COLUMNSylvia Witteman

Alleen al de titel van dit merkwaardige kinderboek deed me mijn koffie uitproesten

Nog maar 96 nachtjes slapen en het is alweer Kerstmis! In dat verband kreeg ik een uiterst merkwaardig kinderboek in handen. Het stamt uit 1924, werd indertijd ‘geschikt bevonden voor jongens van 10 tot 13 jaar’ en alleen al de titel deed me mijn koffie uitproesten: Het Kerstjoodje (wie zelf ook eens proesten wil, zie hier).

Het blonde dokterszoontje Frans Vermetten is 11 jaar en uiteraard ‘een echte Hollandse jongen’, als zijn nieuwe buren arriveren. ‘Eerst stapte er een heer uit, toen een dame… toen een jongen, net zo oud als Frans zowat. Plots keek het ventje hem in ’t gelaat, een olijke lach blonk in zijn zwarte oogen. ’t Was lang geen onaardig gezicht, toch keerde Frans zich vol ergernis om. Dát was geen jongen voor hem en hij mompelde ontevreden: ‘’t Is een Jood.’’

Frans’ vader weet beter: ‘Wat kan die jongen, die naast je is komen wonen er nu aan doen, dat God hem ouders heeft gegeven die… Joden zijn? (…) Denk je dat je door schelden een Jood zou kunnen bekeren? Ik denk, als er wat meer liefde van ons uitging, dat ook de Joden niet zoo afkeerig zouden zijn van de Christenen, en… hun Koning.’

Een en ander moet even bezinken bij Frans, maar na een paar dagen krijgt hij toch medelijden met een ‘oud, zwak Joodje’ dat op straat getreiterd wordt door kinderen. Maurits, het Joodse buurjongetje, komt de oude man verdedigen en Frans schiet hem te hulp. Al gauw zijn de jongens beste vrienden: ‘En daardoor vergat Frans ten slotte geheel… dat Maurits een Jood was.’

Nou, Frans misschien wel, maar de lezer krijgt die kans bepaald niet. Zo wordt er een oom van Maurits opgevoerd, ‘de heer Samuel Koekoek, handelaar in ongeregelde goederen. Een dikke dertiger, die een echte grapjas was.’ Samuel heeft helaas een paar ‘slechte eigenschappen’: zo is hij ‘erg op de dubbeltjes. En dat werd minder mooi, naarmate men wist, dat hij er warmpjes in moest zitten.’ Ook praat Samuel met een merkwaardig accent: ‘Ik gheef dhrie tubbeltjes, en dhan ben ik straatarm, shoowhaar ik Shamuel Khoekhoek heet. Ik gheef me heele fermoge.’ Op het bijgaande plaatje staat Samuel afgebeeld met een bijzonder grote neus.

Maar het wordt allemaal nog erger. Frans’ ouders geven een liefdadigheidsfeest voor arme kinderen, waarna Maurits vraagt: ‘Waarom doen jullie dat toch voor al die arme kinderen? Ik vind het wel heel mooi.’ ‘Omdat de Heere Jezus dat wil’, antwoordde Frans eenvoudig. Het scheen, dat bij ’t noemen van dien naam Maurits ineenkromp, alsof hij een zweepslag had gekregen. ’t Slimme Joodje wist wel dat die naam liever niet gehoord werd onder zijn volk.’ Maar ’s avonds in bed bedenkt hij: ‘Als Jezus dan zulke mooie dingen bevolen heeft als dokter en mevrouw Vermetten, Frans en Elly doen, dan… moet het toch wel een edel mensch geweest zijn.’

Dan wordt Maurits’ moeder ernstig ziek en ligt daar, ‘worstelend met den dood om het leven’. Ten einde raad knielt Maurits voor zijn ledikantje. ‘Ja, wat moest hij nu zeggen? Hij had nog nooit gebeden. En dan plots kwamen de woorden: ‘Goede God van het Kerstfeest, maak Moeder beter, als ’t u blieft.’

En ja hoor, het helpt! ‘Dokter Vermetten richtte zich van over de zieke op, en met een gezicht dat straalde van edele vreugde, zeide hij: ‘Godlof, beste jongen, je moeder is gered.’

Hoera, Maurits is bekeerd. En dan groeit hij ook nog op tot ‘zeer gezien arts, in een groot huis in een deftige laan. Ieder in ’t kleine stadje noemt hem het Kerstjoodje. Want Kerstmis is Dokters liefste en mooiste feest.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden