Allemaal de schuld van Castilië

De Catalaanse literatuur is het gastthema van de Frankfurter Buchmesse 2007. Maar of dat tot internationale bekendheid zal leiden is de vraag....

De Catalanen zijn maar wat trots op hem: Ramon Llull. Hun eigen Dante, beweren ze. Ramon Llull, de theoloog en filosoof die leefde van 1232 tot 1316. Een ware homo universalis. Maar vooral: de founding father van de Catalaanse taal en literatuur.

De vergelijking met Dante is de Catalanen natuurlijk graag gegund, maar roept ook een pijnlijke vraag op: waarom werd het Catalaans niet de taal van een heel land, zoals de taal van Dante? En waarom viel de Catalaanse literatuur na de grote bloei in de late Middeleeuwen ruim drie eeuwen lang stil?

Het is allemaal de schuld van Castilië, zeggen de verongelijkte Catalanen. Castilië, het koninkrijk in het hart van Spanje, dat een leidersrol kreeg tijdens de Reconquista, de eeuwenlange strijd tegen de moren. Na de val van het laatste moorse bolwerk Granada in 1492 werd Castilië de baas in heel Spanje en werd het Castiliaans (oftewel het Spaans) de officiële taal.

Terwijl de Catalaanse literatuur stilviel, veroverde die van Castilië een ereplaats in Europa met schrijvers als Góngora, Quevedo, Calderón en Cervantes. Dankzij laatstgenoemde werd het Catalaans niet helemaal vergeten. In de befaamde episode waarin de priester en de barbier de boeken van Don Quichot verbranden, redt Cervantes Tirant lo Blanc van de vlammendood en noemt hij deze Catalaanse ridderroman zelfs ‘het beste boek van de wereld’.

Pas in de loop van de 19de eeuw liet de Catalaanse literatuur weer van zich horen. Dat gebeurde tijdens de Renaixença, die haar strijdbaarheid zou overdragen aan stromingen als het modernisme, català, en het noucentisme. De Catalaanse literatuur liet zich niet meer kisten. Zelfs niet door Franco, die niets wilde weten van regio’s met eigen identiteiten en daarom het Catalaans (en ook het Baskisch) verbood. Dat verhinderde de eigenwijze Catalanen natuurlijk niet stiekem hun taal te blijven spreken en schrijven. Maar pas toen de generalísimo in 1975 overleed, kon het echte werk weer beginnen.

Grote steun en toeverlaat hierbij werd de Generalitat, de Catalaanse streekregering. Geen moeite is de Generalitat te veel om de positie van het Catalaans in alle segmenten van de samenleving te versterken: op straat, op radio en televisie, in het onderwijs, op het werk. En ook in de letteren. Iedereen die de moeite neemt om een boek in het Catalaans te schrijven, kan er dankzij de royale subsidies van de Generalitat op rekenen dat het zal worden uitgeven.

Het gevolg is dat de Catalaanse overheid inmiddels met een gigantisch opslagprobleem te kampen moet hebben, want van elk boek schijnt de Generalitat er vier-à vijfhonderd af te nemen. Dat al die stapels boeken in de kelders blijven liggen, zal de meeste uitgevers worst zijn. Die zijn allang blij dat ze dankzij deze gegarandeerde afname meteen uit de kosten zijn.

Waarom zijn er ondanks dit luxebad van overheidsgeld dan toch nog zoveel schrijvers in Catalonië die zich van het Spaans bedienen? Sterker nog: waarom wordt de belangrijkste literatuur uit Catalonië nog altijd in het Spaans geschreven? Waarom geven schrijvers als Juan Goytisolo, Eduardo Mendoza, Javier Cercas, Carlos Ruiz Zafón, Enrique Vila-Matas en Juan Marsé de toon aan?

Voor veel van hen geldt dat ze het Spaans nu eenmaal beter beheersen dan het Catalaans. Neem een veteraan als Juan Goytisolo, die in de Franco-tijd opgroeide met een vader die geen woord Catalaans in huis wilde horen. Of de veel jongere Javier Cercas, die een paar jaar geleden heel Spanje op zijn kop zette met zijn roman Soldaten van Salamis. Cercas werd geboren in Extremadura (Zuidwest-Spanje). Dat heeft hem niet verhinderd zich na zijn verhuizing een echte Catalaan te gaan voelen, maar wel om een goede schrijver in het Catalaans te kunnen worden.

Bij een schrijver als Eduardo Mendoza is wél sprake van een echte keuze. De charmante chroniqueur van Barcelona voelt zich in beide talen als een vis in het water, maar schrijft zijn romans strijk en zet in het Spaans. De reden is simpel. Met het Spaans, weet hij, bereik je nu eenmaal een veel groter publiek dan met het Catalaans.

Is Mendoza dus geen echte Catalaanse schrijver? Alleen al zijn uitgekookte keuze voor het Spaans wijst op het tegendeel. De handelsgeest en het opportunisme zitten de Catalanen in het bloed. Dat onderscheidt hen van de Basken, die de neiging hebben in één richting te denken en te handelen, en die daarom altijd ruzie hebben met de regering in Madrid. Ze sterven liever dan dat ze zouden beamen dat Baskenland een deel van Spanje is. De Catalaanse nationalisten daarentegen willen zichzelf best een beetje Spanjaard voelen als dat toevallig zo uitkomt en ze daar beter van worden.

Maar de voornaamste reden waarom Eduardo Mendoza, Juan Marsé, Carlos Ruiz Zafón, Enrique Vila-Matas en Javier Cercas óók Catalaanse schrijvers zijn, is dat hun werk dezelfde geest ademt als dat van de in het Catalaans schrijvende auteurs. Ze wonen allemaal aan de Middellandse Zee-kust, een gebied dat van oudsher de deuren wagenwijd open had staan voor alles wat van elders kwam. Nieuwe handelswaar, nieuwe inzichten, nieuwe ideeën: het waaide vanuit alle hoeken en gaten Catalonië binnen. En natuurlijk vooral Barcelona, de stad die zelfs in de Franco-tijd nog aantrekkelijk genoeg was om schrijvers als García Márquez en Vargas Llosa ertoe te verleiden daar te gaan wonen en werken. De stad heeft altijd een openheid en lichtheid uitgestraald die in het Spaanse binnenland ver te zoeken waren.

Die open en (ver)lichte mentaliteit vinden we al bij Ramon Llull. Naar verluidt beheerste de middeleeuwer twaalf talen en liet hij de voertaal van een gesprek afhangen van zijn gesprekspartner. Richtte deze het woord tot hem in het Spaans, dan antwoordde hij in het Spaans. Dat getuigde van een hoffelijkheid die helaas geen vanzelfsprekendheid meer is in Catalonië. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk in L’Auberge espagnol, een drukke film over de belevenissen van een Franse Erasmusstudent in Barcelona. In de collegebanken zit een gemengd gezelschap van Catalaanse en buitenlandse studenten die alleen het Spaans beheersen. De docent richt zich tot zijn publiek in het Catalaans. Een van de Erasmusstudenten vraagt beleefd of meneer het college misschien in het Spaans zou willen geven, dan kan iedereen hem volgen. De docent weigert categorisch. ‘Als jullie Spaans willen horen, dan gaan jullie maar naar Madrid of Zuid-Amerika. Hier is het Catalaans de officiële taal’, licht hij toe, daarbij voor het gemak vergetend dat het Spaans óók een officiële taal in Catalonië is en dat een substantieel deel van de inwoners van de streek het Catalaans niet machtig is.

Ramon Llull moet zich de afgelopen maanden heel wat keren in zijn graf hebben omgedraaid vanwege het beleid van het Institut Ramon Llull, de door de Generalitat gefinancierde organisatie die zich bezighoudt met de promotie van de Catalaanse taal en literatuur in het buitenland. Het Institut kreeg de kans van zijn leven toen bekend werd dat de Catalaanse cultuur in 2007 de eregast van de Frankfurter Buchmesse zou zijn. Jürgen Boos, directeur van de Buchmesse, had de Catalanen op het hart gedrukt om ook de schrijvers die zich van het Spaans bedienen, naar Frankfurt mee te nemen. De puristische directeur van het Institut was het daar niet mee eens, maar kon dat natuurlijk niet hardop zeggen. Daarom verzon hij een list. Mendoza, Marsé, Cercas, Ruiz Zafón: ze waren allemaal van harte welkom, maar hun uitgevers moesten maar voor de reis- en verblijfkosten opdraaien. De Catalaanse overheidssubsidie ging uitsluitend naar de schrijvers die zich van het Catalaans bedienen.

De gevolgen laten zich raden: Mendoza e tutti quanti bedankten voor de eer, en het Institut Ramon Llull zette niet alleen zichzelf te kakken, maar ook de literatuur die het vertegenwoordigt. Het met veel tamtam gepropageerde beeld van de Catalaanse cultuur als open, tolerant, multicultureel en kosmopolitisch stond er gekleurd op. Als deze puristische houding érgens aan deed denken, dan was dat niet aan de global village, maar aan Franco.

Het kwalijke gevolg is dat de ‘echte’ Catalaanse literatuur die via Frankfurt internationale bekendheid hoopte te krijgen, dat nu op eigen kracht voor elkaar moet zien te boksen. En dat is geen geringe opgave, om de eenvoudige reden dat zij zelf niet over de grote namen beschikt die nodig zijn om buiten het eigen taalgebied een gezicht te krijgen. Albert Sánchez-Piñol, Miquel de Palol, Jaume Cabré, Lluís-Anton Baulenas en Quim Monzó kunnen daarom niet zonder Mendoza, Ruiz Zafón, Cercas en Vila-Matas. En wat nog veel belangrijker is: de kleine broers horen bij de grote broers, ook al schrijven ze in een andere taal.Maarten Steenmeijer

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden