Absint scheurt de geest

Het is verbijsterend, voor wie erop let, hoe weinig het woordje 'dorst' voorkomt in boeken over 'drank en schrijvers'. Kennelijk is er geen schrijver die zich benevelt omdat hij zijn dorst wil lessen....

Je treft zijn naam wel vaker aan in boeken over literatuur en drank,zoals in Een vis in een fles raki, een bundel teksten over die 'subliemevluchtigheid', de roes, misschien wel de belangrijkste trek die alcohol metliteratuur gemeen heeft. Zodra Blondin begreep dat hij zijn naam alsschrijver had gevestigd met enkele schitterende romans over melancholicien alcoholisten, en vond dat zijn oeuvre groot genoeg was, hield hij op metschrijven. In de laatste twintig jaar van zijn leven - hij stierf in 1991op 69-jarige leeftijd - heeft hij geen letter meer op papier gezet. Tegendegenen die hem vroegen waarom er niets meer kwam, zei hij dat hij lieverdronk.

Die schrijvende dronkaard is ouderwets geworden, concludeerde AlexandreLacroix in zijn essay Se noyer dans l'alcool? (dat in vertaling verscheenals In drank ten onder, zonder dat vraagteken). Dronkenschap heeftblijkbaar niets geheimzinnigs meer. Beschrijvingen van de kwellende ofjuist inspirerende beneveling getuigen vooral van een nostalgischesympathie voor de uit de 19de eeuw stammende, stereotiepe verdoemdekunstenaar. Nu is ieder aan drank geofferd leven veeleer een keuze zonderperspectief; vroeger was in iedere individuele ondergang nog 'een openingnaar een esthetisch project, een mogelijkheid tot verlossing'. Schrijvendealcoholisten zijn overlevenden uit een vorige eeuw, waarinonverantwoordelijkheid en grote idealistische betogen nog een betekenishadden. Misschien daarom spreekt uit boeken over de relatie tussen deletteren en de genoegens van de drank vaak een verlangen naar het vroegereartistieke bacchantenleven.

Waarschijnlijk is er geen drank, behalve wijn dan, meer door dichtersen schrijvers bezongen dan absint. Het groene goedje was jarenlang bij wetverboden, in Nederland door de Absintwet van 1909, die pas op 7 april 2005is ingetrokken. Al enige tijd is de absint in sommige kringen een hype enmag 'het groene gevaar' - zoals de titel luidde van een in 1908 inNederland verschenen brochure - door slijterijen en cafés weer wordenverkocht. Nochtans, wist Gustave Flaubert in zijn tijd al, is absint eenultrasterk vergif. 'Eén glas en u bent dood', schreef Flaubert. 'Er zijnmeer soldaten gedood door absint, dan door de bedoeïenen.'

Absint was meer dan een bedwelming van de zinnen of het denkvermogen.Je kon er ook van gaan hallucineren. In een recent verschenen studie van765 pagina's, En mijn verrukking neemt geen end, over de roes en deliteratuur, die tot nu toe weinig aandacht heeft gekregen, onderzoekt JanGodderis hoe zo'n staat van verrukking zich in de literatuur vertaalt.Psychiater Godderis vernauwt zo'n ervaring van schrijvers niet tot eenneurobiologisch werkingsmechanisme. Hij wil zich in hoofdzaak inlaten metde vraag wat mensen, in concreto kunstenaars, zich omtrent de effecten vandrugs op hun schrijven of kunst hebben verbeeld. Hoe zijn ze door het zichberoezen 'daadwerkelijk op een radicaal ander en méér onthullend spoorterechtgekomen', op die 'opening naar een esthetisch project' waar Lacroixhet over heeft?

Met duizenden citaten in het Nederlands, Frans, Engels en Duits, metvolzinnen die maar geen eindpunt vinden, maar niettemin met scherpzinnigebespiegelingen en analyses gaat Godderis in de geschriften van Baudelaire,Rimbaud, De Quincey, Gautier, Artaud, Huxley, Jünger, Ginsberg, Burroughsen vooral Michaux op zoek naar de kern van de roes en de creativiteit.

Henri Michaux, luidt het in het slothoofdstuk van En mijn verrukkingneemt geen end (naar A. Roland Holst), zocht met diverse roesmiddelen naarmogelijkheden om zijn verbeeldingskracht via een beredeneerde prikkelingvan zijn zintuigen en geest op te wekken. Dat klinkt heel anders dan in deteksten van door absint of andere psychotrope middelen doordrenkte enversufte kunstenaarsgeesten. Zijn benadering van 'de diepste roerselen van's mensens geest had weinig of niks te maken met navelstarende ofnarcistische introspectie'. Michaux doorzocht de duistere coulissen enspelonken van de geest.

De absint leidde bij veel schrijvers tot heftig taalgebruik en gedurfdeassociaties. In De gifgroene muze - Absint in de literatuur hebben dichterMeindert Burger en Ike Cialona, die Ariosto en Dante heeft vertaald, eenaantal gedichten en teksten verzameld over 'de betovering van degroenachtige muze'. In de tijd van de bohème raakten steeds meerkunstenaars, dichters en schrijvers in de ban van de 'fée verte'. AlfredJarry hield zich met absint (en zelfs met ether als hij krap bij kas zat)in een permanente staat van dronkenschap. Veel poëzie van de decadentenwas in alcohol gedrenkt, in dat modieuze aperitiefje. Voor Toulouse-Lautrecwas absint zijn 'groene gezellin'; hij had altijd een half litertje en eenglaasje bij zich, verstopt in zijn holle wandelstok. En kunstcriticusThéodore Pelloquet kreeg op zijn sterfbed nog aaaabsint uit zijnstrot; men dacht dat hij naar de absolutie verlangde.

De gifgroene muze is echter geen anekdotenboek maar een bloemlezing. Desamenstellers kozen teksten van de zich altijd schofterig gedragende poètemaudit Rimbaud, van Verlaine die absint een groene heks vond maar zich erwel aan laafde ('Welke imbeciel heeft haar toch uitvergroot tot fee, totgroene muze?'), van Baudelaire (die de roes die de 'verheerlijkte groente'opwekte, als een puur kunstmatig gebeuren beschouwde), van Strindberg,Artaud, Gorter en Slauerhoff.

Er staat maar een enkele tekst van een nog levende schrijver in, hetgedicht 'De blauwe postbode' van Benno Barnard over het beroemde schilderijvan Van Gogh. Nochtans verscheen enkele jaren geleden een heel mooi boekje,Absint, van de jonge en succesvolle Franse schrijver Christophe Bataille,dat ook in het Nederlands is vertaald. Wat de bloemlezing ontbeert is diemerkwaardige geschiedenis van de absint. Het is het verhaal van eenjongetje dat tijdens de Frans-Duitse oorlog in 1871 in Pontarlier, hetcentrum van de absint, op zoek gaat naar het geheim van die groenkleurigetoverdrank.

Ofwel gaat het over de aanstekelijke muze, of over de geschiedenis ende herontdekking van absint en andere spiritualiën, zoals in Petit traitéde l'absinthe - Le mythe ressuscité (2003) van Marie-Claude Delahaye ofLe vin des écrivains (1999) van Jean-Noël Mouret. Of over drankmisbruikzoals in Een vis in een fles raki van de Leidse faculteit der letteren,waarin romans van Boudewijn Büch en Herman Brusselmans (ergens staat'Marcel Brusselmans') worden geanalyseerd.

Allemaal interessant, maar eigenlijk moet de vraag worden gesteld of derol van de schrijvende alcoholicus - van een Michel Houellebecq - in onzetijd is uitgespeeld. Is die dronkaard wel zo ouderwets?

Volgens Frans-Willem Korsten in die Leidse bundel is het fiasco datvoornoemde Lacroix postuleerde, 'een gevolg van het feit dat hij dehistorische avantgarde ziet als de laatste kritische beweging en hetgebruik van drank daarbinnen als opening naar een esthetisch project'.

Misschien is die wereld van De gifgroene muze, waarin naar het woord vanRimbaud 'de absint de geest scheurt', dan toch enigszins vergelijkbaar metde huidige cynische carrousel van seks, drugs and rock-'n-roll.

Zulke verrukkingen nemen nog steeds 'geen end'. De roes, zei de dichter,is 'het delicaatste en meest trillende kledingstuk'. Dat kun je niet zomaaraan- en uittrekken.

Het bange wachten is nu op een publicatie van Ad Verkuijlen, Debenevelde rede - Filosofie van de drank (bij uitgeverij Ten Have), metantwoorden van voor- en tegenstanders op die prangende vraag (is de rol vande schrijvende alcoholicus uitgespeeld?), antwoorden van nuchteremoralisten, filosofen en neurobiologen.

Paul Depondt

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.