Afrika door en voor onze ogen

Documentaires over Afrika leren ons net zoveel over onszelf als over Afrika. Dat de westerse mens ongereptheid met authenticiteit verwart bijvoorbeeld....

‘Hier zie je de ribben. Die moet je fotograferen. Als het publiek die ziet, begrijpt het dat de situatie zeer ernstig is.’ De blanke hand van de Nederlandse documentairemaker Renzo Martens wijst demonstratief op een uitgemergeld, paars uitgeslagen borstkastje. Het behoort toe aan een Congolees kind van misschien een jaar oud, dat bezig is te sterven aan ondervoeding. Breekbare armpjes, gezicht vel over been, achteruit deinzend voor de videocamera van Martens. Het kermt, reutelt en kijkt doodsbang uit wijd open gesperde ogen.

Emotieloos instrueert Martens het ploegje Congolezen dat achter hem staat. Hij leidt ze op in het fotograferen van ellende. ‘Je moet dichterbij komen staan. Zó maak je foto’s die je kunt verkopen.’

De mannen naderen gehoorzaam met hun camera’s en drukken af.

Het misselijkmakende fragment komt uit de documentaire Episode 3, waarin kunstenaar Renzo Martens (Sluiskil, 1973) de gedaante aanneemt van een Westerse hulpverlener. Hij reist door Congo, op zoek naar methoden om het ellendige bestaan van de bevolking te verlichten. Hij filmt hoe buitenlandse bedrijven goud, diamanten en het voor mobieltjes noodzakelijke coltan uit de bodem roven, en daarbij worden geholpen door VN-militairen. Hoe Westerse fotografen werktuiglijk ellende vastleggen, zonder zich om hun onderwerp te bekommeren – ‘het is vraag en aanbod’. En hoe blanke plantagehouders op een chique expositie in Kinshasa goede sier maken met de aankoop van ‘artistieke’ zwartwit-portretten van afgebeulde plantagewerkers; hun eigen werknemers.

Het enige wat de Congolezen resteert, constateert Martens, is hun armoede accepteren, en er munt uit pogen te slaan. Om die boodschap over te brengen trekt hij, met boot en dragers, rond met een op Coca Cola geïnspireerde neon-verlichtingset. Enjoy poverty flikkert het, als de generator aanslaat. Ook begint Martens een emancipatieproject voor de straatarme uitbaters van een Congolees fotokraampje, midden in het door oorlog geteisterde gebied.

Normaal gesproken leggen de plaatselijke fotografen verjaardagen en bruidsfeesten vast; vrolijke gebeurtenissen. Daarmee verdienen ze 1 dollar per maand, becijfert Martens op een schoolbord, terwijl de opgetrommelde Congolezen toekijken. Met het afbeelden van oorlogslachtoffers en hongerkindjes kunnen ze het duizendvoudige verdienen – net als de Westerse fotografen. ‘In jullie situatie is feestjes fotograferen irreëel’, doceert de kunstenaar.

In de praktijk loopt de omdraaiing van Martens direct spaak. De Congolezen krijgen geen perspas, en het verzoek om te fotograferen in het hospitaal van Artsen Zonder Grenzen wordt afgewezen. Een hautaine arts spot met het voorstel van Martens en diens Congolese fotografen: ‘je vraagt serieus of ze hier mogen fotograferen om geld te verdienen? Vind je dat zelf correct?’

Westerse fotografen mogen wél naar binnen, riposteert Martens. En die verdienen daarmee ook geld. ‘Dat is communicatie’, zegt de arts beslist.

Communicatie of exploitatie? Het is de kernvraag in Episode 3, de documentaire waarmee de 21ste editie van het IDFA opent. Na het in Tsjetsjenië gefilmde Episode 1 (2003), is dit het tweede deel uit een serie films waarin Martens op ontregelende wijze vragen stelt bij de rol van media en hulpverlening in conflictgebieden. Episode 3 is meer dan een satirische, of ronduit perverse, omkering van de alledaagse situatie in Congo. Martens, die in zijn contact met de Congolezen bewust een zelfvoldane, paternalistische pose aanneemt, stelt ook zijn eigen aanwezigheid ter discussie, en die van zijn publiek. Kijken naar ellende – empathie tonen – geeft de Westerse mens een goed gevoel, is de venijnige boodschap, die direct terugslaat op de kijker, of de bezoeker van het IDFA. Zoals het overmaken van een bedrag aan een ideële instelling ook een goed gevoel geeft. Of die handeling nu zin heeft of niet.

De werkelijkheid valt niet te verzinnen – zo luidt het hoofdthema, of de slogan, waarmee het IDFA deze editie nadruk wil leggen op de complexiteit van de werelden die worden vastgelegd door documentairemakers. Nergens is dat gebrek aan eenduidigheid beter zichtbaar dan in het dit jaar opvallend royale aanbod over Afrika. Veertig documentaires, veelal films van Westerse makers, bedoeld voor een Westers publiek – Afrika door en voor onze ogen.

Nikolaus Geyrhalter volgt in zijn voor de Joris Ivens-competitie geselecteerde documentaire 7915 KM het Afrikaanse deel van de rally van Parijs naar Dakar – nádat de karavaan voorbij is getrokken. De Oostenrijker, die eerder een documentaire over de voedselindustrie maakte (Our daily bread), opent zijn 7915 KM met spectaculaire beelden van de woestijnrace. Vervolgens is er honderd minuten lang geen auto of coureur meer te zien, slechts bandensporen in het stoffige zand. De route van de rally dient als raamwerk, en als metafoor voor het gebrek aan wezenlijk contact tussen westerling en West-Afrikaan. In gesprekjes met dorp- en woestijnbewoners stuit Geyrhalter alsnog op sporen van de blanke man. Een Marokkaans meisje dat graag naar Europeanen kijkt op tv, en het betreurt dat de raceteams nooit tijd hebben om in te gaan op de uitnodiging van haar familie om thee te drinken. Of de mopperende filmoperateur die met tegenzin versleten Westerse pornofilms vertoont, met enkel blanke acteurs, in een openluchttheatertje in het islamitische Mauritanië.

Ook Geyerhalter moet weer door. Ook zijn contact is vluchtig. In vogelvlucht schetst hij een arm doch trots Afrika, met bewoners die het goed afkunnen zonder blanke bemoeienis.

De Afrika-programmering van het IDFA biedt ook plaats aan klassieke oproepen tot noodhulp, zoals I Am Because We Are van en met Madonna. De regie van de film staat op naam van Nathan Rissman, de tuinman en nanny van de popster, die samen met haar en een camera door Malawi trok. Madonna adopteerde er een kind, en doet sindsdien haar best om het land te redden. Haar documentaire biedt een hartverscheurend beeld van Malawi, dat geplaagd wordt door aids, dronkenschap en rare rituelen. I Am Because We Are, een vertaald Zoeloe-gezegde, is doorspekt met het soort gestileerde zwart-witfotografie dat Renzo Martens in zijn Episode 3 juist onder vuur neemt: artistiek verbeeld lijden, uitermate geschikt om de empathie van het publiek mee op te wekken.

Om duidelijk te maken dat haar documentaire ons allemaal aangaat, probeert Madonna de problematiek breder te trekken dan het strookje Afrika, met een snelgemonteerde beeldensequentie. Maar wat de aidswezen van Malawi precies te maken hebben met krioelende mieren, zelfkastijdende moslims, de Ku Klux Klan, boomkap in Brazilië, videospelletjes, een atoombom, of gedateerde beelden van de militante Karen-tweeling Johnny en Luther – het wordt niet verklaard.

Net voor de kijker dof wegzakt in defaitisme, kantelt IaBWA. Dan gloort er plots toch weer hoop; met een beetje empoweren en wat hulp bij de agricultuur is Malawi er zo weer bovenop, betoogt Madonna. Alles wordt nu ingezet om de kijker positief en warm te maken voor een financiële donatie. De goedlachse Bill Clinton verschijnt nog maar eens in beeld. Hij houdt van Afrika omdat iedereen daar ‘wakker wordt met een liedje in zijn hart’.

Op het IDFA 2008 is de sociaal geëngageerde documentaire als vanouds rijk vertegenwoordigd, maar kan het genre nu ook onder vuur worden genomen, zoals in de openingsfilm Episode 3. Het festival zoekt die frictie bewust op: de film van Martens mag op zijn beurt weer worden aangevallen tijdens een speciaal ingelast debat, in j’accuse-stijl. Daarbij zal, naast Afrikaanse en Westerse filmers, ook de Senegalese wereldzanger Youssou N’Dour aanwezig zijn.

Minder hoogdravend en minder shockerend, maar zeker zo inzichtelijk is Milking the Rhino, van David Simpson. In zijn voor de Ivens-competitie geselecteerde film volgt de Amerikaan twee ‘community-based’ conservatieprojecten in Kenia en Namibië. Een met de Masaï, en een met de Himba. Volkeren die al sinds tijden naast de wilde dieren leven, met hun kuddes vee. Maar nu bemoeilijkt de toenemende droogte hun bestaan, en eist de conservatie van leeuw en olifant hun grondgebied op. Lokale hulpverleners proberen de koppige Masaï en Himba ervan te overtuigen dat beschermd wild en eco-lodges, én het daarmee gepaarde bezoek van Westerse toeristen, een zekerder bron van inkomsten biedt dan het hoeden van wat vee.

En zo staat de fiere Masaï-krijger Gitonga, kleurig uitgedost met gewaad en kralen, het volgepompte zwembad van de toeristen schoon te vegen, terwijl die week al 25 van zijn dieren van de dorst zijn omgekomen. Tijdens het werk zingt hij liedjes over zijn vee, en hoeveel hij van zijn dieren houdt.

Milking the Rhino zit vol met prachtig in beelden gevatte, onoplosbare dilemma’s. Okerrood beschilderde Himba-vrouwen die maar niet begrijpen dat ze – als de toeristen langskomen – eerst een poosje dóór moeten gaan met hun bezigheden, en daarna pas hun winkeltje mogen uitrollen. Anders missen de toeristen ‘authenticiteit’, en dan komen ze niet meer terug. Net zoals de lodge-medewerkers keurig de bandensporen van de met toeristen gevulde jeeps in de zandduinen uitwissen. Want als toeristen bandensporen zien, verpest dat hun unieke ervaring. Om te kunnen voorbestaan, moeten de Masaï en de Himba zichzelf acteren, voor ons.

En zo leert ook Milking the Rhino, net als het gros van de IDFA-Afrika films, minstens zoveel over de Westerse blik als over Afrika.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden