Afri

Thuis bij dikke Osman en de Poezenvrouw

Jutta Chorus won in de Afrikaanderwijk in Rotterdam het vertrouwen van Turken, Marokkanen en Nederlandse achterblijvers. Afri heet haar aangrijpende journalistieke verslag.

Dikke Osman is snackbarhouder, maar niet lang. Door schulden en wanbeleid gaat zijn zaak op de fles, ondanks de hulp van zijn tantes die heerlijke kofta bereiden. Dus wijdt Osman zich aan zijn andere professies: die van bendeleider en drugsdealer.

Özhan is Osmans vriend. Ook hij zetelt hoog in de bende. Hij heeft vastgezeten voor diefstal, geweldpleging en drugshandel. 'Fuck de politie!' roept Özhan. 'Fuck Nederland!'

Majid, opbouwwerker bij Jongerencentrum Plein 3, zegt wel eens tegen hen: 'Drugs verkopen is niet normaal. Niet leuk.' Collega Appie: 'Het is hun huis. Zij zijn de baas. Zolang je doet wat ze willen, zijn ze leuk. Doe je dat niet, dan gooien ze je ruiten in.'

Nadia Barquinia, de goedgebekte bazin van Plein 3: 'Wij organiseren activiteiten voor jongeren uit de wijk die geen strafbare feiten plegen.' Maar ja. Elke dag komen de dealers en hun knechten bij Plein 3 pokeren, tafelvoetballen of naar maffiafilms kijken. Buiten helpen ze hun klanten. Langlopende meisjes worden geïntimideerd en Surinamers uitgescholden voor 'apen'. Nadia ergert zich aan de slappe jongerenwerkers die de jongens niet durven veranderen. Als ze aangifte wil doen van vernielingen, wordt ze bedreigd.

Plein 3, het hart van de Rotterdamse

Afrikaanderwijk, wordt geregeerd door Osman, Özhan en Gökhan. Het is de biotoop van zestig jongens, merendeels Turken. De meesten van hen hebben geen werk en geen diploma's.

Lianna Verheul werkt als wijkagent in 'Afri', zoals de jongeren hun territorium noemen. 'Het zijn geen denkers', zegt ze. 'Er is maar één streven: de grote, glanzende auto, zoals geslaagde jongens die hebben.' En: 'Ik doe nooit of ik beter ben dan zij. (...) Ze zijn heel snel beledigd.' Lianne krijgt 'respect' van de jongens, het hoogste goed.

En dan is er nog Jutta Chorus, redacteur van NRC Handelsblad. Ze loopt een paar jaar regelmatig rond in de Afrikaanderwijk, want ze wil er een boek schrijven over deze migrantenwijk. In het begin, als ze wordt ze vergezeld door de wijkagenten, bekijken de jongens haar wantrouwend, later wint ze hun vertrouwen. Osman vertelt graag zijn levensverhaal. Natuurlijk, 'want ik ga het maken in de wereld'. 'Osman wordt mijn hoofdpersoon', schrijft Chorus.

Maar dat is niet helemaal waar. Het wordt steeds drukker in Afri. Chorus leert de familie van Osman kennen, de familie Soyçiçek, een kring van machtige vrouwen, Osmans tantes en grootmoeder, die ook hoofdpersonen worden in dit boek. De familie huist in vijf bijeen liggende woningen, met de snackbar in het midden. De vrouwen beoordelen andere Turken streng, maar vormen één front tegen de buitenwereld. 'Er is niemand tegen wie ze Nederlands moeten spreken', constateert Chorus, 'behalve tegen mij. Er is niemand voor wie ze Nederlander hoeven zijn.' Later zal de schrijfster meereizen naar Arakli in Turkije, waar de familie, die in Nederland van de bijstand leeft, huizen bezit.

Chorus schildert eveneens een scherp portret van de Marokkaanse familie Ghelali. Ook Mehem Ghelali is een hoofdpersonage. Mehem heeft een Nederlandse vriendin en draagt hun baby in een draagzak. Hij heeft bouwkunde gestudeerd, werkt bij een projectontwikkelaar en heeft zelf een koophuis. Op zijn werk heet hij Ab. De werkloze hangjongens bewonderen deze Marokkaan, die op een motor rijdt en in een zilvergrijze Peugeot. Maar: 'Hij praat als een Nederlander.'

Helemaal gelukkig is Mehem niet. Zijn vader wil zijn Nederlandse vriendin Sandra niet ontmoeten; zijn moeder wijst hem op leuke, huwbare Marokkaanse meisjes en noemt haar zoon een 'bastaard'. Maar hij trouwt evenmin met Sandra. Mehem werd een Nederlander en betaalt daarvoor een prijs. 'Schaamte is mijn zesde zintuig', zegt hij.

Chorus sluit ook vriendschap met de witte koningin van de wijk

. Ze gaat met Marian van Rooijen, die zo dik is dat ze niet kan lopen, naar de chirurg die een ballon in haar maag zal plaatsen, waarna Marian zal afvallen. Marians gezin houdt dapper stand in een wijk met 84 procent allochtonen. 'Ík ben hier de allochtoon', zegt Marian. Ze helpt haar buitenlandse buren waar ze kan. Maar ze heeft haar eigen sores.

Schoondochter Anja is MS-patiënt. Zoon Danny heeft astma én is 'zwaar autistisch'. Op school werd hij gepest: 'Die zwarten moesten mij niet.'

En dan is er nog de Poezenvrouw, die met een gezin en 27 poezen woont in een van pis doordrenkt huis, waaruit een doordringende ammoniaklucht walmt. Ze worden uit huis gezet door de woningbouwvereniging, maar een meelevende Servische buurvrouw vangt hen op. En dan hebben we de Turkse die door haar man wordt mishandeld, maar geen aangifte durft te doen.

De hoofdpersonen buitelen in Afri over elkaar heen, de een nog zieliger dan de ander. Al die levens, al die problemen. In de tweede helft van het boek lijkt Chorus, die zo trefzeker begon met het Plein 3 als centrum van dit allochtone, dictatoriaal geregeerde rijk, haar focus een beetje te verliezen. De exemplarische verhalen van de families Soycicek en Ghelali waren al meer dan genoeg geweest voor één boek, waarbij de andere buurtbewoners als bijfiguren hadden kunnen optreden.

Toch is het te begrijpen dat Afri gaandeweg uitdijde. Wellicht wogen journalistieke motieven zwaarder dan verhaaltechnische. Chorus heeft een genuanceerd verhaal willen schrijven, uit vele perspectieven. Wie zich in mensen verdiept, begrijpt hun gelijk, ook al hebben ze ongelijk of is het zich vastbijten in hun gelijk dom. 'Mijn loyaliteit ligt bij hén', schrijft Chorus in haar dankwoord over haar hoofdpersonen.

De lezers kunnen die loyaliteit vermoedelijk niet altijd opbrengen, juist door Chorus' scherpe observaties. In het laatste hoofdstuk krijgt de cynicus gelijk. Het is het oudjaar, traditioneel hét moment om rotzooi te trappen. Eensgezind tarten jongens van allerlei herkomst de politie. Er worden auto's in brand gestoken en vernield, er sneuvelen ruiten. Gökhan, de nieuwe leider, omarmt Lianne en Edwin, de wijkagenten; voor hen heeft hij respect.

De twee dienders stralen. Maar enkele uren later blaast Gökhan de rook van zijn maffia-sigaar in Edwins gezicht en gooit hij een rotje rakelings langs Liannes hoofd. De agenten grijpen niet in. 'Wat wil Nederland nou van ons?', vraagt Gökhan zich dramatisch hardop af. 'We mogen drugs kopen zoveel we willen. We kunnen schelden op de politie. We kunnen drinken zoveel we willen. We kunnen seks hebben wanneer we willen.' Maar, zegt Gökhan, 'wie kan zoveel rijkdom weerstaan?'

Want: 'We weten niks. We kunnen niet denken.'

De gewelddadige, verongelijkte jongen; de twee goedwillende dienders die beteuterd kijken naar hun vernielde wijk, en verzuchten dat alles anders moet. Dit tafereel vat alle wanhoop, door Chorus huiveringwekkend voelbaar gemaakt, pregnant samen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden