Alleen Annie Schmidt beschikt over het oer-Hollandse idioom

Als ze niet thuis was gekomen om een andere panty aan te trekken omdat ze kletsnat was van de regen, zou Sofie misschien nooit hebben ontdekt dat haar man thuis heimelijk zijn vriendin ontving....

De situatie wordt nog pijnlijker nu Sofie's man doodziek is. Kanker, niks meer aan te doen. Hij wil eruit stappen zolang hij nog een redelijk denkend wezen is en vraagt haar om de pillen. Zij wil het niet horen, ze blijft hopen dat 'een kuur' hem beter zal maken. Zijn vriendin heeft wel begrip voor zijn wens en helpt hem.

Euthanasie was in 1979, toen Annie M. G. Schmidt haar komedie schreef, nog vrijwel onbespreekbaar. De meeste artsen gingen de vraag uit de weg, van een wetsvoorstel was nog geen sprake. Begrijpelijk dus dat het stuk weerstand opriep. Dat was bij de opvoering van Er zit een traan op de tompoes 1989 al veel minder.

Nu, nog eens tien jaar later, is het onderwerp veelbesproken en ervaar je vooral wat een meesterlijke komedie dit is, pijnlijk en vol rake woordgrappen en onmogelijke misverstanden.

Niemand anders beschikt over dat verrukkelijk oer-Hollandse idioom. Als de dochter haar moeder beticht een beursje te hebben gekocht van zeehondenvel, werpt moeder tegen: 'Het is maar een heel klein beursje'. Waarop dochter antwoordt: 'Het was ook een heel klein zeehondje. Direct geef je weer een kwartje voor Greenpeace.' Het is vast geen toeval dat het decor af en toe baadt in fel oranje licht en dat schoonzoon een oranje T-shirt draagt met de Nederlandse leeuw.

Dochterlief gruwt van haar vaders vreemd gaan, maar zet haar moeder wel aan tot groothartigheid. Ze wil niet dat die twee vrouwen 'vechten als twee katten om een halfdooie kater'. En de moeder van Trudy Labij is mild, dodelijk mild. Wat een comédienne, zoals ze met een stalen gezicht de vriendin begroet die destijds haar huwelijk om zeep hielp. Maar ook ontroerend als ze haar afgunst voelt wegebben in de wetenschap dat haar man nog evenveel van haar houdt.

Regisseur Peter Pluymaekers zette zijn spelers aan tot soms heftig, uptempo spel met Jules Hamel als mooi, verward middelpunt, de ernst zelve. De anderen, Labij en de jonge Peggy-Jane de Schepper, hangen dichter tegen de blijspeltoon aan. Erg is dat niet, Schmidts komedie is nog even vitaal als destijds. Het onderwerp is gedrenkt in een flinke scheut humor zonder dat de ernst daaronder lijdt. Die kracht blijft in deze regie voorbeeldig overeind.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden