen leren?'' Daarop is mijn antwoord, bewust provocerend: ''Niks. Het is gewoon leuk.'' Hoe leuk het is in direct contact te staan met een groot auteur van 28 eeuwen geleden, daar gaat het in wezen om. Vandaar dat die volwassenen in de leesclub nu al vijftien jaar met Homeros bezig zijn. Om de week weer een aantal regels verder.

'Natuurlijk heb je er wél wat aan, ik kan best een inhoudelijker antwoord geven op die vraag naar het nut, maar daar kun je bij die kinderen beter niet mee aankomen. Nauwkeurig lezen, lettergreep voor lettergreep tot je laten doordringen wat je leest, is waardevol voor je analytisch vermogen, je eigen manier van uitdrukken, voor het ontwikkelen van een kritische blik. U en ik hebben het steeds over een leesclub, maar in feite zitten we hier heel precies te vertalen. Toch klopt de naam. Vertalen kun je beschouwen als misschien wel de aandachtigste vorm van lezen. Als gezegd spui ik dit soort overwegingen niet voor de klas, maar reserveer ik ze voor het avondlijk uur.

'Kent u de gedichtencyclus Tequila sunrise van Gerrit Komrij? Over de ezel en de dichter? Heel grappig, en extra leuk wanneer je weet dat Komrij daarmee rechtstreeks verwijst naar Lucianus. Die cyclus is uit 1998. Zo zie je voor de zoveelste keer dat de klassieken blijven doorwerken.

'Je kunt je dan natuurlijk vervolgens afvragen, wat voor nut het heeft dat je Lucianus en Gerrit Komrij leest. Dan grijp ik voor het gemak terug op die kreet die natuurlijk niet de hele waarheid is, maar die als brutale verklaring het meeste effect sorteert.

'Het heeft geen nut. Het is gewoon leuk.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden