Interview

'Al die mannen in mijn boeken zijn van die lulhannesen, hè?'

Vanaf zijn tiende verbleef Jeroen Brouwers zeven jaar op kostschool, waar hij een syndroom aan overhield én een weerkerend thema in vijftig jaar schrijven. Voor zijn nieuwe roman Het hout keerde hij opnieuw terug naar die tijd, om zich eindelijk naar een ontsnapping toe te schrijven.

Beeld Linelle Deunk

'Een ouwe boom moet je niet nog eens gaan verpoten. Die verpietert meteen, en dan gaat-ie dood. Weet iedereen.' Met een mengeling van strijdlust en gelatenheid reageert Jeroen Brouwers (74) op de recente uitspraak van het Antwerpse Hof van Beroep dat hij zijn woning 'Noli me tangere' ('Raak mij niet aan', Johannes 20:17) in de bossen van Zutendaal, in de Belgische provincie Limburg, binnen een jaar moet afbreken.


Schei uit, er is al jaren gelazer over dat huis. Jaha, de schrijver wéét het; de vorige eigenaar die 'het ding neerzette en kort daarna dood neerviel' had er geen bouwvergunning voor. Maar allejezus, Brouwers zit er inmiddels 21 jaar, hij loopt slecht, heeft twee herseninfarcten gehad en moest helemaal opnieuw leren schrijven, 'met kleuterlettertjes'. Niettemin heeft hij in de herfst van zijn leven een stroom publicaties het licht doen zien die getuigt van niet aflatende inspiratie en stilistische vitaliteit.


Zijn beroemdste roman Geheime kamers is hier gemaakt, Datumloze dagen, Bittere bloemen. De beschouwingen in De schemer daalt, Restletsels en Sisyphus' bakens, over de schermutselingen rond de Prijs der Nederlandse Letteren (een keutelige 16 duizend euro groot), die hij in 2007 weigerde. In het vlammende vloekschrift was een hilarische hoofdrol weggelegd voor onze toenmalige cultuurminister Ronald Plasterk, alias 'de zingende cowboyhoed'.

Monumentaal archief

'Laat Deze Vent Toch Met Rust', roept Brouwers in kapitalen. We zien elkaar op een zonnige zondagmiddag, voor de derde keer in tien jaar dus het is je en jij en geen u meer. Zijn boswoning is volgestouwd met boeken én met een hoogstpersoonlijk bijeengeknipt monumentaal archief. 'Begonnen in 1961, met knipsels over de zelfmoord van Hemingway. Allengs is dat uitgegroeid tot die drie muren met mappen. Als Brouwers weldra sterft, houdt het archief op.'


Alles kan hij hier blindelings vinden. Twee Hollandse kranten worden hier dagelijks bezorgd. Literair nieuws volgt hij op de sites van Tzum en De Contrabas. 'Nooit komt hier iemand langs, maar ik weet alles.'


Hop daar tikt hij weer een Caballero zonder filter uit het pakje, en hup daar gaat de brand erin. In zijn luchtpijp piept en fluit er van alles, gevolg van een keelaandoening uit zijn jeugd. Daarom heeft hij een luchtpijpprothese. Geheel los daarvan staat dat deze oude schoorsteen moet trekken. Gewoonte die je er niet meer uit krijgt. Net als koffie. Moet hij ook elke dag hebben.


Zijn vrouw Gwennie Debergh (1975) offreert de koffie, vergezeld van een reuzenstuk vlaai. Brouwers, bijna verontschuldigend: 'We wonen niet samen, maar Gwennie komt vaak uit haar woning in Zutendaal hierheen. Sinds ik niet meer auto kan rijden, doet zij ook de boodschappen. Zij pleegt mantelzorg over mij. En ze neemt me veel uit handen, zoals dat gezeik over dit huis. Ik ga in cassatie, wat dacht je? Laten we erover ophouden. Trouwens, ik dacht dat je over mijn nieuwe boek kwam praten. Zeg wat heb je daar meegenomen?'


Hij bevoelt de ingepakte literfles. 'Geen wijn', spreekt de kenner, en er breekt een tevreden lach door. 'Dit is jenever.'

CV Jeroen Brouwers

1940 geboren op 30 april in Batavia (Jakarta)
1943 met moeder, zus en grootmoeder in vrouwen-Jappenkamp Tjideng (Batavia)
1950-57 ondergebracht op drie Nederlandse jongenspensionaten
1964 debuut Het mes op de keel (verhalen)
1967 romandebuut Joris Ockeloen en het wachten
1977 roman Zonsopgangen boven zee
1979 pamflet De Nieuwe Revisor
1981 roman Bezonken rood
1983 essaybundel De laatste deur (over zelfmoord in de letteren)
1988 roman De zondvloed
1993 Constantijn Huygens Prijs voor het gehele oeuvre
1994 essays Vlaamse leeuwen (Gouden Uil)
2000 roman Geheime kamers (Gouden Uil, Multatuliprijs én AKO prijs)
2007 roman Datumloze dagen; weigert Prijs der Nederlandse Letteren
2009 vloekschrift Sisyphus' bakens
2010 Hamerstukken (alle polemieken en korzeligheden)
2011 roman Bittere Bloemen
2012 polemieken en beschouwingen Restletsels
2014 roman Het hout

Homoseksueel

In zijn nieuwe roman Het hout, die speelt in 1953, bemerkt de franciscaner broeder Bonaventura (26) dat er rare dingen gebeuren op het Limburgse jongenspensionaat waar hij een eigen celletje heeft. Hij vermoedt van alles, maar durft er niets van te zeggen, bang vooral voor de toorn van de man met het hout, broeder-overste Mansuetus. Hij wil eruit, de wereld in, maar weet niet hoe.


Daarmee lijkt Brouwers terug te keren naar het boek waarmee hij als 24-jarige een halve eeuw geleden debuteerde, Het mes op de keel (1964). Want wat staat er op de eerste pagina's van het openingsverhaal Orpheus: een jongen die vanaf zijn tiende op kostschool bij de franciscanen zit, 'op de hemelhoge muren blikkerden de flessescherven'. Hij vlucht, maar de volgende ochtend wordt hij weer afgeleverd bij de broeder-overste, een dikke homoseksueel en sadist, die hem met de stok geeft.


'En die vent in dat oerverhaal heet Emanuetus. Jaja ik weet het', zegt de schrijver enigszins ongeduldig. 'Je vindt die kostschoolscènes door het hele oeuvre heen terug: in Zonsopgangen boven zee, Bezonken rood, in De zondvloed gaat het hoofdstuk 'De verdwijning' over mijn ontsnapping. Zelfs in Datumloze dagen heb ik het nog over die kostschool. Het blijkt een thema te zijn geworden.'

Beeld Linelle Deunk

Van je tiende tot je zeventiende heb je op kostscholen gezeten. Twee ervan heb je veel later weer opgezocht.

'In de jaren negentig eerst het internaat Sint Jozef in Zeist. In de tuin vond ik een kleine begraafplaats. Daar lagen de fraters die een halve eeuw terug mijn opvoeders zijn geweest. Frater Plechelmus, frater Hildebrand. Schrijf ik over in Satans potlood. Als van arduinen bladzijden las ik hun namen, en zag ze weer voor me.'

De meest spartaanse kostschool was Sint Maria ter Engelen in het Zuid-Limburgse Bleijerheide, hier niet zo ver vandaan.

'Dat was de ergste. Toen ik Het hout schreef, was ik daar weer helemaal terug. Niet dat ik het heb opgezocht, het kwam vanzelf. Ik had dat onderwerp, omdat het jeugdmisbruik in de katholieke kerk de laatste jaren ineens overal opdook, van Europa tot in Amerika aan toe.


'Begrijp me goed, ik ben niet misbruikt of zo, niet in seksuele zin. Maar ik ben wel op de hoogte van het onderwerp. Dat is een verhaal, dacht ik, maar dat bleek een roman te worden die mooi in elkaar kon worden gepuzzeld. Ik wilde het hebben over een vent, een broeder, in dat instituut. Iemand die van binnenuit commentaar kan leveren. Zo kwam ik op die kerel, Bonaventura. En dan ga je verzinnen: waar komt die vandaan, en waarom wil hij weg?

Hoe komt een kloosterling in 1953 een klooster uit? Dat was nog niet gewoon in die tijd, die uittredingen kwamen pas op gang rond 1970.

'Nou hoe dan? En ineens wist ik het: kiespijn. Doordat hij kiespijn heeft, moet hij een paar keer in het nabijgelegen dorp naar de tandarts. En daar leert hij in de wachtkamer een vrouw kennen, Patricia. Die begrijpt niet waarom hij in die drolkleurige pij in dat enge klooster zou blijven zitten zweten.


'Die doortastende stem heeft Bonaventura nodig. En dan trekt hij in het laatste hoofdstuk zijn kleren uit, hetgeen zelfs nog in navolging is van de heilige Franciscus. Enfin, je hebt het boek gelezen neem ik aan.'

Wil je zeggen: het is aan types als Bonaventura te wijten dat het misbruik en die viezigheden tussen een vijftal van die 32 broeders en die weerloze jongens in de puberleeftijd kon blijven voortbestaan, zonder dat er toen iemand is aangeklaagd?

'Dat denk ik. Hij is medeplichtig, door het te weten, maar kan er geen kant mee op. Daar gaat die roman over. Over het zwijgen. Bonaventura kan niks anders dan zijn mond houden.


'Als gezegd: ze hebben nooit aan mij gezeten. Maar je voelde dat er iets wás, als een jongen plotseling schuwer deed of een tijdje in de ziekenboeg lag. En die Mansuetus niet te vergeten, die hoefde maar te verschijnen en iedereen verbleekte van schrik. Die angst! En dat hout waar die vent mee sloeg, dat is niet verzonnen. Noch het fluitje van de broeder-prefect: fuut fuut fuut. Allemaal authentiek.'

Je bent in 2003 met fotograaf Klaas Koppe teruggegaan naar het voormalige jongenspensionaat bij Kerkrade.

'Ook voor het eerst in vijftig jaar. Die muren waar ik het over had, zijn intussen weg. Het is nu een conferentieoord of zoiets. Je komt dus vanaf de straat meteen die speelplaats op. Maar die speelplaats is dezelfde, en het zijn dezelfde kastanjebomen die daar nog staan. Die hele atmosfeer hing daar nog en die viel als zware brokken in mijn nek. Iedere vloertegel herkende ik.'


Over dat bezoek aan Bleijerheide schreef Brouwers in Heimwee, opgenomen in De schemer daalt (2005): 'Dáár, ik wees de fotograaf de precieze plek aan, ontstond het karakter van de rusteloze polemist, kankeraar en don quichot die ik later zou worden, altijd angstig, alleen, asociaal en tot zijn tanden gewapend op zoek naar schoonheid.'


Hij knikt bij het horen van het citaat. 'Stel je voor: van je tiende tot je zeventiende op kostschool. Die tijd in Bleijerheide heeft de diepste kerven nagelaten. Waarom mijn ouders me daar op deden? Weet ik niet. Ik schijn een onhandelbaar jongetje te zijn geweest, wat ik naar mijn eigen gevoel helemaal niet wás. Had goede cijfers op de lagere school, was echt een intelligent knaapje.


'Met mijn moeder had ik in mijn eerste levensjaren een band opgebouwd, doordat we samen in het jappenkamp Tjideng hebben gezeten. 'Wij laten elkaar niet in de steek hè mama?' 'Natuurlijk niet.' En je bent godverdomme nog niet in Nederland of je wordt op zo'n pensionaat geplant, dat toch aanleunt tegen de sfeer van een strafkamp. Waarom, dat hebben ze mij nooit uitgelegd.'

Beeld Linelle Deunk

En je hebt er later niet meer naar gevraagd.

'Toen was ik 17 en ging het huis al bijna uit, en toen snel in militaire dienst. Ik heb mijn ouders eigenlijk niet gekend. Mijn vader stierf spoedig daarna, en mijn moeder zweeg. Mijn ouders zijn een eiland waar ik ben geboren maar ook weer snel van ben verbannen.


'Ik heb niet zozeer een jappenkampsyndroom, ik heb een kostschoolsyndroom. Heb er ook niet één vriend aan overgehouden.


'Geschreven heb ik daar wel. Een blijmoedige kroniek van het pensionaat, in de jaren 1954-'55, met luchtige kleurtjes geïllustreerd en een tekst in katholiek jargon; allemaal gelul natuurlijk. Dat katholicisme hangt nog altijd in mij, als een metalen anker in een gebouw, dat raak je niet kwijt. Die vorming is definitief. Ik ben een renegaat, zoals je al had gemerkt, maar ik wil het nog altijd weten. Op zondagochtend is er een heilige mis op de televisie, en dan blijf ik toch altijd even hangen. En er hoeft maar een paus dood te gaan of ik ben niet van het scherm weg te branden.


'De gedragen taal uit mijn boeken, dat moet daar vandaan komen. De pracht, de wierook en het orgel, dát zou je een verrijking kunnen noemen. Het heeft mij smaak gegeven. Nou begin ik weer op een ouwe tofelemoon te lijken, dat ben ik niet hoor!


'Elke zondagochtend moesten de pensionaatsjongens verplicht twee kantjes schrijven, een brief naar huis. Lieve Ouders, dat was de aanhef. Eveneens verplicht. Ook al vond je, zoals ik, je ouders helemaal niet lief. Ze hebben me nooit teruggeschreven. In jouw brieven stáát nooit iets, zeiden mijn ouders. Ja, wat wil je? Er was daar niet eens iets te lezen.


'Meestal begon ik mijn brieven met de verheugende vaststelling: 'Opnieuw is er een week voorbij.' Ik beschreef geen voorvallen, ik schreef autobiografische waarnemingen. Vooral aan mezelf.'

Hoe zag zo'n dag eruit?

'Zes uur op, wassen, aankleden, naar de kapel, heilige mis, ontbijt, en dan de klas in. Tussendoor speelkwartier, met altijd en eeuwig voetbal. Achter een bal aan hollen. Nou en dan 's avonds studeren, en dan slapen, in een uitgestrekte bomvolle slaapzaal bed, kastje, bed, kastje van hier tot de horizon. Nooit afwijken van de dagorde. Discipline en regelmaat. Als in een gevangenis. Saai en avontuurloos, Arjan, ik kan er niet meer van maken.


'God, kreeg ik maar blindedarmontsteking, heb ik vaak gedacht, dan mag ik naar het ziekenhuis en ben ik hier in ieder geval weg. God zond mij kiespijn, denkt Bonaventura opgetogen, als hij naar de tandarts mag.


'Op dat pensionaat heb ik de techniek van het schrijven in de vingers gekregen. Met mij gaat het goed en ik hoop van u hetzelfde. Schreef ik 's zondagochtends aan die ouders van mij. Terwijl ik dacht: ik voel mij ellendig en wat mij betreft mogen jullie alle twee vandaag nog de moord steken.


'Soms schreef ik ook de brief voor een vriendje. (lachend) En die kreeg dan wél antwoord van zijn moeder.'


Voor mijn opstellen kreeg ik altijd een negen, zou Brouwers in Het vliegenboek (1991) schrijven, 'en dat was het maximum: tienen zijn alleen voor god, doceerden de godgewijde ploerten in hun pijen op vrome toon'.

Brouwers en Komrij
Het leek zo'n goed idee, een briefwisseling tussen Jeroen Brouwers (1940) en Gerrit Komrij (1944-2012), twee van de grootste polemische auteurs uit de naoorlogse letterkunde. Maar hun correspondentie, die zou moeten leiden tot een deel in de reeks Privédomein, bleef steken bij negentien brieven. Brouwers stortte zich er enthousiast op, maar Komrij was geen epistolair natuurtalent en stelde vast: 'Tegen zo'n begenadigd brievenschrijver kan ik niet op.' De Correspondentie 1980-1986 verscheen in 2006 in een bibliofiele editie. Deze week zag de handelseditie het licht (72 pagina's; euro 17,-), bij Demian in Antwerpen.

Heb je daar toen van die broeders als Bonaventura gezien?

'Natuurlijk. Die man is op een zeker ogenblik in dat klooster gezogen, een beetje naïef, en nu wil hij weg. Een lul. Al die mannen in mijn boeken zijn van die lulhannesen, hè? Dat moet ook al daar vandaan komen. Want zelf ben ik helemaal niet zo. Ik onderneem veel, en sla vaak met mijn vuist op tafel.'

Waarom heet hij voor de burgerlijke stand Haman?

'Zomaar. Telefoonboek. Eldert Haman. Bedoel ik niks mee. Behalve dat hij zijn achternaam in het bijbelboek Esther tegenkomt, dat kon ik niet laten liggen.'

Je hebt in verschillende boeken over ontsnappen en pogingen daartoe geschreven. Maar dit keer voor het eerst triomfantelijk.

'Eindelijk ben ik eruit, kun je zeggen. Ja, ik heb destijds veel gepiekerd over ontsnappen. Maar waar moet je heen, als 15-jarige? Ik droomde van Duitsland in lopen. Heb ik één keer gedaan: vluchten en maar lopen. In de buurt van Aken heeft een Duitse mevrouw mij op een bankje aangetroffen, de politie kwam erbij, en die heeft mij keurig naar het pensionaat teruggebracht, waar ik met klappen werd ontvangen.


'Op mijn 17de heb ik mijn ouders gesmeekt: haal me hier in godsnaam weg. Ze zwichtten. Ik mocht thuis komen. Daar heb ik toen, in 1957, meteen dat verhaal Orpheus geschreven en nog een paar van die dingen.


'Totaal wereldvreemd was ik, als een aap die voor het eerst uit zijn kooi is en niet eens weet waar hij zijn vreten moet halen. De enige vrouw die ik kende was mijn zus. Geen idee had ik. Liep door Delft en dacht: ik kan andere mensen zien, ik kan naar de film.


'En omdat ik wereldvreemd was, werd ik ook zo behandeld. Als een vreemde jongen, over wie een bepaalde eenzaamheid gegooid was. Pas in militaire dienst kwam ik een beetje tot leven. Zuipen bijvoorbeeld heb ik daar geleerd. En je begon om je heen te kijken. De eerste verkering. Toen pas begon de motor aan te slaan.'

Bonaventura is er later bij dan jij. Hij is al 26 als hij Patricia leert kennen.

'Je moet me versieren, zegt ze. Hij weet zich geen raad. Wat wil dat wijf? Zij wijdt hem in, ontbolstert hem. Ik denk dat het een aardig mens is, die kordate Patricia. Goddank is ze weduwe. Anders had ik er ook nog een driehoeksverhouding van moeten maken. Verstelnaaister is ze.'

En dan heeft ze ook nog een winkeltje, met schrijfgerei. In Bittere bloemen (2011) staat de aanbeden Pearlene ('Leentje') als 17-jarige in een winkeltje met esoterische rimram.

'Arjan, dat weet ik allemaal niet meer.'

Jij vindt vrouwen in winkeltjes aantrekkelijk?

'O God, ik zie de scriptie van een brave student al voor me: Het winkelmotief in het oeuvre van Brouwers. Verdomd nee, geen seconde aan gedacht.'

En in Het hout duikt even de assistent-boekhouder in het pensionaat op, genaamd Jaap Goedgeboerd.

'Wat is daarmee? Die man heet zo. Telefoonboek.'

Staat Jaap Goedgeboerd daar in?

'Weet ik dat.'

De naam deed me denken aan Jaap Goedegebuure.

'Je zegt het! De protestantse bijbelvlooier en eminente boekenbezeiker van Trouw! (grinnikend) Ben ik ooit warm bevriend mee geweest. Heb op zijn verzoek menig opruiend stuk geschreven toen hij in de redactie van Tirade zat. De omgang stopte ineens toen Jaap in Tilburg professor werd in de letterkunde, petje op, gewaadje aan. Ik belde hem op: 'Waarom hoor ik niks meer van je?' Toen zei hij dat hij door zijn functie niet meer met letterkundigen kon omgaan. Nobel van je, heb ik nog gezegd. Doei Jaap. Daarna heeft hij brieven en manuscripten van mij verkocht aan antiquaars. Hij boert goed. Dus assistent-boekhouder Jaap Goedgeboerd. Daar had ik nou eventjes lol in. Moet je opletten: als Jaap mijn roman in Trouw gaat bespreken, dan verzwijgt hij mijn Jaap.'


Anderhalf jaar lang schreef Brouwers aan Het hout. 'Heel gestaag een halve pagina per dag. Met de hand, met pen. Achter mekaar door. Zo is Het hout ontstaan. En het hele oeuvre dat eraan voorafgaat.


'Vroeger wilde ik componist worden. Maar ja, ik wilde absoluut niet naar een school terug. Tien jaar geleden heb ik er toch weer over gedacht. Componist, dát wil ik. Informatie ingewonnen hier in Maastricht. Maar toen begreep ik dat het lang duurt, echt jaren, voordat je als componist aan het grote werk toe bent.'

En Brouwers de componist, die maakt geen kamermuziek.

'O, ik wil best een triootje schrijven, maar je hebt gelijk, dan wil ik wel uitkomen bij de symfonie en de opera. En dat red ik niet meer.


'Al mijn elf eerdere romans worden de komende jaren separaat herdrukt. Als ik daar af en toe een bladzij in lees, zie ik wel een muzikale schrijver. Of het nu ruist of raast, de taal is ritmisch en klankrijk, tot in de polemieken. Ik maak me overigens geen illusies. Kijk hoe het in Nederland met dode schrijvers gaat. Bijna niemand blijft.


'Veel van mijn werk zal verdwijnen. Maar een páár van die boeken Bezonken rood, Geheime kamers, en ja, Het hout wat mij betreft ook zullen een tijdje blijven. Dat zijn de pieken in het gebergte. Terugblikkend voel ik een zekere voldoening. Daar heb ik dan wel eerst 74 voor moeten worden.'


Hij drukt zijn peuk, de achtste deze middag, uit in de asbak. Schalkse blik Jeroen Brouwers broedt op een uitsmijter. Die lanceert hij vervolgens met een hese bulder die de ruiten laat beven en een schokgolfje door het minivijvertje in de tuin doet gaan: 'En na mijn dood komen mijn blootfoto's in het Letterkundig Museum.'

Anne Provoost, Adriaan van Dis en Jeroen Brouwers in 1995. Beeld anp

Taxi naar 'de schrijver in het bos'

Tevoren mailde de schrijver de volgende instructies naar de interviewer die met het openbaar vervoer zou komen. 'In Maastricht is één taxichauffeur die mij blindelings weet te vinden. Andere gaan zwalken, moeten zoeken, verdwalen nogal eens. Onze chauffeur heeft dit telefoonnummer (...). 'De schrijver in het bos' volstaat voor hem. Rit hierheen plm 20 minuten. Als we zijn uitgepraat, bel je hem opnieuw en hopsa daar komt-ie weer voorgereden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden