Achter paradijsdeuren: hoe springt Paradiso om met de schaars beschikbare ruimte?

Als poptempel in een voormalig kerkgebouw moet Paradiso creatief omspringen met de schaars beschikbare ruimte. Backstage gaat een doolhof van kruip-door-sluip-doorgangen schuil. Poprecensent Robert van Gijssel kreeg een rondleiding langs krappe kruipruimtes en verborgen kamertjes.

Over Paradiso doen wilde verhalen de ronde. Al zullen er in de loop der tijd best wat mythes rond het poppodium zijn opgetrokken, de meeste verhalen kloppen gewoon. De belangrijkste popzaal van Nederland? Zeker, nog altijd, al denken ze er buiten de Randstad en in de omgeving van de Amsterdam Arena tegenwoordig misschien anders over. Paradiso heeft in ieder geval de meest bewogen geschiedenis van allemaal: eerst als gekraakt hippieheiligdom en daarna, in het ontluikende poptijdperk van de jaren zeventig, als podium waar de grootste bands op aarde langskwamen, van Pink Floyd tot de Sex Pistols en de Ramones. Later volgde Nirvana en midden jaren negentig nog de Rolling Stones; iedereen wilde − en wil nog steeds − spelen in deze zaal.

Want Paradiso is vooral óók bijzonder vanwege de huisvesting: die merkwaardige kerk aan de Weteringschans, ooit van de Vrije Gemeente, die eind jaren zestig eigenlijk gesloopt moest worden, maar waar het vrijdenkende deel van de Amsterdamse jeugd in 1967 een stokje voor stak. Paradiso werd niet gebouwd als popzaal, de pop heeft zich het gebouw en al dat sacraal fonkelende glas-in-lood toegeëigend. En nu geldt Paradiso als een van die zeldzame poppodia die huizen in een stokoud maar zalig sfeervol gebouw, waar vijf decennia rock, punk en dance als archeologische afzettingslagen zijn aangekoekt. Daarmee is het een van de laatste zalen die niet zijn gehuisvest in van die hypermoderne complexen waar de bezoekers met de roltrap of in zoemende liften naar hun concert worden gebracht.

Romantisch, zeker, maar het is ook weleens behelpen, zo blijkt bij een rondleiding door de kruipruimtes en verborgen kamers van het podium. Een bittere strijd om iedere beschikbare meter en een doolhof van kruip-door-sluip-doorgangen naar zalen, zaaltjes, kleedkamers en kantoorruimtes, waar volgens het podium zelf ‘het oude nog altijd wordt geëerd, maar het nieuwe moet worden omhelst’.

Kors Eijkelboom (58) is een kind van Paradiso, hij komt er al sinds eind jaren zeventig. Ooit speelde hij er met de mede door hem opgerichte band The Scene − ook in de oefenruimtes onder het podium van de grote zaal, ‘waar het plafond bij een concert van Blondie destijds heel gevaarlijk op en neer golfde’. Nu is Eijkelboom coördinator productie en zorgt hij ervoor dat er iedere dag concerten kunnen worden gehouden in de voormalige kerk. Als kenner bij uitstek van het gebouw zelf is hij de aangewezen persoon om eens wat geheime deuren in het pand te openen en ons een blik te gunnen áchter het podium, en in de veelbewogen geschiedenis van Paradiso.

De zolder boven de Kleine Zaal, aan de straatkant

Via de entreehal, waar de dozen met merchandise van de vanavond optredende band Fever Ray al klaarstaan, lopen we links langs de receptie en gaan direct rechts een smal trappetje omhoog, dat leidt tot boven de Kleine Zaal. We komen terecht in fris wit geschilderde kantoorruimtes, onder de houten balken van de oude vliering van het gebouw. Eijkelboom: ‘Hier zitten we pal achter de grote klok die je ziet als je beneden op straat staat en omhoog kijkt. En hier zit nu de bedrijfsleiding, het productiekantoor, en daar werken de programmeurs en de publiciteitsmedewerkers. Vorig jaar mocht een aantal mensen logeren in Paradiso, dat was een soort opmaat naar ons jubileumfeest. En bij die gasten zat een stel dat deze ruimtes nog heel goed kende uit hun jeugd. Hun ouders waren namelijk beheerders van het pand geweest, vlak voordat het in 1968 gekraakt werd. Ze hadden hier nog gespeeld, zeiden ze. En de was hing hier altijd te drogen. In de eerste jaren van Paradiso werd deze ruimte gebruikt als yogazolder. Toen was yoga nog bijzonder ruimdenkend, hoor.’

De Fabchannelstudio

Via de kantoren lopen we door een smalle gang en passeren een dichte deur, als van een wandkast. Eijkelboom heeft de sleutel. Hij laat een kleine controlekamer zien vol ouderwets aandoende apparatuur en monitors. Vreemde kastjes met joysticks. ‘De befaamde studio van Fabchannel. Ja, daarmee was Paradiso zijn tijd ver vooruit. Een beetje té ver waarschijnlijk, waardoor de wet van de remmende voorsprong in werking trad. Vanaf 2000 wilden we concerten vanuit Paradiso online gaan streamen via de site van Fabchannel, een project in samenwerking met internetprovider XS4All en de omroepen. In de zaal werd tijdens concerten gefilmd met beveiligingscamera’s, om het een beetje betaalbaar te houden. Later kwamen er op afstand bestuurbare camera’s bij die heel discreet aan pilaren in de zaal waren vastgemaakt. En hier konden die camera’s dan worden bediend, met die joysticks.’

De organisatie van Fabchannel bleek omslachtiger dan verwacht, vooral ook omdat er steeds uitzendrechten moesten worden geregeld bij de afzonderlijke artiesten. Eijkelboom: ‘Fabchannel bestaat niet meer. Maar alles staat er nog. We gebruiken deze beeldstudio nog heel af en toe, tijdens een festival als London Calling bijvoorbeeld, voor de wat meer beginnende bandjes.’ En nu geeft de Fabchannelstudio dus een inkijkje in een recente, maar in deze snelle tijden al bijna vergeten popgeschiedenis.

Het volgspotbalkon

De mooiste uitkijkpost van Paradiso, waar het publiek helaas niet welkom is, bevindt zich aan de achterzijde van de Grote Zaal, nog boven de hoogste balkonrij. ‘Hier hangt de volgspot; je kunt hier ook van dichtbij zien hoe het licht aan de balken in de nok van de zaal hangt. Vanaf deze plek heb je bovendien een goed zicht op de tweede balkonrij, die bij de grote verbouwing van 2003-2004 boven de eerste balkonrij is gebouwd.’

Het idee voor een nieuwe balkonrij werd Paradiso aangereikt door de Rolling Stones, die in 1995 twee shows gaven voor film- en plaatopnames en daarbij de sfeer van een kerk in New Orleans wilden nabootsen. Het publiek moest tot in de nok van de zaal om de band heen kunnen zitten en staan, dus bouwde de crew met steigerpijpen een tweede balkon. ‘De balkonspijltjes van de eerste balkonrij maakten ze gewoon na van bordkarton of triplex, en die plakten ze op de steigers, heel grappig. Maar wij ontdekten op die manier wel dat het echt kon, en dat de capaciteit daardoor met een paar honderd man zou toenemen.’

En zo bouwde Paradiso bijna tien jaar na het legendarische concert een echt ‘Stonesbalkon’, dat overigens werd opgehangen aan de constructie van het gebouw, boven in de zaal. Eijkelboom: ‘Paradiso heeft nu technisch hoog ontwikkelde apparatuur in de zaal, voor verlichting en geluid, zodat de bandjes hun eigen spullen voor de show niet mee hoeven nemen. Dat is maar goed ook, want als bands als Kraftwerk of Underworld, die wel heel specifieke shows willen geven met hun eigen techniek, een eigen lamp aan het plafond willen hangen, dan moet een lamp van ons eraf worden gehaald. De constructie is maximaal belast en de veiligheidsvoorschriften zijn zeer streng − maar die leven we dan ook keurig na. Dat moet ook wel, want alles hangt hier boven het publiek.’

De nok van de zaal, boven het plafond van de Grote Zaal

We kunnen nóg hoger. En nu wordt het spannend. Eijkelboom neemt ons mee, weer een trappetje op. ‘Pas op je hoofd. O sorry, te laat.’ We betreden een nauwelijks anderhalve meter hoge, puntvormige ruimte, waar een soort mijnwerkerskarretje op een rails staat. ‘Daar kun je op gaan liggen, op je rug, en dan kun je je aan dat touw daar over de zaal trekken. Hier hangen de motoren die de kabels van de lampen bedienen; die moeten worden gecontroleerd en soms vervangen.’ De technici die het aandurven, moeten hier volgens Eijkelboom niet moederziel alleen aan de slag gaan, zonder dat hun collega’s het weten. ‘Stel dat je je kop stoot en flauwvalt in je karretje. Dan kun je hier lang liggen.’

De DutchView-studio, aan de linkerkant van het gebouw, naast de Kleine Zaal

Medewerkers van Paradiso lopen volgens Eijkelboom weleens kloppend op de muren door het gebouw. ‘Als we dan ergens een holle ruimte ontdekken, gaan we direct kijken of we daar nog iets mee kunnen doen. Iedere loze ruimte moet worden benut.’ Hij opent weer een deur naar een onooglijk klein kamertje, dat vol staat met geluidsapparatuur. Reusachtige oude mixtafels en DAT-recorders, destijds wonderen van techniek, maar inmiddels flink verouderd. ‘Hier bouwden we samen met registratiebedrijf DutchView, dat vroeger NOB heette, een geluidsstudio. Bijvoorbeeld om de maandelijkse radio-uitzendingen van Leidsekade Live te maken. Dit hok wordt nu nog zelden gebruikt, hooguit als we weer eens gaan streamen bij London Calling en van hieruit het geluid regelen. Maar ja, opnames worden tegenwoordig ook gewoon verzorgd vanaf een laptop − tijden veranderen. Het is dus ook niet ondenkbaar dat dit kamertje binnenkort wordt ontruimd en dan direct wordt geclaimd voor iets anders. Ik kan me zo voorstellen dat hier dan een extra kleedkamertje komt voor artiesten die in de Kleine Zaal spelen. Want als daar meerdere bandjes op een avond staan, hebben die soms gewoon geen plek.’

De tweede balkonrij

We lopen even een voor het publiek toegankelijk deel van Paradiso in, de achterzijde van de tweede balkonrij, en worden overvallen door weemoed. ‘Hier zat het kerkorgel, van voor de Paradisotijd. Zonde dat dat eruit is gesloopt, maar het was destijds de bedoeling dat het pand tegen de vlakte zou gaan, dus moest alles eruit.’ De dj’s namen de plaats van het orgel in. ‘Vanaf deze plek werden de plaatjes gedraaid door de eerste Paradiso-dj’s, zoals Pieter Franssen. Hoog boven het publiek, zo ging dat toen.’ Eijkelboom wijst naar de speciale bankjes voor het publiek, die hier achter de balkonreling staan. ‘Op maat gemaakt, want als je hier op een gewone stoel gaat zitten, kijk je tegen de rand van de reling aan en zie je dus niets. We moeten hier alles customizen; het is nu eenmaal geen concertgebouw. We moeten alles zelf uitvinden en aanpassen.’

De ‘banaan’, achter het hoofdpodium

De allervreemdste plek in Paradiso bevindt zich achter het hoofdpodium. Backstage dus, hoewel de ruimte niet als zodanig fungeert. ‘Volgens mij zijn we het enige grote poppodium in de wereld zonder een backstageruimte achter het podium. Als er een ombouw moet worden gedaan − dus als er een nieuwe opstelling op het podium moet worden gezet − werken we vanaf de zijkanten, en van buiten. Collega’s van andere poppodia vinden dat weleens vreemd. Maar het werkt.’

We staan in een kleine, boogvormige ruimte van net een meter breed, een soort klankkast tussen het podium en de buitenmuur, pal aan het water van de Singelgracht. ‘Bij ons heet deze ruimte de ‘banaan’. Er hangen wat snoeren en filters voor lampen, en de ruimte wordt ook gebruikt als opslagplek. Je kunt hier de achterkant van het glas-in-lood zien dat boven het podium hangt. Als je daar vanuit de zaal doorheen kijkt, kijk je niet naar buiten maar naar deze witte spaanplaten. Tussen het raam en die platen hangen echter lampjes, waardoor je het idee krijgt dat je het buitenlicht ziet.’ Op de witte wand heeft iemand wat gekladderd met een viltstift: ‘Vinny Tommy Shanny for life’, met een hartje erachter. We melden het maar even.

De kleine zaal

Eijkelboom wil dat we ook een blik werpen in de Kleine Zaal. ‘Dat is een erg belangrijke plek voor Paradiso, omdat wij vinden dat we een rol moeten spelen in de ontwikkeling van kleine bandjes. Grote namen hebben hier gestaan, van Adele tot Coldplay en Kings of Leon. We zoeken trouwens nog mensen die foto’s hebben van dat concert van Adele. Deze zaal kan echt een springplank zijn, dat blijkt wel. In de tijd van de Vrije Gemeente was dit een bibliotheek en vergaderzaal. En de open haard waarvan je nu alleen de schouw nog ziet, was toen waarschijnlijk echt in gebruik.’

De kelderbar en -zaal

Via de zijkant van het gebouw lopen we richting de kelderbar, onder in Paradiso, bij de toiletten. We zien eerst nog de beroemde ‘rode lijn’ in het gangenstelsel, die op de grond geplakte streep die verdwaalde of beschonken artiesten de weg moet wijzen naar hun kleedkamers. ‘Ik zal eerst nog even iets laten zien in de herentoiletten’, zegt Eijkelboom. ‘Kijk, hier, weer zo’n raadselachtig deurtje, naast het meest linkse toilet.’ Hij pakt een zoveelste sleutel en opent een kleine, donkere bergruimte waar rode lampjes flikkeren. ‘Hier was weer een meter ruimte, dus staat hier nu de server van de internetprovider.’ Je realiseert het je niet, als je staat te plassen.

De kelder is bekend terrein voor iedereen die weleens in Paradiso geweest – en dat is zowat half Nederland. Er is een bar, en soms is er een klein concertje of een lezing. ‘Overdag staat hier het eten voor de crew van de band. Dan ruik je in het hele gebouw de bami. Wij vergaderen hier soms, want ook de vergaderruimte in Paradiso is zeer beperkt.’

Ook in de kelder is ruimte gewonnen, zegt Eijkelboom. Dat gebeurde bij een verbouwing van twee jaar geleden. ‘Hier zijn we zo’n 20 centimeter naar beneden gegaan, kijk maar naar de pilaren: de vloer is wat gezakt − een echt huzarenstukje. Als we nog verder omlaag zouden gaan, zouden we in het grondwater terechtkomen. Maar we proberen hier van alles.’

Toen de Stones in 1995 in Paradiso speelden, was de grote ruimte achter de kelder ingericht als royale kleedkamer, in aanvulling op de kleinere kleedkamers waar we vandaag niet mogen kijken omdat Fever Ray er zit te relaxen. ‘Natuurlijk kreeg Mick Jagger deze hele ruimte als privékleedkamer. Er was alleen wel een probleem: het was de enige kleedkamer met een douche, dus om te douchen moest iedereen door zijn kamer. Dat wilde hij óók niet, dus hebben de Stones hier zelf nog een muur gebouwd. Die hebben ze daarna gelukkig ook weer afgebroken.’

Het techniekhok

In het gangenstelsel achter en naast de kelderruimte vinden we de ondersteunende diensten en opnieuw een opslagruimte. ‘En de drankopslag’, zegt Eijkelboom, ‘de enige afgesloten ruimte waar ik vreemd genoeg geen sleutel van heb. Hier staan ook de wasmachines, die iedere dag continu draaien.’ Ook nu draait het Paradiso­textiel rondjes: hand- en theedoeken, zo te zien. Op een deur naast de wasmachines is een wit printje geplakt: een plattegrond van Google Maps met alweer een rode lijn. ‘Dat is de route naar de dichtstbijzijnde wasserette, want bands en hun aanhang mogen deze machines niet gebruiken. We hebben ze zelf nodig.’

In een piepkleine kastachtige ruimte staan een paar honderd stoeltjes. ‘Voor de lezingen op zondagochtend. En hier staan de stoeltjes zonder armleuningen, voor klassieke musici.’ Er hangt ook een wat verweesde spiegelbol. ‘Een van de vele hier op voorraad.’

Dan gaan we door een laatste geheime deur, waarachter een zoemende ruimte vol apparaten schuilt. Een aan elektriciteitsdraden trekkende medewerker kijkt wat verschrikt op − net een scène uit een film. ‘Ha Thomas, mogen we even?’, vraagt Eijkelboom. ‘Nou, dit is dus het techniekhok. Het mooie van Paradiso: we hebben heel veel diensten in eigen huis, die hoeven we dus niet uit te besteden. In dit hok worden dagelijks door twee technici versterkers van monitoren en lampen gerepareerd en onderhouden.’

Daar merk je niets van, als je als publiek behaaglijk in de zaal naar een concertje staat te kijken. ‘Nou, eigenlijk merk je dat wel’, zegt Eijkelboom. ‘In Paradiso zijn namelijk nooit technische storingen tijdens concerten. Dat komt omdat we het onderhoud hier dagelijks hebben ingeroosterd, waarbij bijvoorbeeld op maandag en dinsdag alle apparatuur wordt nagelopen.’ En dat moet ook wel, volgens Eijkelboom. ‘Paradiso is 355 dagen per jaar open. Vorig jaar zijn hier zo’n 850 concerten gegeven. En dat doen we in een gebouw dat daar helemaal niet op is toegerust, en dat is dus best weleens onhandig. Maar op deze manier weten we die onhandigheden steeds heel slim te omzeilen. Gezien? Werk ze, Thomas!’

The Rolling Stones

Amsterdam werd overhoop gehaald toen de Rolling Stones in mei 1995 optraden in Paradiso. Er ontstond een run op kaartjes en een van de optredens werd uiteindelijk uitgezonden op een groot scherm op het Museumplein, voor ruim 100 duizend man. De komst van de grootste rock-’n-rollband ter wereld maakte diepe indruk op alle ­Paradisomedewerkers, zegt coördinator productie Kors Eijkelboom. ‘Ik zal nooit vergeten dat Keith Richards binnenkwam, om zich heen keek en toen vijf minuten lang op zijn hoofd ging staan. Het was ­kennelijk een yoga-oefening of zo.’

James Dean

Veel medewerkers van Paradiso hebben zelf ook een geschiedenis in de muziek; de Stichting Paradiso heeft namelijk graag mensen in dienst met voeling voor de pop. Onze rondleider Kors Eijkelboom speelde met zijn band The Scene in Paradiso, en hij oefende er ook. ­Eijkelboom is ook bekend van het nummer Niet alle meisjes zijn verliefd op Kors van The Tröckener Kecks, uit 1982. Dat begint zo: ‘Kors is de drummer van The Scene. Hij slaat strak, lijkt op James Dean.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden