Achter alledaagse vriendelijkheid; KUNDERA BESCHRIJFT EEN ONRUST DIE TOT ONTREDDERING LEIDT

EEN MAN REIST zijn vrouw na, naar een badplaats aan zee. Het is zomer; de boulevards en de straten van het dorp zijn levendig....

En dus gaat hij naar dat strand, zo gauw mogelijk. Hij tast met zijn blikken de vloedlijn af. Ze zal wel dicht bij het water zijn, zijn vrouw. En inderdaad, in de verte ontwaart hij haar. Hij roept haar, maar de zeewind ridiculiseert zijn stemgeluid. Hij holt in haar richting, maar het strand is breed. Een zeilwagen op volle snelheid rijdt eveneens op haar af en de bestuurder lijkt haar niet te zien. Zijzelf hoort en ziet ook niks.

Het hart van de man gaat sneller kloppen, vanwege het hollen en de ongerustheid. Maar de zeilwagen raakt de vrouw niet en terwijl hij haar nadert ziet hij dat het zijn vrouw niet is die daar loopt. Hooguit iemand die uit de verte enigszins op haar lijkt. Zijn vrouw is alweer het dorp ingegaan, om hem te zoeken.

Het is niet veel meer dan een constatering waarmee Milan Kundera zijn nieuwste roman, L'Identité, begint: een alledaags, zij het ook zomers tafereeltje, dat hij adequaat neerzet, zo klein als het is. Het is nauwelijks een schildering te noemen, daarvoor wordt het met te veel gemak en vaart op het papier gelegd. 't Is misschien het geschreven equivalent van een aquarel, precies en gedetailleerd, maar ook vloeiend en in een keer goed van toon.

Maar uit die scène groeit de roman, groeien op een rustige, natuurlijke manier de zwammen der onzekerheid die zich achter die alledaagse vriendelijkheid kunnen uitzaaien. Onder de keurige parketvloer van een comfortabel leven en achter de gemoedelijke wandbetimmering van een nette kamer woekeren de schimmels. Wie ze niet op tijd ontdekt of gefascineerd naar hun plantaardige eigenaardigheid gaat zitten staren, constateert pas als het te laat is dat zijn zekerheden verrot zijn.

Er is de laatste tien jaar geen modieuzer begrip in het dagelijks spraakgebruik terecht gekomen dan het begrip 'identiteit': wat het is, weet inmiddels geen mens meer, nu psychologische, individuele, culturele, geslachtelijke, historische, collectieve en etnische identiteit stuk voor stuk hun eigen ruimte hebben opgeëist en naar hartelust door elkaar heen worden geroerd zodra zenuwachtige mensen hun onschendbaarheid of hun onvermogen willen benadrukken. Wie niet wil meedoen of wie geen antwoord wil geven op een indringende vraag, kan zich met gemak verstoppen achter zijn identiteit. Die schijnt je van iedere verplichting te kunnen ontslaan, zeker van intellectuele verplichtingen.

'Zich zijn verleden herinneren', schrijft Kundera in L'Identité, 'dat verleden altijd met zich meedragen, dat is misschien de noodzakelijke voorwaarde om wat men noemt zijn eigen integriteit te bewaren', waarbij dat woord 'integriteit' vermoedelijk letterlijk moet worden gelezen, als 'geheel', 'samenhang', en niet als een braaf synoniem voor een 'eerlijkheid' die dat niet is. Waar het om gaat, is dat men 'zijn herinneringen begiet, als bloemen in een pot', en dat begieten 'vereist een regelmatig contact met de getuigen van het verleden, dat wil zeggen, vrienden.'

Vrienden, geen familie. Het onderscheid wordt terloops gemaakt, maar het is alles bepalend: niet iemands opgelegde geschiedenis bepaalt wie hij is, maar iemands verkozen, iemands zelf gemaakte geschiedenis. In L'Identité zijn een man en een vrouw bezig die geschiedenis te vormen - of beter gezegd: proberen ze haar te vervormen, haar te toetsen om er hun toekomst gestalte mee te geven.

Die man heeft een beeld in zijn kop dat hem gelaten en enigszins tragisch maakt - het is het soort beeld, het soort stemming dat je moeiteloos aan Kundera's klassieke roman De ondraaglijke lichtheid van het bestaan doet denken. Misschien komt dat beeld uit zijn jeugd, uit de ontgoocheling die een verloren vriendschap met zich mee heeft gebracht. Het is het beeld dat zich aan hem opdrong toen hij zijn studie voltooide en na jaren van voorbereiding op het echte leven op de drempel daarvan was aanbeland: hij zag zichzelf de trap van een station afdalen, onderweg naar de perrons en toen hij die naderde zag hij dat er geen treinen waren. Allemaal vertrokken; hij was te laat.

Dat gevoel, het gevoel de geschiedenis, zijn leven te hebben misgelopen, maakt zijn zelfbesef uit. Het is het gevoel van totale zinloosheid, bij alle welvaart en succes die hem ten deel zijn gevallen. Ziet hij een bedelaar op straat, dan wil hij een kop koffie met hem gaan drinken om hem te vragen hoe hij in de goot is terechtgekomen. Want 'u leeft het soort leven waaraan ik slechts bij toeval ontsnapt ben'. Zijn leven, zo u wilt zijn identiteit, hij heeft er geen greep op en hij heeft er geen enkele invloed op kunnen uitoefenen. Het is contingent - en daarmee zinloos.

Zijn vrouw heeft er ook last van, van dat onbestemde onbehagen. Zij raakt uit haar doen wanneer ze vaststelt dat de mannen zich niet meer naar haar omkeren als zij langsloopt. Ze was gebaat bij hun aandacht, ze bestond vooral doordat ze door hen gezien werd.

Het ontregelt hen beiden: ze zijn niet langer wie ze dachten dat ze waren. De oplossingen die ze ervoor denken te vinden, de man voor zichzelf en voor zijn vrouw, de vrouw voor zichzelf en voor haar man, ze zijn te potsierlijk om ze hier samen te vatten. Waar het om gaat is dat de erosie in gang is gezet, de twijfel is vertwijfeling geworden. De man en de vrouw, ze proberen hun toekomst te kneden uit het materiaal van hun verleden en die onderneming leidt tot niets dan narigheid.

Kundera is daar meesterlijk in, in het beschrijven van dat vage levensgevoel en die onrust, die tot ontreddering voert. Hij komt het bijna onbenoembare en het altijd ongrijpbare op het spoor, draait er net zo lang omheen tot hij het gevangen heeft en laat het dan in al zijn demonische ontwikkeling voortgaan. Dat de ware onrust door de vraag naar de identiteit wordt bewerkstelligd, ja, dat die onrust vermoedelijk de identiteit is, doet er dan niet zoveel meer toe.

Het gaat om zijn oog voor het onbestemde dat zo alles overheersend kan worden. Het lege station of de niet meer kijkende mannen, het waren om te beginnen slechts beelden, verwachtingen. Maar het worden zekerheden, de beelden worden goden - diagnoses met een fatale voorspellende kracht. De mensen van Kundera worden de slachtoffers van hun eigen voorstellingen en de geniepige manier waarop dat in zijn werk gaat, is zijn onderwerp.

Wat dat betreft sluit L'Identité moeiteloos aan bij Kundera's vorige roman, de eerste die hij rechtstreeks in het Frans schreef, La Lenteur. Hij is de onverzettelijke en drammerige Oost-Europese analyticus aan wie het getob zozeer besteed is, en hij komt het levensgevoel van de Latino op het spoor. Zodra hij het heeft vastgesteld, laat hij dat niet meer los.

Michaël Zeeman

Milan Kundera: L'Identité.

Gallimard, import Nilsson & Lamm; 165 pagina's; ¿ 38,25.

ISBN 2 07 075194 5.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden