Adoratie of jaloezie kan een rockbio verknallen

Onder alle biografieën tref je goede en slechte exemplaren, maar nergens zijn de verschillen in kwaliteit zo groot als bij 'de rockbio'. Flip Vuijsje legt uit hoe dat komt, met de nieuwe, goede Johnny Cash-biografie in de hand.

Eric Clapton.Beeld Corbis

Johnny Cash (1932-2003) was uniek. Net als Elvis Presley een zoon van Amerika's Diepe Zuiden, en net als Elvis rond 1955 begonnen bij pionier-platenondernemer Sam Phillips in Memphis, Tennessee, koos hij daarna altijd zijn eigen weg. Als singer-songwriter avant la lettre. Als iemand die nooit zijn roots in countrymuziek vergat, maar tegelijk aansluiting wist te vinden bij latere generaties rocksterren. Voor eeuwig beroemd door zijn twee gevangenisconcerten, in 1968, in Folsom Prison in Californië. En natuurlijk door songs als I Walk the Line, Ring of Fire en A Boy Named Sue.

Johnny Cash.Beeld HH

Johnny Cash - de Nederlandse vertaling kwam begin deze week van de drukker - is een geslaagde biografie. Auteur Robert Hilburn was van 1970 tot 2005 poprecensent bij de Los Angeles Times. Hij vertelt het verhaal van Johnny Cash in een heel directe vorm. Steeds op de huid van de hoofdpersoon; en vaak ook 'in diens hoofd': door te vertellen wat Johnny zelf dacht en voelde. Door deze aanpak verveelt het boek geen moment.

Cash was een moeilijke man: voor zijn gezin, zijn omgeving, zichzelf. Iemand die door diepe dalen is gegaan vol drugs en drank en ander onbeheerst gedrag. Ook dit is een rode draad in Hilburns boek, maar zonder dat de schrijver hierover moraliseert. En dit laatste is in een 'rockbiografie' niet vanzelfsprekend.

Eric Clapton en Carla Bruni in 1989.Beeld Ron Galella / Getty

Dat nieuwe rockbio's maar blijven komen, zal te maken hebben met het naderende einde van een tijdperk. Johnny Cash is al twaalf jaar dood en ook de grote namen uit de klassieke rockjaren zestig en zeventig worden nu echt oud. We mogen ons dus langzamerhand gaan voorbereiden op een golf van tot de verbeelding sprekende sterfgevallen. (Zelfs Keith Richards zal er ooit niet meer zijn.) Tijd dus voor balansen opmaken.

Rockbiografieën variëren enorm in kwaliteit, meer dan andere genres biografieën. Dit komt doordat de sentimenten waarmee veel rockbiografen tegen hun onderwerpen aankijken emotioneel zo zwaar beladen zijn. Want rocksterren zijn niet zo maar 'publieke personen'. Voor generaties westerse mannen is 'rockster zijn', als ze heel eerlijk zijn, de ultieme fantasie van een geslaagd leven. (Vrouwelijke rockbiografen heb je nauwelijks.)

Dit leidt tot een soms complexe mix van gevoelens: tot adoratie, maar ook jaloezie. En soms ook tot teleurstelling of verontwaardiging: als een ster ook maar menselijk blijkt, met alle bijbehorende tekortkomingen. Historisch berucht zijn bijvoorbeeld de biografieën van Albert Goldman: Elvis uit 1981 en The Lives of John Lennon uit 1988. Allebei diepgravend en gedocumenteerd, en hierdoor best de moeite waard. Maar met een eenzijdige focus op alles wat maar 'fout' was aan karakters en gedragingen, in een openlijk kwaadaardige toonzetting.

Een milder geval is de Engelse schrijver Philip Norman, die al decennialang rockbio's schrijft. Zijn laatste boek is Mick Jagger uit 2012, en de manier waarop Norman hierin zijn verontwaardiging de vrije loop laat over Jaggers hedonistische manier van leven, leest als een wraakexpeditie. Uit 2001 dateert Philip Normans Sir Elton - The Definitive Biography. Over Elton John dus, bij wie de auteur kennelijk meer emotionele distantie voelde en die hij behandelt met een grondhouding van beheerste welwillendheid. En dát was een in alle opzichten voorbeeldig boek.

Johnny Cash.Beeld Laurie Lewis/Lebrecht Music & Ar

Dweperij, het andere uiterste, is ook niet goed. Bij rockbiografieën zie je hiervan soms een speciale variant: als een auteur zijn lezers voortdurend laat merken dat niet alleen zijn onderwerp maar ook hij zélf een toffe gast zonder weerga is. Ostentatief grossierend in vaak belegen hipster-taal, en in de stijl van 'kijk-ook-mij-eens-interessant-zijn' die ooit 'nieuwe journalistiek' heette. Met als impliciete (maar altijd valse) boodschap: ook ik ben deel van die glamoureuze rockwereld!

Een voorbeeld hiervan is Shakey, een Neil Young-biografie uit 2002 door Jimmy McDonough. Maar ook hier geldt: het ene onderwerp is het andere niet. Robert Greenfield schrijft al sinds 1974 boeken over rockmuziek. Nog in 2006 verscheen zijn Exile on Main Street - A Season in Hell with The Rolling Stones, over de periode die de band in 1971/72 in 'belastingballingschap' doorbracht aan de Côte d'Azur. Een boek helemaal geschreven in die stijl van oude-rockers-krentenbrood. Maar diezelfde Robert Greenfield verraste in 2012 met The Last Sultan, een perfect-evenwichtige biografie van Ahmet Ertegun (1923-2006), de man van het legendarische Atlantic Records.

Johnny Cash in 2002.Beeld HH

Wat is er dus nodig voor een goeie rockbiografie? Een juiste mix van professionele distantie én oprecht respect voor bijzonder talent en bijzondere prestaties. Een voorliefde voor vertellen, in plaats van moraliseren. Kennis van en liefde voor muziek, want anders blijft het allerbelangrijkste onderbelicht. En natuurlijk: goed je huiswerk doen, en je zo onderscheiden van een permanente stroom van oppervlakkige haast- en jatwerkproducties, vaak van auteurs die elke een of twee jaar weer even gauw een andere ster of band 'doen'.

Voorbeelden van uitstekende rockbio's zijn er gelukkig ruimschoots. Zoals The Beatles van Bob Spitz, uit 2005, tot nu toe in dit specifieke onderwerp onovertroffen. Keith Richards van Victor Bockris, uit 1992. Pigs Might Fly - The Inside Story of Pink Floyd van Mark Blake, uit 2007. Paul Trynka's David Bowie - Starman, uit 2011. En de tweedelige biografie van Peter Guralnick over Elvis Presley: Last Train to Memphis (1994) en Careless Love (1999).

Ook Robert Hilburns Johnny Cash zit in deze eredivisie, maar met wel één beperking. Het is het definitieve verhaal van 'The Man in Black': van zijn muziek, zijn leven, en vooral: zijn persoon. Maar het is niet het soort biografie dat daarnaast ook uitblinkt in context en analyse. Iemand als Peter Guralnick doet dit wel: behandelt de onderwerpen van zijn boeken (naast Elvis ook Sam Cooke en Robert Johnson) breder; plaatst ze in hun eigen tijd; en zoekt ook naar verklaringen, naar beter inzicht, en naar de (blijvende) betekenis van dingen.

Juist nu het klassieke-rocktijdperk zijn einde nadert, groeit de ruimte voor studies die verder gaan dan alleen beschrijven en verhalen. Er is intussen ook zo veel materiaal beschikbaar uit al bestaande publicaties, dat het een respectabele optie wordt om in de eerste plaats voort te bouwen op het werk van voorgangers. 'Secundaire analyse' dus, zoals ook historici dit veel doen, op zoek naar nieuwe inzichten en nieuwe interpretaties.

Je hoeft hiervoor ook niet per se zelf rockjournalist of -schrijver te zijn, bewijst het voorbeeld van Ian Bell. Deze Schotse auteur schreef een dubbelbiografie over 'The Lives of Bob Dylan': Once Upon a Time uit 2013 en Time Out of Mind uit 2014. Heel analytisch én heel erg de moeite waard, uit de pen van iemand die wegens eerdere verdiensten op heel ander terrein al eens de George Orwell Prize for Political Journalism won. Dus graag, de komende jaren, nog flink méér van (ook) dit soort mooie rockbio's.

Eric Clapton in 2015.Beeld LNP, Rex Shutterstock, HH
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden