Aanval op de natiestaat

De miserie van het supranationale

Afgelopen donderdag promoveerde Thierry Baudet (1983) op de Engelse versie van De aanval op de natiestaat. Het boek begint met een schets van de staatsopvattingen door de eeuwen heen, van het soevereiniteitsbeginsel en van de verschillende opvattingen over de natie. De grove kwast waarmee Baudet schildert, schiet soms uit - zo schetst hij een verkeerd beeld van hoe Marx en Engels over de natie dachten - maar zijn stellingen zijn duidelijk.

1. Democratie en rechtsstaat zijn nauw met elkaar verbonden en zij vereisen een politieke gemeenschap die zich op een bepaald territorium heeft gevestigd.

2. Internationale organisaties en rechtbanken wier besluiten niet onderworpen zijn aan de goedkeuring van soevereine staten, ondergraven die nationale soevereiniteit en daarmee het democratische proces en de rechtstatelijke beginselen.

3. Alle vormen van multiculturalisme die parallelle rechtssystemen faciliteren, vormen een inbreuk op de rechtsgelijkheid van burgers en daarmee op de rechtsstaat.

Baudets opvattingen zijn sterk geïnspireerd door de Franse Revolutie. 'Wat is de Derde Stand? NIETS! Wat wil zij worden? ALLES!' Zo formuleerde Abbé Sieyès de aspiraties van de Franse Revolutie, die niets minder eiste dan dat de staatssoevereiniteit die door de Bourbons in een langdurige strijd tegen de landadel was afgedwongen, een volkssoevereiniteit zou worden. Niet God of de Monarch, maar het Volk moest de legitimatie vormen van politiek gezag.

De bestuurlijke centralisatie die vanaf Lodewijk XIV in Frankrijk had plaatsgevonden, zou na 1789 worden voortgezet. De revolutionairen meenden dat de natie één en ondeelbaar moest zijn. De vorming van een politieke gemeenschap van burgers betekende dat alle groepsrechten en standsprivileges werden afgeschaft.

Aan die revolutionaire wordingsgeschiedenis heeft de Franse republiek een diep wantrouwen overgehouden tegen alle vormen van religieuze, regionale en etnische identiteiten. Maar ook supranationale besluitvorming stond in een kwade reuk: die werd geassocieerd met de katholieke kerk die vanuit Rome geleid werd en met de bovennationale vervlechting van de Europese adel.

Beroemd is de uitspraak van Rousseau over het aristocratische kosmopolitisme: 'Deze heren pretenderen van iedereen te houden om een voorwendsel te hebben om van niemand te houden.' Het democratisch internationalisme zou gebaseerd moeten zijn op een vrijwillige samenwerking tussen gelijkwaardige natiestaten. De internationale handel tussen die vrije en democratische staten zou er dan voor zorgen dat de welvaart in alle landen zou toenemen en de rijkdom beter zou worden verdeeld. Dat optimisme werd in 1848 nog door Marx en Engels gedeeld. In het Communistisch Manifest schreven zij: 'Nationale verschillen en tegenstellingen tussen de volkeren worden met de dag minder, dankzij de ontwikkeling van de bourgeoisie, de vrijhandel, de wereldmarkt en de convergentie in productiewijze en levensomstandigheden.'

Dat vroege 19de-eeuwse internationalisme, die harmonieuze wereld van democratische natiestaten, wil Baudet verdedigen tegenover de aanspraken van Europees supranationalisme en tegenover een andere utopie: het wereldburgerschap. Hij richt zijn pijlen daarom op internationale rechtbanken die volgens hem in een juridisch vacuüm opereren en op internationale organisaties die het ontbreekt aan democratische legitimiteit. Anders dan in het volkenrecht, dat immers de wereld van soevereine staten tot uitgangspunt neemt, heeft het internationale strafrecht de neiging om de nationale soevereiniteit te ondergraven.

Het Internationaal Strafhof berecht individuen los van de nationale rechtsstelsels. Nu gaat het daarbij alleen om zeer zware misdaden (genocide, misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en 'de misdaad van agressie'), maar die zijn volgens Baudet niet of slecht gedefinieerd, waardoor de interpretatie ervan geheel afhankelijk is van de

rechters.

'Wie zijn deze mensen?', vraagt Baudet zich retorisch af. 'Wat zijn hun opvattingen, wat is hun achtergrond, waar liggen hun loyaliteiten? Zijn ze chantabel, zijn ze prowesters? Hoe denken ze over preventieve zelfverdediging, over terrorismebestrijding, over veiligheidsproblematiek in het Midden-Oosten? Wat zijn hun financiële, hun emotionele en hun ideologische belangen? De supranationale structuur maakt het bijzonder moeilijk om de antwoorden op dit soort vragen te achterhalen, en al helemaal om deze mensen uit hun functie te zetten als die antwoorden ons niet zouden bevallen.'

Het zijn legitieme vragen die Baudet hier stelt, maar men kan die vragen ook stellen ten aanzien van nationale rechters. Sterker nog: zij worden al gesteld, bijvoorbeeld door Geert Wilders. Ook op nationaal niveau zijn die vragen moeilijk te beantwoorden en het is nog moeilijker rechters uit hun functie te zetten als de antwoorden ons niet bevallen. Gelukkig maar.

Baudet analyseert ook de richtlijnen voor het selecteren van rechters. Hij constateert dat sommige richtlijnen dubieus zijn, met name de richtlijn die stelt dat 'de voornaamste rechtsstelsels ter wereld' vertegenwoordigd moeten zijn. Want betekent dat niet, schrijft Baudet, dat er in elk geval een aantal rechters moet zijn uit landen die het shariarecht toepassen? En bieden 'evenwichtige geografische spreiding' en 'evenwichtige verdeling tussen mannelijke en vrouwelijke rechters' een rechtsgrondslag voor positieve discriminatie? Baudet vindt dit 'verontrustende overwegingen'.

Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gaat onder het mes. Baudet laat zien dat die mensenrechten in het Europees Hof een steeds ruimere interpretatie dreigen te krijgen. Het Hof heeft zich zelfs al gebogen over de maximumsnelheid. Op dezelfde wijze fileert Baudet het gebrek aan democratische verantwoording bij de Wereldhandelsorganisatie, de Veiligheidsraad en de Europese instellingen.

Thierry Baudet heeft een brisant boek geschreven dat menig hoogleraar internationaal recht zal doen kokhalzen. Aan durf ontbreekt het hem niet. Aan kritiek zal het hem ook niet ontbreken en die kritiek zal soms ook terecht zijn want een pietje precies is Thierry Baudet niet. Het aantal onzorgvuldige verwijzingen is legio (voor de officiële doelstelling van de Europese Unie wordt verwezen naar een boek van Karl Jaspers uit 1969!).

Mijn belangrijkste bezwaar is de kunstmatige scheiding tussen internationalisme (goed) en supranationalisme (slecht) en de suggestie dat de Verenigde Staten van Europa zich niet zouden kunnen constitueren omdat er geen Europese identiteit zou bestaan.

Henri Baudet, grootvader van Thierry, publiceerde in 1959 een prachtig essay onder de titel Het paradijs op aarde - Gedachten over de verhouding van de europese tot de buiten-europese mens. De Europese mens wordt volgens Henri Baudet gekenmerkt door zijn permanente zoektocht naar het paradijs op aarde, waarin hij ook nobele wilden hoopt aan te treffen.

Die nobele wilde had in de middeleeuwse literatuur de gedaante aangenomen van de goede Ethiopiër, hij zou in de 16de en 17de eeuw de gedaante aannemen van de goede Indiaan en in de 18de en 19de eeuw die van de nobele oosterling. Het cultuurrelativisme waarvan Thierry Baudet gruwt, is volgens zijn grootvader een onlosmakelijk deel van de Europese cultuur.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden