Aantrekkelijke verhalen over herkomst van geluk

Non-fictie De psychoanalyse mag verguisd zijn, de schrijvende Britse psychoanalyticus Adam Phillips viert grote successen. In ‘On Balance’ buigt hij zich over eten, seks, religie en andere zaken die ons aan het wankelen brengen....

In een van de mooiste gedichten van de Tsjechische schrijver en immunoloog Miroslav Holub (1923-1998) stuurt een luitenant zijn mannen in de Alpen op een verkenningsmissie. Het begint te sneeuwen, het begint harder te sneeuwen, het wordt een sneeuwstorm. Na twee dagen zijn de mannen nog niet terug. De luitenant begraaft het hoofd in de handen: hij heeft de mannen de dood ingestuurd. Op de derde dag keren ze levend terug. Waar zaten jullie? We waren verdwaald, zeggen ze, we voelden de dood naderen. Maar toen ontdekten we dat een van ons een kaart had. Toen het stopte met sneeuwen, vonden we moeiteloos onze weg terug. De luitenant bekijkt de kaart: die is niet van de Alpen, maar van de Pyreneeën.

De poëzie is de voorloper van de psychoanalyse, wist Freud. In On Balance van de Britse psychoanalyticus Adam Phillips fungeert Holubs gedicht als leidraad in een hoofdstuk over onze omgang met verloren zijn.

Phillips (1954), in eigen land tegenwoordig een beroemdheid, verklaart psychoanalytische werken nooit anders te hebben gelezen dan als poëzie. Hij had al een letterenstudie in Oxford achter de rug toen hij de poëtische schoonheid en diepte van Freud, Jung, Lacan en de anderen ontdekte en besloot dat hier zijn bestemming lag. De psychoanalyse was toen al verguisd: charlatanerie, niet wetenschappelijke wetenschap. Echter, de psychoanalyse ‘heeft ons heel wat te bieden als we haar in plaats van als wetenschap gaan zien als een reeks aantrekkelijke verhalen over de herkomst van ons ongeluk’. Graag mag hij de psychoanalyse ook vergelijken met muziek: It is only ever as good as it sounds.

Phillips is voldoende bij zinnen om te beseffen dat bestrijders van zijn branche het gedicht van Holub in On Balance als munitie annexeren: die Pyreneeënkaart van de Alpen, kunnen ze zeggen, is precies de psychoanalyse: als het werkt, komt dat doordat het verkeerde voor het goede wordt aangezien – het is de genezende kracht van het veertje in de slurf van Dumbo. Voor de wetenschappelijke bestrijders van Freud cum suis is Phillips een pain in the ass, een term in Groot-Brittannië letterlijk voor hem is gebruikt. Hebben ze de psychoanalyse eindelijk als wetenschappelijk ondeugdelijk naar de vuilnisbelt van de geschiedenis afgevoerd en overheden (zoals bekend ook de Nederlandse) zo ver gekregen behandelingen niet meer te vergoeden, staat er een prachtige schrijvende psychoanalyticus op wiens boeken grif aftrek vinden, die niet ‘gepakt’ kan worden op wetenschappelijke pretenties en die lof krijgt toegezwaaid van de allergrootsten.

Filosoof Alain de Botton heeft bekend dat Phillips de enige schrijver is aan wie hij uit bewondering een brief heeft gestuurd. John Banville noemt Phillips ‘een van de beste stilisten die in onze taal aan het werk zijn’. Het leidt naar de vraag waar het succes vandaan komt. Laten lezers zich meeslepen door een groot schrijver of door een Freudiaan zonder Freudiaanse pretenties?

Je kunt het poëzie noemen in plaats van wetenschap, de branche werd beroemd en berucht met graafwerk naar diepere oorzaken van wat aan de oppervlakte problematisch is – met zoektochten naar wat verhuld, vermomd, verdrongen of verplaatst is. In On Balance laat Phillips de oude graafmachine wroeten in heel verschillende bodems.

Het meest zoekt hij naar wat mensen het meest uit hun evenwicht kan halen, het exces. Niets vertelt ons meer over onszelf dan onze excessen en onze reacties op die van anderen, schrijft deze dokter. ‘Vertel me welke excessen u fascineren en welke uw weerzin wekken en ik vertel u wie u bent.’ Onze omgang met voedsel fungeert – haast logisch, zou je zeggen – als vertrekpunt. Hoe komt het dat mensen buitensporig veel of buitensporig weinig eten? Een beetje te veel of te weinig eetlust? Het kan, zegt Phillips, maar verrassend vaak zit er meer achter. In zijn tijd als kinderpsychiater behandelde hij een jongetje dat steevast weigerde zijn bord volledig leeg te eten, tot Phillips hem hoorde vertellen dat eating everything gelijk stond aan losing mama. De verlatingsangst in de kleren van het exces. Op dezelfde manier ‘hoor je mensen over pornografie praten terwijl ze het over hun angsten hebben’.

Via voedsel beland je zo bij seks. Een verschil tussen eten en seks is dat het bevredigen van onze seksuele verlangens die o zo moeilijke en o zo beangstigende relaties met andere mensen vereist. Het gevolg is dat het exces zich vaak naar onze fantasieën verplaatst. Die kunnen vervolgens de normaliteit degraderen tot schraal en teleurstellend. Anna Freud formuleerde het als volgt: ‘In onze dromen kunnen we onze eieren precies zo koken als we willen, maar we kunnen ze niet eten.’ ‘Onze fantasieën zouden wel eens kunnen onthullen dat we niet buitensporig seksueel, maar buitensporig bang zijn van andere mensen’, zegt Phillips.

Evengoed is het zo dat mensen die zich te buiten gaan aan seksuele excessen vaak te kort schieten in hun zorg van anderen. Maar laten we morele veroordelingen zorgvuldig hanteren: ‘Als het op het seksuele exces aankomt, weten we meestal niet zo zeker of onze moraliteit de aankleding is van onze jaloezie, of een rationalisatie van onze angsten.’

Phillips is dan aangeland bij een groot thema van het begin van de 21ste eeuw: het religieuze of quasireligieuze exces. Aan God kunnen mensen die excessen delegeren die hen het meest pijnigen. ‘God draagt dan dat deel van ons dat teveel voor ons is, dat eindeloos veeleisend is, dat wil dat we beter zijn dan we zijn, dat, kortom, excessief moralistisch is.’ Maar fascinerender dan de vraag hoe mensen tot God komen, vindt hij de vraag hoe mensen tot een geloof komen: how someone comes to believe something is more revealing than what they believe. Een radicaal geloof in iets gaat gepaard aan een radicaal ongeloof in iets anders. En in het radicaal verwerpen herkennen we, ook als we niet precies weten wat verworpen wordt, de tekenen van innerlijk conflict.

De problematische categorie gelovigen is ‘die welke geen respect hebben voor ons respect voor hen’. Het religieuze, quasireligieuze of anti-religieuze (wetenschappelijke of atheïstische) exces kan een gevolg zijn van grote twijfel: als ik niet laat zien dat ik hartstochtelijk geloof onthul ik mijn verwarring. Het kan voortvloeien uit een behoefte aan de rest van de wereld te overtuigen: als ik mijn geloof niet buitensporig uit, blijft wat het allerbelangrijkste voor mij is onopgemerkt.

Maar er is nog een derde mogelijkheid die voor de psychoanalyticus interessant is: dat de fanatieke gelovige iemand is voor wie iets in hemzelf of in zijn leven op kwellende wijze ondraaglijk is, en die aan dat ondraaglijke probeert te ontsnappen door buitensporig te zijn.

‘Waar en wanneer de buitensporigheid zich ook in ons leven manifesteert – het is een gevolg van een ons nog onbekende vorm van verstoken-zijn. Fanatici zijn mensen die te lang hebben moeten wachten op iets wat weleens niet zou kunnen bestaan. En waar een buitensporige frustratie is, is altijd een valse oplossing.’

Beter is het te leren leven met een zekere onvermijdelijkheid van frustraties. Daarvoor liggen patiënten bij hem op de sofa. ‘Verschillende mensen hebben in verschillende tijden op verschillende manieren gezegd dat het werkelijk waardevolle van de psychoanalyse besloten ligt in het feit dat het de enig overgebleven plek in onze cultuur is waar je hartgrondig ongelukkig kunt zijn, en waar je ook als hartgrondig ongelukkig gezien mag worden.’

Het is, stelt Phillips, niet toevallig dat opkomst van de psychoanalyse samenviel met die van nazisme en communisme: de twijfel, de innerlijke spanning en de onbekende diepe oorzaken tegenover de zekerheid, de eenvoudige verklaring en de duidelijke weg: zo zit het.

Phillips’ eigen familie is van die geschiedenis van de eerste helft van de 20ste eeuw een product. Zijn Joodse grootouders vluchtten uit Polen naar Engeland, een paar jaar voordat Sigmund Freud zelf uit Wenen naar Londen moest verkassen vanwege de nazi’s.

Phillips schetst de laat-Freudiaanse kaart van de psyche. Daarin staat een ‘Boven-ik’, dat onze hoogstaande principes en idealen omvat, tegenover de driften en behoeften van het hedonistische ‘Id’ staan (het ‘carnavalsdeel’ van Freudiaanse persoonlijkheid) . Het ‘Ik’ schippert gekweld tussen het Boven-Ik en het Id heen en weer. Het succes van nazistische, communistische, populistische, nationalistische of religieuze politieke leiders, wist Freud, ligt besloten in het opheffen van de spanning tussen Boven-Ik en Id: mensen mogen hun driften uitleven in naam van een hoger ideaal: de raszuivere samenleving, het communistische paradijs, de trots van het volk, het ware geloof, de bevrijding van Jeruzalem.

Als je het zo bekijkt is het niet zo gek dat in latere jaren verguisde Freudiaanse ‘ik’ een beetje te koesteren: het is als enige stuk van de persoonlijkheid in staat tot reflectie. En reflecteren is meestal het begin van temperen. Phillips schrijft het, met een voorbehoud, een techniek die zijn tegenstanders ‘flirten met Freud’ noemen. Iemand die zo mooi, zo uitgebreid en met zoveel respect over Freud schrijft, kan niet anders dan veel in zijn ideeën zien. Phillips’ aartsvijand en Freud-bestrijder Richard Webster (bekend van het boek Why Freud Was Wrong) formuleerde het als volgt.

In het literaire universum van Phillips zit Freud net zo op de troon als in de hoogtijdagen van het koninkrijk der psychoanalyse. Maar als Phillips terugkeert naar de gewone wereld, dan doet hij Freuds kroon af en toont hij zijn lidmaatschapsbewijs van het republikeins genootschap.

Adam Phillips vond het zelf ook een prachtige vergelijking. Het is Webster cum suis nog niet gelukt lezers bij hem weg te houden. Dat is ook lastig bij een auteur die zinnen neerpent als: ‘There are the voices we have to deal with the fundamentalists in ourselves; and there are the voices that are not fundamentalist. This may be a distinction that psychoanalysis, as a listering cure, can help us with.’

Het zou kunnen; stel dat; soms; misschien; wie weet – in dit oeuvre zijn veiligheidsgordels aangebracht. De auteur tekent voor ons fraaie plattegronden. Maar in tegenstelling tot aartsvaders van de psychoanalyse hoor je hem niet beweren dat dit dé plattegronden zijn. Na het lezen van On Balance weet je wel dat zomaar een plattegrond soms wat vermag.

In On Balance gaan flink wat deuren van het slot. Of het de goede zijn weten we niet, maar het is verdomd interessant te kijken wat erachter verscholen ligt.

Olaf Tempelman

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden