Alle boeken in de tuin verbrand

Het is pas elf uur in de ochtend, maar de eerste fles witte wijn is inmiddels ontkurkt en de glazen zijn volgeschonken....

Het behoort tot de typische O’Hanlon-eigenschappen iedereen die hij ontmoet het gevoel te geven dat hij/zij toch wel een buitengewoon bijzondere gespreksgenoot is. En dat met een onverbiddelijke overtuigingskracht. Hoe dat werkt, merkte ook de Belgische journalist en reisschrijver Rudi Rotthier. Hij trok vorig jaar tien dagen met O’Hanlon door Engeland, op zoek naar de plekken die bepalend waren voor O’Hanlons leven: zijn geboortehuis, zijn scholen, het college in Oxford, enzovoort. Op basis van deze reis, en vooral van de vele gesprekken die de twee onderweg voerden, schreef Rotthier het zojuist verschenen God, Darwin en natuur, een boek dat je zou kunnen omschrijven als een informele autobiografie van O’Hanlon.

Aan het begin van de reis moest Rotthier O’Hanlon even ‘afstaan’ aan een journalist van The New Yorker, die een interview was beloofd. Tot zijn ontzetting constateerde Rotthier, die de stellige indruk had een bijzondere intimiteit met O’Hanlon te hebben opgebouwd, dat zijn reisgenoot in precies dezelfde, inventieve bewoordingen en met onverminderd plezier en enthousiasme dezelfde verhalen vertelde aan de man van The New Yorker. ‘En ik die dacht dat hij het allemaal te mijner glorie had bedacht.’ Nee, buitengewoon exclusief zijn de vriendschap en hartelijkheid van Redmond O’Hanlon niet; maar daarom misschien niet minder gemeend.

‘Mijn uitgever, Emile Brugman, wist natuurlijk donders goed dat er van mij geen nieuw boek te verwachten was’, zegt hij, na een paar slokken wijn om de stembanden los te maken. ‘Dus stuurde hij die arme Rudi op me af. Ik heb het boek niet geschreven en heb ook maar een vaag benul van wat erin staat. Het is de afgelopen dagen al een paar keer gebeurd dat mensen ergens over beginnen en ik mij afvraag: hoe weet jij dat nou weer? Nou ja, uit Rudi’s boek dus. Het was aanvankelijk het plan dat we tien dagen in de pub zouden gaan zitten en ik zou vertellen, maar het leek me leuker om allerlei plekken uit mijn verleden te gaan bezoeken. Natuurlijk was ik naar sommige plaatsen nooit meer teruggeweest en soms was het weerzien behoorlijk confronterend, zelfs pijnlijk. Dan was ik ineens weer die jongen van zeven die van huis was weggestuurd naar kostschool. Op Marlborough waren lijfstraffen van sadistische, homoseksuele leraren geen uitzondering. Ik had er een afschuwelijke tijd.’

O’Hanlons bespiegelingen over Marlborough College vormen slechts één van de somberder fragmenten in God, Darwin en natuur. Wie de schrijver kent uit zijn dikwijls hilarische, met jongensachtige bravoure geschreven oudere reisboeken, ontmoet in Rotthiers boek een heel andere Redmond O’Hanlon. Een dikwijls sombere man, gekweld door vreselijke herinneringen aan zijn inmiddels overleden ouders, die zijn dagen in bed doorbrengt, in het gezelschap van zijn kat Bertie. Die door zijn kinderen niet capabel wordt geacht voor zijn vrouw te zorgen, wanneer deze na een operatie terugkeert uit het ziekenhuis. Een man die zich in het Engelse verkeer zelfs door oudere dametjes geïntimideerd voelt, voortdurend cafeïnepillen en antidepressiva slikt, en zijn Belgische reisgenoot verbijstert met zijn alcoholgebruik.

‘Ik ben opgegroeid op een van de mooiste plekken van Engeland, in Dorset, vlakbij de kust’, vertelt O’Hanlon. ‘Dicht in de buurt ligt Avebury, een steencirkel die veel minder beroemd is dan Stonehenge, maar een stuk ouder. Ik ging daar regelmatig naartoe met mijn vader, die duidelijk onder de indruk was van de religieuze atmosfeer – hoe primitief in zijn ogen ook – die er hing. Volgens mij genoot hij vooral van de macht van het priesterdom, die uit die bouwwerken sprak.’

Dat O’Hanlons vader priester was – achtereenvolgens vicar, canon en rector – heeft hij al eerder verteld. Maar pas in God, Darwin en natuur wordt duidelijk hoezeer de strenge religieuze opvattingen van de man O’Hanlons jeugd en verdere leven hebben bepaald. Natuurlijk speelde de voorliefde voor Darwin van de jonge Redmond daarin een cruciale rol. ‘Als schooljongen las ik met een zaklantaarn onder de dekens de Penguin Classic-editie van On the Origin of Species. Het boek was een openbaring voor me, die me in één klap van God verloste.’

Toen O’Hanlon achttien of negentien was en op kamers in Oxford woonde, kwam zijn vader op een dag onaangekondigd langs en nam hem uitgebreid mee uit lunchen. Een unicum! Bij terugkomst bleek dat zijn moeder in de tussentijd al zijn boeken had weggehaald en in de tuin verbrand. ‘Dat is dus blijkbaar wat christenen doen, dacht ik toen. Boeken verbranden. Alleen de verzamelde gedichten van Wordsworth waren gespaard gebleven. Die kon door de beugel. Sindsdien kan ik geen Wordsworth meer zien.’ Een vreugdeloze grijns.

‘De afgelopen jaren had ik twee steeds terugkerende dromen’, gaat hij verder. ‘In de eerste ben ik op weg naar een stad. Dan kom ik bij een enorm gebouw met trappen en marmeren zuilen. Op de gevel staat in gouden letters: Annabelinda. Annabelinda is het mode-atelier in Oxford dat mijn vrouw en haar zakenpartner Anita in 1971 hebben opgericht en nog steeds hebben. Slechts met de grootste moeite weet ik de trappen op te strompelen en als ik bij de deur kom, staat daar een portier. Ik zeg: ‘Ik kom voor mijn vrouw, Belinda.’ Waarop de portier zegt: ‘Wij weten heel goed wie u bent, maar u bent niet welkom.’ ‘

En de droom gaat nog verder. ‘Ik strompel weer de trappen af. Dan zie ik verderop een antiquariaat, met boeken in heel erg hoge kasten. Op die kasten hangt een bordje: alle eerste edities van Darwin, 15 pence. Maar ik heb geen geld bij me!’

Het probleem, legt O’Hanlon uit, was niet alleen dat die telkens terugkerende droom hem van streek maakte, maar ook dat hij, wanneer hij ontwaakte, Belinda op de inhoud van de droom aansprak. ‘Dan riep ik woedend: waarom liet je me niet binnen?!’ Zo waren er nog twee dromen, eveneens aanleiding tot heftige woedeaanvallen. Op een dag zei zijn vrouw: ‘Redmond, je gaat in therapie of je verliest je gezin.’

Sinds drie jaar is hij in therapie bij Olga, een oorspronkelijk uit Griekenland afkomstige psychiater. Hij is dol op haar. ‘Ze heeft nog nooit een patiënt langer dan één jaar gehad, dus ik ben wel heel bijzonder. Het is een schat. Ik zei eens tegen haar: met alle verhalen die jij te horen krijgt, moet je een fraaie Griekse tragedie kunnen schrijven. Waarop zei antwoordde: het is juist mijn taak Griekse tragedies te voorkomen. Ik heb beslist baat bij mijn gesprekken met Olga, al ben ik er ook van overtuigd dat dat gewroet in mijn ziel niet goed is voor mijn creativiteit, voor het schrijven. Maar ik heb geen keuze. Volgens Olga ben ik in mijn eerste droom eigenlijk terug in mijn kindertijd. Daarom kom ik de trappen zo moeilijk op en zijn die boekenkasten zo hoog. ‘Je verwart de moeder met je echtgenote’, zei ze. Dat was een openbaring voor me. Sindsdien heb ik die droom niet meer gehad.’

O’Hanlons afkeer jegens zijn moeder is een van de rode draden in God, Darwin en natuur. Toen hij klein was vertelde ze hem dat hij eigenlijk niet haar zoon was, maar was achtergelaten door de zigeuners die hem binnenkort weer zouden komen halen. Regelmatig sloeg ze hem zo hard dat hij bijna flauwviel. ‘Een paar jaar geleden, toen mijn moeder nog leefde, vroeg een psychiater mij hoe ik zou reageren als zij zou overlijden. Ik antwoordde: ‘Ik zou met een Magnum kaliber 0.45 bij het graf gaan staan en er twee magazijnen op leegschieten, om zeker te weten dat ze dood was.’ Dat vond die psychiater maar een vreemd antwoord. Ik bedoelde het als een grapje. Maar natuurlijk, als je zo over je moeder denkt, is er iets aan de hand.’

O‘Hanlon kijkt wat wezenloos voor zich uit. Zijn oogleden zijn zwaar. ‘Kunnen we even naar een apotheek gaan om Migraleave-pillen te halen? Ik kan je niet meer zien van de migraine. Het was gisteren ook veel te gezellig. Te veel opwinding en te veel rode wijn.’

We onderbreken het interview. De receptie van het Ambassade Hotel, waar O’Hanlon en zijn vrouw verblijven, wijst ons de dichtstbijzijnde drogist. Terwijl we over de Herengracht richting de Leidsestraat wandelen, vertelt de schrijver hoezeer zijn Congoboek hem heeft uitgeput. ‘Zeven jaar schrijven, na een reis van zes maanden, het was vreselijk. Omdat ik ’s nachts schrijf, betekende het dat ik vrijwel geen gezinsleven had. Ik herinner me dat ik Belinda en de kinderen met de kerst naar haar ouders bracht en vervolgens terugging om te werken. ‘Geweldig!’, dacht ik toen ik terugreed. ‘Er is geen mens op de A25!’ Nooit gedacht dat er misschien iets mis met mij was, wanneer ik als enige blijkbaar geen Kerstmis hoefde te vieren. Ik probeer dat verloren gezinsleven nu zo goed mogelijk in te halen. De kinderen zijn weliswaar inmiddels het huis uit – Puffin studeert culturele antropologie in Cambridge en Galen Engels in Londen – maar het is nog niet echt te laat.’

De drogist in de Leidsestraat heeft O’Hanlons merk niet op voorraad, maar adviseert Advil 400. ‘Die zijn heel sterk, geschikt bij heel sterke hoofdpijn, maximaal drie per dag.’ Voor alle zekerheid geeft de verkoopster er ook een gel bij, die op het voorhoofd dient te worden gesmeerd. ‘Dat moet iets typisch continentaals zijn’, zegt O’Hanlon, sceptisch het hoofd schuddend.

Nadat hij, terug in het hotel, twee Advils heeft weggeslikt met witte wijn, verdwijnt langzaam de gepijnigde frons van zijn gelaat. Hij begint te vertellen over zijn manische depressiviteit. ‘Het is erfelijk. Mijn grootvader zat de laatste dertien jaar van zijn leven in een inrichting. Mijn vader heeft tegen zijn depressies elektroshocktherapie gehad, wat tot op zekere hoogte effect heeft gehad. Ook mijn dochter Puffin lijdt aan depressiviteit. Op jonge leeftijd manifesteerde zich dat bij haar in anorexia, later gewoon in dof, lamlendig onbehagen.’

Ineens komt O’Hanlon op het idee dat we moeten gaan lunchen. Maar had hij geen lunchafspraak met Belinda en Rudi Rotthier? En daarna opnieuw een interview? O’Hanlon is onverstoorbaar. Hij wil de onderbreking wegens migraine goedmaken en weet in de buurt een ouderwets Hollands restaurant. Om de hoek van het hotel wandelen we langs een reisboekwinkel. ‘Hier ben ik met Boudewijn Büch geweest!’, roept hij enthousiast. Wanneer in de etalage ook twee van zijn boeken blijken te staan, moeten we naar binnen. ‘Ik ga ze kopen, om weg te geven. Kijk, daar achterin staan de bijzondere boeken. Eerste drukken en zo. Daar hing Boudie altijd rond.’

Het ouderwetse Hollandse restaurant blijkt niet meer te bestaan. Speurend naar een alternatief loopt O’Hanlon Jaco Groot tegen het lijf, de Nederlandse uitgever van zijn goede vriend Ian McEwan. Snel even bijpraten. Maar nu dan toch dat restaurant. We vinden iets in de Spuistraat. Op tijd terug zijn in het hotel voor zijn volgende interview, is inmiddels een onmogelijkheid geworden.

We bellen met de uitgever. Geen probleem, iedereen komt naar het restaurant! O’Hanlon vertelt verder. Nee, het advies dat McEwan hem ooit gaf om niet langer in de wildernis maar in zijn hoofd te gaan reizen, en daarover te schrijven, heeft hij niet ter harte genomen. ‘Het schrijven van een roman is zo verontrustend. Je moet graven in je onderbewuste, want daar komen romans vandaan. Dat durf en kan ik gewoon niet. Weet je, de waarheid is gewoon dat ik klaar ben met schrijven. Ik heb gedaan wat me te doen stond. Na Congo zou ik eigenlijk nog naar Nieuw-Guinea gaan. Dat heb ik mede door Puffins ziekte steeds uitgesteld, misschien heb ik die ziekte zelfs wel als excuus gebruikt om niet te gaan. Nu ben ik 61 en te oud voor een grote expeditie. Ik ben klaar. Eigenlijk een afschuwelijke gedachte, maar ik heb er vrede mee.’

Even later zitten we met een uitvoerig gezelschap en verse witte wijn aan een grote tafel. Belinda is aangeschoven, en Rotthier. De pr-medewerkster van de uitgeverij, en de VPRO-journaliste die haar interview bijna zag weggekaapt. Niemand is verbaasd, laat staan geïrriteerd. Op Redmond O’Hanlon is het moeilijk kwaad worden. En O’Hanlon zelf? Die gaat onverdroten door met vertellen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.