Boekrecensie

Alleen al de levendige schets van het eiland Procida maakt een klassieker van Elsa Morante de moeite waard

In Het eiland van Arturo van Elsa Morante, nu in een heldere nieuwe vertaling, brengt een jongen zijn dagen door in de velden of aan zee, in een soort Nooitgedachtland waar alle dagen eender verlopen. Tot de onttovering begint.

Het duurt tientallen pagina’s voordat er tijd lijkt te verstrijken in de roman Het eiland van Arturo, waarmee Elsa Morante (1912-1985) eind jaren vijftig als eerste vrouw de Italiaanse Premio Strega won. Eerst laat ze de hoofdpersoon uit de titel rustig vertellen over Procida, het eiland voor de kust van Napels waar hij is opgegroeid. De inwoners zijn er klein van gestalte, stug en zwijgzaam, vertelt hij – heel anders dan op Capri of Ischia. ‘Alle deuren zijn dicht, er staat maar zelden iemand voor het raam, elk gezin leeft tussen zijn eigen vier muren.’

Het boek is een klassieker in Italië, waar Elsa Morante nog altijd bekend en geliefd is (al werd ze nooit zo beroemd als haar echtgenoot Alberto Moravia). Deze heldere nieuwe vertaling van Manon Smits moet haar werk ook in Nederland weer onder de aandacht brengen; bij Wereldbibliotheek verschijnen de komende jaren nog drie romans.

Alleen al de levendige schets van het eiland maakt dit boek de moeite waard. Op een hoofdstukje over lieflijke heuvels, stranden en kliffen volgt een minutieuze beschrijving van Arturo’s huis, een vervallen klooster waar de eenzaamheid heerst, ‘kwaadaardig en schitterend, als een gouden spin die haar iriserende doek over het hele eiland heeft geweven’.

Als 14-jarige woont hij er praktisch in zijn eentje; zijn moeder is gestorven in het kraambed, zijn sterke, blonde, half Duitse vader Wilhelm kijkt nauwelijks om naar zijn zoon en is meestal op reis. Om de noord- en zuidpool te veroveren, denkt Arturo, of het Perzische Rijk.

Het eiland is een soort Nooitgedachtland, waar alle dagen eender verlopen; het sprookjesachtige, tijdloze universum van de kindertijd, waarover Morante zo graag schreef. (Haar werk is een grote inspiratiebron voor Elena Ferrante, die haar boeken ‘niet te overtreffen’ noemt.) De trage, beeldende verteltrant versterkt de indruk dat we ons buiten de geschiedenis bevinden.

Wat Arturo van de wereld weet, heeft hij uit de boeken in de kleine familiebibliotheek – avonturenromans, een paar klassiekers – die hij bijna uit zijn hoofd kent. Naar school is hij nooit geweest, van de andere eilandbewoners houdt hij zich afzijdig. De jongen brengt zijn dagen door in de velden of aan zee, dromend van de dag dat zijn vader hem mee zal nemen op een van zijn reizen.

De onttovering begint met de komst van de Napolitaanse Nunziatella, zijn nieuwe stiefmoeder, hoewel slechts twee jaar ouder dan hij. Een ‘prehistorisch, doof wezen’, vindt Arturo, die dankzij zijn vader en de boeken een niet al te hoge dunk van vrouwen heeft. Maar nu hij zo’n vrouw voor het eerst van zijn leven eens van dichtbij meemaakt, blijkt ze helemaal niet zo stom en lelijk als gedacht.

Dat ziet zijn vader anders. Hij behandelt de kersverse bruid als voetveeg, geniet ervan om haar te pesten en gaat al snel weer op reis. Zij wordt geacht thuis op hem te wachten, met een stiefzoon die ze nauwelijks kent. Arturo snapt er niets van. Zijn vader was toch een held, de ‘belichaming van menselijke grootheid’? Tegelijkertijd is de zoon stikjaloers op zijn nieuwe concurrent, die Wilhelms toch al schaarse tijd en aandacht opslokt.

Arturo verwoordt zijn verwarrende emoties met veel uitroeptekens en gezochte vergelijkingen (‘In feite werd ik, zonder dat ik het zelf wist, onderworpen aan bitterder beproevingen dan die van Othello!’). Als hij voor het eerst verliefd is, wordt het ronduit zoetsappig. Wat verwacht je anders, lijkt Morante te zeggen, van een jongen die zo weinig liefde heeft gekend?

Een grote fascinatie heeft Arturo voor de kus, een uiting van genegenheid die zijn vader hem nooit heeft gegund. Het dichtst in de buurt kwam die keer dat hij stiekem een kus drukte op het pakje sigaretten dat hij voor Wilhelm moest halen. Het beeld komt een paar keer terug, zoals meer gebaren, voorwerpen en plaatsen steeds een nieuwe betekenis krijgen op Arturo’s weg naar volwassenheid (een procedé dat Ferrante ook zo graag inzet).

De eerste échte kus is opmerkelijk ontnuchterend: ‘Haar lippen hadden een koude, maartse smaak, en het eerste gevoel dat ik erbij kreeg leek me niet heel anders dan wat je proeft als je op een grassprietje kauwt, of zeewater in je mond krijgt.’ Alle zoetsappigheid is meteen vergeten.

Van Arturo’s ‘Absolute Zekerheden’, in het eerste hoofdstuk met veel aplomb verkondigd, blijft op den duur weinig over. Er sluipt wat nuance in zijn denken, zijn wereld wordt minder zwart-wit. Zelfs Wilhelm krijgt iets van karakter, als zijn zoon ontdekt wat hem werkelijk dwarszit. Op de allerlaatste pagina’s dringt de historische werkelijkheid – toch nog – het boek binnen. De magie van het eiland is uitgewerkt, en Arturo weet: het is tijd om te gaan.

Elsa Morante: Het eiland van Arturo. Uit het Italiaans vertaald door Manon Smits. Wereldbibliotheek; 352 pagina’s; € 24,99.

null Beeld
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden