Achter het kwijnen van Mutter steekt een ijzeren betoogzucht

Beethoven, door Anne-Sophie Mutter en Lambert Orkis. Amsterdam, Concertgebouw (7 juni)...

ROLAND DE BEER

MUZIEK

Je hebt mensen die niets op een normale toon kunnen zeggen. Eenvoudige meningsverschillen worden uitgemeten alsof er levens op het spel staan. De simpelste boodschap leidt tot bezwerend gefluister, of krijgt de intonatie van een scheepshoorn.

Iets dergelijks heeft ook het vioolspel van Anne-Sophie Mutter, die zondag Beethoven speelde in de Amsterdamse serie Grote Solisten. Geen noot in de Frühlingssonate kon zo simpel zijn of hij kreeg een uitroepteken. Geen frase in de variaties van de Kreutzersonate zo terloops, of er zat versterving in, kwijning of agressie.

Toen Mutter gul haar tweede encore aanhief, een vrolijk menuet dat oploste in een bijna toonloos flautando van haar Stradivarius, drong zich één gedachte op: die meid kan geen normale toon meer spelen. Die gaat zo gebukt onder de idee nummer één te zijn en dat te moeten blijven, dat er geen weg meer terug is naar het on-uitzonderlijke. Naar het mezzoforte en het tempo giusto.

Maar wat is normaal in dit verband? Niets is normaal in Beethovenverband. Als iets in een Beethovenvertolking normaal lijkt, vindt dat vaak zijn oorzaak in routine of een sleetse opvatting.

Geen spoor van routine hoor je bij Mutter. Wel een ijzeren betoogzucht. Maar ook onderzoekslust en een ongebreidelde aandacht voor details. Een leger van dirigenten en orkesten zou er wat van kunnen opsteken.

Mutters optreden was een inhaalbeurt. Haar pianist Lambert Orkis had eerder dit jaar een blessure. Een andere begeleider erbij halen zou belachelijk zijn geweest. Het samenspel met Orkis, met wie Mutter dit seizoen alle Beethovens voor viool en piano uitvoert (verspreid over verschillende centra maar met een zwaartepunt in New York), is essentieel. Van een grote fonkeling, die alleen bij Mutters allerzachtste gefluister onder druk staat van een balansprobleem.

De Kreutzersonate is niet alleen een van Beethovens fraaiste worpen, maar ook een eigenaardig geval. Grootsheid en dramatiek vinden hun vervolg in een tweede deel waarvan de precieusheid, het kleine gebaar, bijna onthutst. De hupse tarantella waarmee Beethoven er een eind aan breit, kwam sowieso al uit een andere sonate. Het bijzondere van Anne-Sophie Mutter, is dat ze de Kreutzer weet te brengen als een mirakel van eenheid - wat het stuk dus ook is, zoals we eigenlijk moeten toegeven.

De conflictstof van het eerste deel mat ze volledig en zonder pardon uit. De variatieset kreeg vervolgens geen spoor van conflict opgedrongen. Wat klein was, bleef klein en precieus, maar kreeg bij Orkis en Mutter vanzelf een eigen, bijna schizofrene theatraliteit. Je hoorde een violistisch en pianistish kwijnen, schateren, koket zijn, pruilen, vals doen (bij Mutter ook letterlijk), en zeggen van: vind je me niet geweldig?

Ja dus. Losgelaten op het vroege, bescheidener opus 12 nr 1 leidde dat procédé wel tot overspanning. Tot iets wat je een hypertrofering van de expressie zou kunnen noemen, een mix van gepolijste onschuld en tot in de puntjes gecontroleerde spontaniteit. Maar dat polijsten is weer een verhaal op zichzelf. Wat Mutter op een klein beetje strijkstok aan noten durft te nemen is ongelooflijk.

Roland de Beer

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden