Ademschommel

Koekoek, hoelang leef ik nog

Tempelman Olaf

Toen in oktober bekend werd dat de Roemeens-Duitse schrijfster Herta Müller (1953) was bekroond met de Nobelprijs voor de Literatuur, belde ik een bevriende Roemeense germanist. Hij herinnerde mij eraan dat we haar in de winter van 2004 op het Goethe Instituut in Boekarest hadden horen voorlezen, samen met drie andere Duitse schrijvers van Roemeense origine. Maar hoe ik ook in mijn geheugen groef, van Müllers optreden kwam behalve haar gestalte en die sombere doordringende blik niets terug (had een astroloog of kruidenvrouwtje mij maar over die Nobelprijs ingeseind). Wel schoten me allerlei fragmenten te binnen van het optreden van een buitengewoon innemende oude Duitse dichter genaamd Oskar Pastior. In één van de gedichten die hij die middag voorlas, was hij een jongeman in een strafkamp.


Herta Müllers nieuwe boek Ademschommel, alleen al vanwege het verschijningsjaar voorbestemd een van haar bekendste te worden, begon als gemeenschappelijk werk van haar en Pastior.


Pastior werd in 1927 geboren in de toen nog in meerderheid door Duitsers bewoonde Roemeense stad Sibiu (Duitse naam: Hermannstadt). Met een paar honderdduizend andere Roemeense Duitsers verrichtte hij in de periode 1945-1950 dwangarbeid in de Sovjet-Unie. Het was een oud streven van Müller te schrijven over deze nogal onderbelichte episode van de twintigste eeuw. Haar moeder, ook vijf jaar in een Sovjet-kamp, kon er niet over praten. Voordat de schrijfster in 2001 begon met het optekenen van Pastiors verhaal, had zij vergeefs geprobeerd in haar eigen geboortedorp andersoortige zinnen los te krijgen dan 'we hebben geleden'. Als Pastior in 2006 niet was overleden (nota bene tijdens een bezoek aan de Frankfurter Buchmesse), had Ademschommel twee auteurs gehad, schrijft Müller in haar nawoord. Pas een jaar na zijn dood besloot zij het project alleen af te maken. Oskar Pastior werd het personage Leopold Auberg.


Alleen al door deze voorgeschiedenis bekleedt Ademschommel een aparte plaats in haar oeuvre. Het boek heeft daarbij vaak die vreemde milde melancholieke toon die ook in Pastiors poëzie terugkomt. Müller beschrijft hier niet de trauma's van haar eigen generatie, maar die van de voorgaande - de groep slachtoffers van de twintigste eeuw die zich het minst heeft durven roeren.


De continuïteit met haar andere werk zit hem in die beeldende, speelse en poëtische beschrijvingen van dat arsenaal aan smerigheden dat totalitaire samenlevingen eigen is, smerigheden waarvan we zouden wegkijken als Müllers hypnotiserende zinnen dat niet onmogelijk zouden maken. Haar meeste boeken zijn sterk autobiografisch en spelen zich af in het Roemenië van de jaren zeventig en tachtig. Hartedier, een van haar bekendste romans, gaat over de psychische sloop van een dissidente vriendenclub door de Roemeense staatsveiligheidsdienst, de Securitate. In Vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen spuwt een vrouw haar gal, al wachtende op de tram die haar naar een Securitate-verhoor zal brengen.


Müllers Nobelprijs brengt in de eerste plaats een recent verleden onder de aandacht waarvoor in West-Europa nauwelijks belangstelling bestaat, en dat in Oost-Europa wordt weggemoffeld door lieden die daar belang bij hebben. Het gebrek aan enthousiasme waarmee financieel succesvolle en immer schaamteloze oud-Securitate-kopstukken in Roemenië op Müllers bekroning hebben gereageerd, mag illustratief heten. Eén van hen ging zover te stellen dat de schrijfster zich aanstelt en de mate waarin zij vervolgd is overdrijft.


Vóór de communistische dictaturen in Oost-Europa een feit waren, waren er massa-arrestaties, deportaties en strafkampen. Tussen 1941 en 1944 was Roemenië een bondgenoot van nazi-Duitsland. Op 23 augustus 1944 liep het over naar de geallieerden. Luttele dagen later was het Rode Leger in Boekarest. Stalin gelastte zowel de gewelddadige machtsgreep van de communistische partij als de

deportatie van de Duitse minderheid in Roemenië om te helpen bij de 'wederopbouw' van de Sovjet-Unie. In de eerste maanden van 1945 werden honderdduizenden Roemeens-Duitse mannen en vrouwen tussen de 17 en 45 in veewagons naar Sovjet-kampen afgevoerd. In Ademschommel zegt Leo Auberg over zijn bijdrage aan de 'wederopbouw': 'Dat woord was ontgift.'


Ademschommel is een uniek en moedig boek geworden. Müller beschrijft poëtisch en gedetailleerd wat eigenlijk niet poëtisch en gedetailleerd te beschrijven is: het 'gewone dagelijkse leven' gedurende vijf jaar strafkamp. Honger is in de eerste vier jaar het allesoverheersende element. Auberg heeft altijd 'de hongerengel' bij zich: 'Als basiseten lag de koolsoep aan de basis van het feit dat je aan je lichaam het vlees verloor en in je hoofd het verstand. De hongerengel rende hysterisch rond. Hij kende geen perken meer, groeide op één dag zo hard als geen gras in een hele zomer en geen sneeuw in een hele winter.'


Luizen doen zich te goed aan vervuilde lijven. Een grote buis doet dienst als bordeel tot de geïnterneerden fysiek beginnen te verzwakken. Bezittingen van de doden worden onmiddellijk geplunderd door levenden wier adem nog schommelt. 'Elke dienst is een kunstwerk', is de mantra die Auberg bezigt tegenover kampbewaker Tur. Om de barak die gezellige sfeer van thuis te geven, hangen de Duitsers er een koekoekskloek op. Met Kerst zetten ze er een boompje van ijzerdraad onder: 'Eigenlijk behoorde de koekoeksklok de hongerengel toe. Het ging hier in het kamp toch helemaal niet om onze tijd, alleen om de vraag: Koekoek, hoelang leef ik nog.'


Het lege Oekraïense steppelandschap doet fantasieën om te vluchten verdampen. Op een middag mag Auberg een paar uur het kamp uit. In het nabijgelegen 'Russendorp' vindt hij tien roebel en zet die onmiddellijk om in voedsel. Tegen de tijd dat hij terug is in het kamp heeft hij, eten ontwend, al dat voedsel weer uitgebraakt. Als de honger ondraaglijk wordt, verpandt hij zijn rode zijden sjaal aan de Duitse Bea die zich voor kampbewaker Tur prostitueert. Het eten dat Auberg in ruil verwacht, blijft evenwel uit. Wel blijkt Tur bij het toeblaffen van de gevangenen op het ochtendappèl ineens de rode sjaal te dragen. Pas na weken durft Auberg bij Bea te informeren waar zijn extra eten blijft. 'Bea, heb je Tur mijn sjaal gegeven. Zij zei: Hij heeft hem gewoon gepakt. Zo is hij.'


De machtsverhoudingen in het kamp zijn in kaart gebracht, evenals de psychologie van de weldoorvoeden die zich goed voelen bij het commanderen van ondervoeden.


Leo Auberg werd net als Oskar Pastior begin 1950 vrijgelaten. Hij keerde terug naar Sibiu, waar oma nog steeds kruiswoordpuzzels oploste en de vloeren nog op precies dezelfde plekken kraakten. Normaliteit zat er, tussen de 'van thuis verzadigden' die hem niets over zijn Russische uitstapje vroegen, niet meer in. 'Ik was opgesloten in mezelf en uit mezelf weggegooid, ik hoorde niet bij hen en miste mezelf.'


Oskar Pastior bleef nog tot 1968 in Roemenië. In dat jaar bemachtigde hij een visum voor Oostenrijk en keerde niet meer naar de communistische wereld terug. Waar hij niet uit weg kon, was uit zijn kampjaren. Leo Auberg is aan het eind van Ademschommel een oude man. De mantra 'elke dienst is een kunstwerk' ligt nog op zijn lippen. 'Sinds mijn terugkeer staat er op mijn schatten niet meer DAAR BEN IK. Op mijn schatten staat: DAAR KAN IK NIET WEGKOMEN.'


Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden