Alleen met soortgenoten kun je lachen

Mannen tappen moppen, vrouwen houden zich er liever buiten. Giselinde Kuipers onderzocht de eigenaardigheden van de humor. Door Peter Giesen..

Giselinde Kuipers is net terug van het jaarlijkse congres van de International Society of Humor Studies, dat vorige week in Kopenhagen werd gehouden. Ook humorvorsers blijken sterk verdeeld over de simpele vraag: wat is leuk?

Vorig jaar hielden een Duitser en een Oostenrijker een gezamenlijk praatje. De Oostenrijker zei op vlakke toon: laten we hopen dat het beter uitpakt dan de vorige Duits-Oostenrijkse samenwerking. De Europeanen in de zaal moesten lachen, de Amerikanen begrepen het eerst niet.

‘In Amerika is het gebruikelijk dat je een grap heel nadrukkelijk aankondigt’, verklaart Kuipers. ‘Waarschijnlijk heeft een migrantensamenleving, waarin veel mensen Engels als tweede taal spreken, behoefte aan heel duidelijke communicatieregels. In Europa worden grappen vaak op een drogere toon gemaakt, alsof je er zelf eigenlijk niets aan vindt. Maar goed, toen de Amerikanen het begrepen, vonden ze de grap ongepast.’

Kuipers werkt aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. In 2001 promoveerde ze op een sociologie van de mop. Daarvoor hield ze eind jaren negentig een enquête onder 340 Nederlanders, aangevuld met 70 kwalitatieve interviews. Daarnaast verzamelde Kuipers moppen, op internet, in boeken en tijdschriften.

Deze week verscheen een Engelstalige versie van haar proefschrift, Good Humor, Bad Taste, aangevuld met een hoofdstuk over Amerikaanse humor, gebaseerd op een onderzoek onder 143 Amerikaanse respondenten in 2003.

Na haar promotie wilde ze eigenlijk ‘serieus’ onderzoek gaan doen, maar ze kon van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) een prestigieuze Veni-subsidie krijgen voor een onderzoek naar de mondialisering van de humor. Daartoe bekijkt ze hoe Amerikaanse comedy’s hun weg vinden naar het publiek in Nederland, Frankrijk, Italië en Polen.

De sociologie van de mop biedt een tamelijk overzichtelijk beeld. Vermaarde, filosofisch georiënteerde sociologen als Zygmunt Bauman en Ulrich Beck mogen graag betogen dat oude scheidslijnen als afkomst of traditie niet meer ter zake doen. Het moderne individu wordt gedwongen zijn eigen identiteit te construeren uit een verkleedkist van mogelijkheden. Uit empirisch onderzoek komt echter een veel gematigder beeld naar voren. Oude scheidslijnen blijken vaak nog springlevend. Zo ook bij de mop.

Goede bak

Moppen tappen is nog altijd een typisch mannelijke activiteit, blijkt uit de enquête en interviews die Kuipers hield. Mannen houden van competitie: ze vertellen een goede bak en dagen hun gehoor uit met een betere te komen. Vrouwen deinzen terug voor de risico’s: niets zo pijnlijk als een mop waarom niemand lacht. Het is een uiterst traditioneel beeld, maar het gaat nog altijd op, stelt Kuipers.

Bovendien is moppen tappen een activiteit van lager opgeleiden. Academici en hbo’ers vertellen nauwelijks moppen. ‘We denken vaak dat Nederland zo egalitair is, maar dat valt tegen. Hoger en lager opgeleiden hebben weinig raakvlakken’, zegt Kuipers.

Lager opgeleiden houden van dijenkletsers, van duidelijke, goed vertelde moppen die een gezellige sfeer creëren. Hoger opgeleiden houden van scherpe grappen, die zwartgallig, cynisch of absurdistisch kunnen zijn.

Beide groepen oordelen negatief over elkaars humor. Hoger opgeleiden vinden André van Duin of Ron Brandsteder platvloers en voorspelbaar. Liefhebbers van het volkse genre beschouwen intellectuele humor niet eens als humor.

Kuipers: ‘Ik sprak een man over Jet en Koosje Veenendaal, de parelkettingtantes van Van Kooten en De Bie. Hij vond het een banale revue-act: mannen als vrouw verkleed. Hij begreep niet wat iemand daar leuk aan kon vinden. Het is ook humor waar je een beetje geduld voor moet hebben, die ook een zekere kennis van culturele codes vereist. Het helpt ook als je zulke dames kent.’

Volgens de invloedrijke theorie van de Franse socioloog Pierre Bourdieu proberen mensen hun status te verhogen door de cultuur van de hogere kringen over te nemen. Voor humor gaat dat in elk geval niet op, zegt Kuipers. Van statusnijd onder lager opgeleiden is geen sprake. Integendeel: ‘Ze geloven dat er onder academici maar weinig gelachen wordt.’

Kuipers deed haar onderzoek in Nederland eind jaren negentig, toen de polarisatie tussen ‘VPRO-humor’ en volkse humor nog springlevend was. ‘Misschien zou nieuw onderzoek een wat meer versnipperd beeld geven’, stelt ze. ‘Het is mogelijk dat je een tussencategorie zou vinden van hoger opgeleiden, die van tamelijk conventionele humor houden, zoals Youp van ‘t Hek, Herman Finkers of het cabaret van Kopspijkers.’

Amerikanen hebben heel andere ideeën over humor, ontdekte Kuipers toen ze er in 2003 onderzoek deed. In de Verenigde Staten bestaat geen essentieel verschil tussen de humor van hoger en lager opgeleiden. Amerikaanse hoogleraren tappen rustig een mop, in tegenstelling tot hun Nederlandse collega’s. Amerikaanse highbrow-humor heeft in grote lijnen dezelfde logica en structuur als de lowbrow-variant. Het belangrijkste verschil zit in de onderwerpkeuze: highbrow-grappen gaan vaak over politiek of andere ingewikkelde zaken. Dat verklaart ook waarom iemand als de tv-presentator David Letterman, die in de VS als alternatief geldt, in Europa zelden leuk wordt gevonden.

Amerikanen houden minder van cynische, ontregelende humor. Ze vinden een mop sneller te grof, hoewel de tolerantie voor etnische grappen weer groter is dan in Nederland. Humor heeft vaak een morele betekenis: met een kwinkslag ben je beter bestand tegen het leven met al zijn tegenslagen. Kuipers’ respondenten praatten ook letterlijk over grappen als een ‘medicijn’ tegen de ellende of als een middel om mensen ‘dichter bij elkaar te brengen’. Humor brengt warmte, is een vehikel voor normen en waarden. Zoals een van Kuipers’ respondenten zei: ‘Iemand die zijn leven lang humoristisch blijft, zou ik bijna heilig willen noemen, als je ziet wat er allemaal verkeerd gaat in de wereld.’

Tegenwoordig doet Kuipers onderzoek naar de mondialisering van de humor. Over de hele wereld worden Amerikaanse comedy’s vertoond. Zal daardoor ook het gevoel van humor langzaam geëgaliseerd worden?

Kuipers: ‘Nee, dat geloof ik niet. Als je mensen laat kiezen, geven ze doorgaans de voorkeur aan nationale producten. Het vreemde is dat tv-stations die Amerikaanse comedy’s vaak ook niet willen, met uitzondering van toppers als Friends of Sex and the City. Maar als je een populaire Hollywoodfilm koopt, krijg je er in veel landen noodgedwongen een pakket met comedy’s en andere series bij.’

Heel veel Amerikaanse tv-series worden dan ook niet vertoond omdat het publiek erom vraagt, maar omdat de boekhouders van de commerciële tv het zonde vinden om ze weg te gooien.

Vervolgens zijn er wel nationale verschillen in de acceptatie van Amerikaanse comedy’s. Daarbij geldt grofweg: hoe meer mensen worden blootgesteld aan de comedy’s, hoe hoger de waardering. ‘Nederland is verreweg het meest open. Ook Italië is open, omdat het al heel lang commerciële tv met Amerikaanse series kent. De Franse markt is daarentegen veel meer afgeschermd door wet- en regelgeving ter bescherming van de nationale cultuur.’

Polen

‘Polen vond ik interessant, omdat de tv-kijkers daar veel korter ervaring hebben met Amerikaanse series. Ze bleken er ook weinig van te begrijpen. Ik liet een Pools publiek fragmenten zien van Friends, Sex and the City, Seinfeld, The Nanny en Everybody Loves Raymond. Het Poolse publiek zag geen verschil, terwijl Seinfeld toch een beetje raar is, bijna Europees en Everybody Loves Raymond heel zoet Amerikaans.’

Toch wordt lang niet elke Amerikaanse comedy een succes, hoe groot de economische macht van Hollywood ook is. ‘Everybody Loves Raymond was dé hit in de Verenigde Staten, maar in Europa deed de serie niets. Het is een klassieke, moralistische Amerikaanse familiekomedie. Er wordt veel gekibbeld, maar aan het einde van de aflevering is iedereen weer gek op elkaar’, zegt Kuipers. ‘Married with Children was wel een hit in heel Europa. Maar dat komt ook doordat de humor bijna on-Amerikaans is, zo cynisch en zwartgallig.’

In de meeste landen worden comedy’s ondertiteld of nagesynchroniseerd. In Polen stuitte Kuipers echter op een curieus fenomeen: de lector, doorgaans een oudere man met een donkerbruine stem, leest het script voor. Hij doet alle rollen, terwijl de stemmen van de echte acteurs op de achtergrond nog vaag hoorbaar zijn. De Polen beschouwen hun systeem als superieur. Ondertitels zijn moeilijk te volgen als je de was wilt strijken of koffie gaat zetten. Nasynchronisatie is duur en bovendien hoor je de emoties van de echte acteurs niet meer. Wie zijn oren spitst, kan onder de sonore stem van de lector in elk geval nog een woedende Jack Nicholson of een sensuele Julia Roberts horen.

Kuipers: ‘Mensen willen vooral wat ze gewend zijn. Wat de Polen weer onbegrijpelijk vonden: in Rusland en Oekraïne heb je twee lectoren. Een man leest de mannenrollen voor, een vrouw de vrouwenrollen. Hilarisch vonden ze dat.’

Giselinde Kuipers, Good Humor, Bad Taste. Uitgeverij Mouton de Gruyter; euro 98 ISBN 3110186152

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden