Reis door mijn kamerToine Heijmans

Al dobberend schrijft Toine Heijmans

Toine Heijmans is een Nederlandse schrijver, journalist en columnist. Toine op zijn boot op IJburg die hij ook gebruikt als schrijfkamer.Beeld Ivo van der Bent

Voor Toine Heijmans is er geen betere plek om te schrijven dan zijn dobberende hut. Hoewel hij het gevoel heeft dat zijn inspiratie nu even op een zandbank is gelopen.

Ben gestrand in hoofdstuk 11. Klim mijn kantoor uit en staar naar het eiland, waar ook niks gebeurt, behalve het gebruikelijke: brekende golfjes op de keien, een vlag stijf in de wind, verder weg de zandschepen. Nergens zicht op een woord, een zin of een alinea, jammer, alweer komt het niet aanwaaien.

Schrijven is vluchten, wat mij betreft, maar je moet er wel verdomd lang voor stilzitten. Het is dus van belang dat de plek waar ik schrijf beweegt, of in elk geval beweging belooft, anders plak ik vast aan mijn eigen gedachten.

Hotelkamers zijn oké, langeafstandstreinen en luchthavens ook, maar die zijn ongeschikt voor een boek van de lange adem – en sowieso nu gesloten vanwege de omstandigheden. En thuis... Laat ik er niets over zeggen, behalve dat ze daar in tijden van quarantaine luidruchtig en betrokken bezig zijn met hun vitale werkzaamheden, zelfs de hond, hulde daarvoor.

En waar is papa? Die is op de boot.

Die staat aan dek naar de lucht te kijken of er nog iets bruikbaars uit valt, en naar de ankerlijn die schuin in het water steekt.

Gaandeweg ben ik kantoor gaan houden in mijn zeilboot. Daar is alles voorhanden: een houten uitklaptafel, een langsbank, een gasstel, een koffiemachine en een pomptoilet. Een kacheltje van de bouwmarkt.

Gewoon gaan zitten. De boot beweegt wel, zelfs op de stilste dagen en op het vlakste water.

Het is begonnen met het eerste boek, dat zich volledig afspeelt op zee, en dat ik deels schreef onderweg van Delfzijl naar Gotenburg. Het tweede boek begint op een boot. Dat is allemaal logisch. Maar het derde boek heeft de bergen als toneel, dus ik besloot inspiratie te zoeken in de Italiaanse Alpen, huurde er een solitair schrijvershutje in een gehucht van zes huizen, de buurman alpinist, gelegen in de laatste provincie van het land die van ‘groen’ in ‘rood’ veranderde op de wereldviruskaart.

Nadat Italië achter de horizon verdween, dacht ik nog koers te zetten naar Chamonix, dat ijlings ook de poorten sloot. Terschelling dan (duinen zijn in zekere zin ook bergen), maar daar wilden ze geen vastelanders meer, ‘liever nu niet komen’, berichtte een bekende vanonder de Brandaris, ‘dankjewel’.

Nou, duidelijk. De crisis dwingt me naar de beste plek om hoofdstuk 11 te lijf te gaan, ook al bevindt dat hoofdstuk zich inmiddels in de Himalaya.

Melville schreef Moby Dick in zijn boerderij Arrowhead, in de Berkshires – de leesbril ligt daar nog tentoongesteld. Zijn werkkamer ziet uit over de bossen, maar de grijze heuvel vooruit heeft de lijnen van een walvis. De planken vloer kraakt als een stuurhut, ja, die kamer gaat heen en weer: beweging.

Ook daar gewoon een tafel en een stoel, trouwens, en een ganzeveer.

Met bootjes ben ik klein begonnen en nu ligt er iets ten anker wat je voor mijn part een jacht mag noemen, maar geen superjacht. Het is oud, zeewaardig en koningsblauw, met onder de mast een dekhuis zodat er dag- en maanlicht binnenvalt in mijn kantoor. Ik doe daar nu wat geringschattend over, maar in wezen ben ik de trotse eigenaar, en betreft het wel degelijk een superjacht.

Meestal is het afgemeerd achter de kleine zeesluis in de haven, op vijf minuten lopen van mijn huis, aan de uiterste rand van de stad. Het kost me tien minuten om de Perkins-diesel te starten (dat heerlijke geluid), de landvasten los te maken en brommend te verdwijnen naar de overkant van de nacht.

200 liter drinkwater en 200 liter diesel in de tanks – alles afgevuld, je weet maar nooit. En onder dat luik, daar ligt leeftocht voor drie maanden. Genoeg boeken ook, inderdaad, en niet alleen de Bijbel voor bootonderhoud door P. Manley. Toch is het onverstandig om te lezen als je een boek schrijft, want al die andere boeken zijn zoveel beter, het is om neerslachtig van te worden.

Hoofdstuk 11: helaas helemaal opnieuw.

De laptop staat op tafel en krijgt stroom uit een zonnepaneel. Als ik rondkijk vanuit mijn vaste schrijfpositie vallen direct de veelal felgekleurde attributen op die nodig zijn voor een wereldomzeiling: een Navtex, een Epirb, een gps, een VHF, een plotter, een AIS, een grabbag, een PLB, een lifeline, een reddingsvlot en een helgeel zeilpak type ‘Ocean’.

Maar verder dan het eiland Pampus kom ik meestal niet, want er moet geschreven worden, en de tijd verdwijnt.

Hé schipper, de zinnen vallen niet zomaar uit het Hollands licht aan dek, snel terug naar je kantoor om hard te writen – dat woord jat ik maar even van Peter Buwalda, de bekende quarantainetijger. Het is een mooi woord, want het kraakt aan alle kanten.

Inspiratie is leuk, maar het gaat om concentratie.

Bericht in de schippersapp: de burgemeester sluit de haven hermetisch af vanwege het virus, het zeesluisje gaat op slot. Een onbegrijpelijke en disproportionele maatregel, want juist op het water is er sociale ruimte. Maar het moet van de Veiligheidsregio Amsterdam, een organisatie waarvan ik vermoed dat ze niet bestaat. Kijk maar op haar site, er is daar niets wat op leven duidt en niemand om wat aan te vragen, zelfs het besluit om de sluis te sluiten zul je daar niet vinden. En protesteer er eens tegen; in het gevecht tegen corona is het misfortuin van een schrijvertje in zijn kantoorbootje wel het minste om je druk over te maken.

Ze zien je aankomen, met je klachtje.

Dus wegwezen, de haven uit nu het nog kan, de sluis door naar groter water.

In quarantaine gaan is niet erg als je een boek schrijft, erg is het idee dat je geen kant meer op kunt. Dat je voor eeuwig bent vastgelopen in hoofdstuk 11.

Buiten staan stekelige golven onder een krachtige oostnoordooster, ze slaan treiterend over het dek. Onder Pampus laat ik het anker vallen in 3 meter water – het is de plek waar de kuifeenden schuilen, in de schaduw van de wind. Daar moet ik zijn, daar is het kalm, maar de golven grijpen om het eiland heen en de boot botst en giert de nacht in. En ik schrijf. Het anker houdt en er is niemand te bekennen behalve een Urker visser die ver weg z’n ronde langs de fuiken tuft.

De marifoon staat bij en pruttelt weerberichten, ik vul een thermosfles met thee, ik hoor de eerste ganzenkuikens van het seizoen met hun snavels tegen de romp tikken, nu al arrogant.

Ik zal de Q-vlag hijsen, die gele, de quarantainevlag, als het moet tot hoofdstuk 12.

Wie is Toine Heijmans

Toine Heijmans (1969) is verslaggever en columnist bij de Volkskrant. In 2011 debuteerde hij als romanschrijver met Op Zee, waarvoor hij als eerste Nederlandse schrijver de prestigieuze Franse literatuurprijs Prix Médicis Etranger kreeg. Zijn tweede roman, Pristina, verscheen in 2014, en roman 3 is onderweg. 

Binnenkort in deze reeks

Als iemand weet hoe het is om de hele dag thuis te zitten, zijn het schrijvers. In deze serie nemen ze ons mee op hun (geestelijke) omzwervingen door de werkkamer, zoals Xavier de Maistre dat deed in 1794 in het boek Reis door mijn kamer. Nicolien Mizee, Lieke Marsman, Paul Scheffer, Arnon Grunberg, Katinka Polderman, Bert Wagendorp, Maarten ’t Hart, Michel van Egmond, Saskia Noort, Dimitri Verhulst en Maxim Februari gingen Toine Heijmans voor. De komende zaterdagen volgen Connie Palmen en A.F.Th. van der Heijden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden