Afrikanen krijgen geen kanker

‘U ziet eruit alsof u zich nergens zorgen om maakt’, zegt een vrouw in de trein tegen Oge, de hoofdpersoon uit de debuutroman De feniks van Chika Unigwe....

Oge glimlacht naar de vrouw, met haar ‘versie van de Vlaamse glimlach: je lippen heel even uiteen doen wijken en heel kort je tanden laten zien’. Oge is een jonge Nigeriaanse met een Belgisch paspoort, of een jonge Belgische van Nigeriaanse afkomst, het is maar hoe je het bekijkt.

Dat geldt ook voor de jonge schrijfster Chika Unigwe, van wie eerder korte verhalen werden bekroond. Omstreeks haar twintigste kwam ze naar België, studeerde er Engelse letterkunde en promoveerde in Leiden. Ze huwde een Belgische man, net als haar romanpersonage Oge.

Tot voor kort schreef ze in het Engels. In die taal verscheen in 2004 een hoofdstuk uit De feniks in het internettijdschrift Eclectica magazine.

Heeft ze de roman eerst in het Engels geschreven? De feniks wordt aangekondigd als Unigwes ‘Nederlandstalige’ debuut en nergens staat de naam van een vertaler, dus mogen we aannemen dat ze de taal inmiddels zo goed beheerst, dat ze menig moedertaalschrijver naar de kroon kan steken.

Unigwe schrijft soepel en krachtig, en schept genoegen in het spelen met woorden. Taal is erg belangrijk, zeker voor een immigrant die in een vreemde samenleving zijn weg moet vinden. Niet voor niets grijpt Oge, die net te horen heeft gekregen dat ze borstkanker heeft, in haar herinneringen gretig terug op de taal uit haar jeugd, het Igbo.

Oge herinnert zich de dood van haar beste vriendin Angel. Een levensgenietster die al jong is bezweken aan aids. Op haar crematie jammeren de rouwenden dat onze wereld een verdorven wereld is. Tufia. Vervolgens vraagt Oge zich af of haar moeder gelijk had toen ze beweerde dat Afrikanen geen kanker kunnen krijgen. ‘Mbanu! Niks ervan!’, zegt die. ‘Dat is iets voor de mensen in de geïndustrialiseerde landen met al hun vervuiling en hun fruit uit blik en pakken vruchtensap en kunstmatig eten en hun beesten in huis en hun namaakzonnebrand.’

Dergelijke – wederzijdse – vooroordelen en vastgeroeste denkbeelden (‘Afrikanen hebben toch van die witte tanden zodat jullie elkaar in het donker kunnen zien?’) weet Unigwe op een mooie manier in haar verhaal in te bedden.

De feniks gaat niet uitsluitend over de confrontatie tussen twee culturen, maar vooral ook over universele dingen als eenzaamheid, liefde, moederschap, verdriet en hoop. Oge bevindt zich in een soort vacuüm. Niet alleen is ze zelf ziek, maar haar huwelijk met de Belgische Gunter verkeert in een verregaande staat van ontbinding. De oorzaak is een immens verdriet.

Oge leeft het grootste deel van de roman in een andere wereld waarin ze niet spreekt van ‘ik’ maar van ‘je’. Alsof het over een ander gaat. ‘Toen dokter Suikerbuik je met de sombere stem van een begrafenisondernemer vertelde dat je aan kanker leed, had je het gevoel dat je al aan het sterven was. (*) Je geloofde niet meer dat jouw lichaam jou nog toebehoorde.’

Het is een manier van overleven, een vlucht uit de werkelijkheid.

Je leeft met Oge mee, en je begint Gunter te verwijten dat hij niet langer zijn best doet en vreemdgaat. Je snapt niet dat hij een hekel krijgt aan het Igbo-eten dat Oge vaak kookt. Tot ze thuiskomt met een sinterklaascadeau voor hun zoon. De waarheid komt hard aan, ook al had de omslagtekst die helaas verklapt.

Dan komt het verhaal over Jordi, over zijn geboorte, zijn eerste levensjaren en uiteindelijk het ongeluk. Oge zoekt haar heil bij de Church of the Risen Yahweh, en voor korte tijd koestert ze zich in de armen en gebeden van andere Afrikanen. Unigwe schildert de kerkdiensten met veel inlevingsvermogen en gevoel voor humor. Je ziet de schreeuwende predikant voor je met zijn ‘The lord is good!’, en de parochie die ‘All the time!’ jubelt.

Maar het is niet de kerk of God die Oge uiteindelijk van haar innerlijke gespletenheid zal verlossen, maar haar moeder, die door haar vader naar België wordt gestuurd. Niet zozeer om haar dochter te helpen – ze weten eigenlijk niets van haar toestand – maar om ‘van de straat te zijn’.

Oges moeder heeft gedemonstreerd tegen de vernielers van haar land, de regering en vervuilers zoals Shell. In een brief legt haar vader kort uit wat er is gebeurd. Een verhaal dat later gecursiveerd wordt aangevuld met details die haar moeder haar vertelt.

De wisselende perspectieven dragen ertoe bij dat de roman tot de laatste zin boeit.

Met De feniks heeft Unigwe een eigentijds boek geschreven, vol Belgische en Afrikaanse couleur locale.

Het leven is een riskante onderneming, maar Oge blijft hopen. Ze luistert naar haar bonzende hart. ‘Een geluid als een stamper die eba fijnstampt in een vijzel. Kadonk! Kadonk! Kadonk! Kadonk!’

Chika Unigwe: De feniks. Meulenhoff/Manteau; 212 pagina’s; ¿ 17,95. ISBN 90 8542 015 6.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden