Aanstekelijk surrealisme: grillen, toeval en toegewijde obsessie

Opvallend, en nu te zien in Rotterdam: hoe het surrealisme niet alleen door kunstenaars werd bepaald, maar ook door enkele hartstochtelijke verzamelaars.

Beeld RV - Museum Boijmans van Beuningen

Het is niet zomaar een stel schemerlampen, dat in Museum Boijmans Van Beuningen staat te schijnen. Hun standaard bestaat uit tien gestapelde champagnebokalen, waarin de bubbels kunnen stromen. Kijk ernaar en laat die verbeelding maar eens op gang komen. Hoor de geluiden in de kamer, het getinkel van glazen, het geruis van kleding en af een toe een klaterlach.

Deze lampen, tachtig jaar geleden ontworpen door Salvador Dalí en tot nu toe nooit van hun plaats geweest in het Engelse Monkton House, hebben alles gezien. Laat op de avond vulden die kelken zich dan met sigaretten, uitgedrukt uit lange pijpjes. Het werd meestal een bende; zo'n bende dat de eigenaar, de puissant rijke ondernemerszoon Edward James (1907-1984), op een van de bokalen metalen geultjes liet monteren als richtingaanwijzer - híér dan met die peuken.

De Engelse en Franse artistieke beau monde drapeerde zich ernaast, op de sofa in de vorm van de lippen van filmster Mae West, of in een stoel met uitgestrekte armpjes als rugleuning, speelde wat met de kreeft-die-ook-telefoon was of besteeg de trappen, bekleed met tapijt met ingeweven pootafdrukken van de Ierse wolfshonden des huizes. En wie omviel, landde altijd zacht: het hele huis was gecapitonneerd, als de binnenkant van een enorme juwelenkist.

René Magritte, La reproduction interdite (verboden af te beelden), 1937. Beeld RV - Museum Boijmans van Beuningen

Kennismaking

Het surrealisme, welke kunstliefde is er niet mee begonnen? De druipende horloges van Dalí (1904-1989) of Ceci n'est pas une pipe van Magritte (1898-1967); voor velen is het de eerste kennismaking geweest met een wereld die er logisch uitziet maar alles op zijn kop zet. Ook ik keek gretig naar die schilderijen, foto's en knotsgekke objecten die zo veel meer boden dan het uitzicht in de nieuwbouwwijk. Die liefde bekoelde ook weer, er was meer te ontdekken en wat waren die voormannen van het surrealisme eigenlijk seksistische macho's.

Allemaal waar, maar de kunst mist zijn uitwerking weer niet, blijkt in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Daar opent morgen de grote voorjaartentoonstelling Gek van surrealisme. Driehonderd bekende en onbekende stukken, documenten, meubels en parafernalia uit de wonderlijke kunststroming die ontstond in de Europese snelkookpan tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog, gekruid door de psycho-analyse van Sigmund Freud.

Aanvankelijk betrof het vooral een literaire beweging, onder aanvoering van de Franse dichter-potentaat André Breton. Maar al snel sloegen de ideeën over naar de beeldende kunst en voor sommigen ook naar het hele leven. Een geschiedenis van grillen, toeval en toegewijde obsessie van mensen voor én achter de schermen. Dat vertelt de tentoonstelling niet van a naar b, maar via vier regelrechte liefdesverklaringen.

En dat werkt.

In het kort: er is werk bij elkaar gebracht uit vier verzamelingen, waarvan een groot deel over de wereld verspreid was geraakt. Een enorme klus. Die vier, prachtig gegroepeerd rond een ovalen 'kern' die in de Bodon-zaal is ingebouwd (waarin acht surrealistische thema's worden uitgelicht) hebben elk hun eigen insteek.

Die van de Britse Gabriëlle Keiller (1908-1995) kent veel kleine, intieme collages en voorwerpen en vooral veel bibliofiele uitgaven: hier is goed te zien hoe het surrealisme als literaire beweging begon en eigenlijk nooit ophield. Prachtige boekjes en eerste drukken liggen er, van het eerste Surrealistische Manifest en een dichtbundel van Tristan Tzara met houtsneden van Jean (Hans) Arp, tot een lidmaatschapskaart op het tijdschrift Cannibale. Alles ademt hier de hartstocht van de late bekeerling (Keiller begon te verzamelen na een golfcarrière), die zoekt en vlooit in het spoor van een beweging.

Een zaal verderop staat werk dat ooit werd gekocht door een intieme vriend van de surrealisten, Roland Penrose (1900-1984), die bijna per ongeluk een grote collectie verwierf (hij erfde een fortuin en kreeg op dat moment het aanbod twee collecties over te nemen) en later een museum oprichtte.

Max Ernst: Zonder titel, 1934, Scottish Gallery of Modern art.

Lee Miller

Hij leefde met en tussen de kunst en trouwde de mooiste muze van de surrealisten: fotografe en fotomodel Lee Miller. Én hij organiseerde mede de allereerste internationale surrealistische tentoonstelling in Londen, goed voor de beste anekdote, die over Salvador Dalí die op de opening in loodzwaar duikerspak verscheen en dreigde te stikken in zijn dichtgeschroefde helm. Een biljartkeu bood redding.

Het Duitse echtpaar Ulla en Heiner Pietzsche, nu krasse tachtigers, verzamelde op afstand en met beleid. Hun collectie is opgebouwd vanuit de psycho-analytische basis uit het gedachtengoed van Freud en trekt een lijn naar de Amerikaanse abstract-expressionisten. Dat is duur verzamelen volgens het boekje, met sleutelwerken van onder anderen Max Ernst, gekocht op het moment dat de waarde daarvan al bekend was.

En je hebt Edward James. Die van de lampen. 'The last of the great eccentrics' wordt hij genoemd in een documentaire uit 1978, The Secret Life of Edward James - heerlijk decadente kost en gemakkelijk online te vinden. Wil je voelen hoe een mens door kunst wordt gegrepen, kijk dan hier.

Pitte dame

In 2014 overleed de conservator van het museum die verantwoordelijk is geweest voor de grote collectie surrealistische kunst: Renilde Hammacher. Een jaar voor ze stierf legde de fragiele maar kraakheldere dame (toen 100 jaar) aan de tafel van De Wereld Draait Door omstandig uit waarom zij de surrealisten in Rotterdam wilde hebben. Geen enkel ander Nederlands museum had er belangstelling voor, dus daar was een gat. Maar vooral had zij er, als Belgische, gewoon ook meer mee dan die rechtlijnige Nederlanders met hun modernisme. Ze begon in 1969 te bemiddelen en schreed in 1970 naast Salvador Dalí zijn eerste overzichtstentoonstelling in Nederland binnen: 200 duizend bezoekers, doorslaand succes. Hammacher kon twee Dalí's aankopen en regelde belangrijke bruiklenen van de verzamelaar Edward James en zijn stichting. Toen die in 1977 in geldnood raakten, sloeg het museum toe en kocht wat nu de basis is van de collectie surrealistische kunst.

'Uw schilderijen hebben op mijn bal voor een absolute sensatie gezorgd. Die avond heeft La Jeunesse Illustrée de Britse jeugd in groten getale tot het surrealisme bekeerd', schrijft James in 1937 aan de Belgische schilder René Magritte. De brief ligt in een vitrine. Het schilderij hangt er ook, een groot doek met veel lucht boven een landweggetje waar achtereenvolgens een wijnvat, een vrouwenbuste, een liggende leeuw, een biljarttafel, een tuba en nog zo wat zijn opgesteld. Een beetje een flauwe Magritte eerlijk gezegd, moeilijk voor te stellen dat de Britse jeugd alleen hiervan buiten adem raakte. Maar Edward James zorgde voor maximaal effect. Hij had tijdens een feest de nieuwe schilderijen achter spiegels laten hangen die doorzichtig werden als het licht erachter aanfloepte. 'Oh' en 'ah'.

Die lust tot ensceneren zat in alles wat hij deed, van het inrichten van zijn huizen tot het inpakken van zijn vrienden. Op zijn 25ste erfde hij, zoon van een spoorwegmagnaat en vermeende bastaardkleinzoon van Edward VII, een fortuin; hij kon zijn leven vullen met dichten, uitgeven en kunstenaars ondersteunen. Hij probeerde zijn ongelukkige huwelijk met danseres Tilly Losch te redden door een serie peperdure balletten rond haar te organiseren (de balletten kwamen er, maar de vrouw bleef weg) .

In de jaren dertig veroverde hij met meer succes Salvador Dalí en diens vrouw Gala. Ze waren bevriend geraakt, verbleven veel in elkaars huizen en soms bedden. De twee schilderijen Couples aux têtes plein de nuages (1936), topstukken van het Boijmans, zijn in feite dit trio. Een man en een vrouw (de schilderijen zijn in de vorm van menselijke silhouetten gemaakt), hun hoofd vol wolken en hun lijf vol landschap, zouden Salvador en Gala kunnen zijn, maar net zo goed Salvador en Edward James.

Leonor Fini: Due Donne, (twee vrouwen), 1939. Beeld Collectie Ulla & Heiner Pietzsch

In 1937 deed James iets opmerkelijks: hij nam Dalí voor een jaar 'in dienst' en zou zijn gehele productie kopen. Nog opmerkelijker is dat Dalí dan grote artistieke stappen zet. Op voorstel van James laat hij de beroemde sofa in de vorm van Mae Wests lippen niet alleen als schilderij bestaan, maar ook in het echt uitvoeren. Ook bestelt James een serie telefoons met een kreeft op de hoorn gemonteerd - het zijn iconen van het surrealisme en de aanzet tot een eindeloze stroom assemblages van objecten, ook door andere kunstenaars. Conservator Saskia van Kampen-Prein denkt dat zonder James het surrealisme misschien de overstap van doek naar de 'echte' wereld van de dingen nooit had gemaakt - ja, wie weet.

De tengere Edward James wordt mecenas en muze tegelijk; hij verschijnt op foto's van Man Ray en op een van de beste schilderijen in het oeuvre van René Magritte, die hij ook ondersteunde. Wil je aan een kind uitleggen wat het surrealisme is, pak dan Reproduction Interdite (Verboden te reproduceren) (1937) erbij. Een jongeman, op de rug gezien, staat voor een spiegel boven de schouw, alleen zien we niet zijn gezicht, maar nogmaals zijn achterkant in de spiegel. Het beeld klapt voortdurend heen en weer tussen spiegel en onheilspellende doorkijk, waar zomaar een dubbelganger verschijnt - hij die zich niet laat reproduceren.

Meer dan muze alleen

Vrouwen mochten muze zijn en niet veel meer, bij de surrealisten. Het frustreerde kunstenaars als Meret Oppenheim en Lee Miller, die hun eigen weg gingen. Deze tentoonstelling wil dat bijsturen met een bijzondere selectie schilderijen van Leonora Carrington (foto links), Leonor Fini (midden) en Dorothea Tanning (rechts), verzameld door de excentrieke Edward James. Wel gemaakt in de late jaren veertig, toen het surrealisme al voorbij was. Let's face it: het was een macho-beweging.

In en na de Tweede Wereldoorlog verwijdert James zich van de kunstenaars, maar niet van het gedachtengoed. Hij koopt een stuk land in de Mexicaanse jungle - de locatie wordt hem ingegeven door een surrealistische verschijning van een man bedekt met blauwe vlinders - en sticht daar een nieuwe Hof van Eden: ruim 30 hectare jungle met de meest fantastische betonnen bouwsels. Trappen naar niets en nergens, torens, bloemvormige zuilen, gebouwen met meerdere open verdiepingen, bontgekleurde paviljoens. Tot in de jaren tachtig waren er soms meer dan veertig werknemers tegelijk aan het werk en het geheel koste meer dan 5 miljoen dollar. Om het te kunnen financieren, verkocht Edward James (en later zijn stichting) zijn fantastische collectie kunstwerken.

Boijmans Van Beuningen sloeg zijn slag, kocht stukken aan die niet meer zijn weg te denken uit het museum en laat sindsdien vrijwel jaarlijks de surrealistische rokken ruisen, in grote en kleine presentaties. Dat daarachter een man schuilging (met diepe zakken, ja dat ook) die op een alles-sturende, rede en ratio overstijgende manier van deze kunst hield, is bepaald aanstekelijk.

Gek van Surrealisme

Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, 11/2 t/m 28/5.

Salvador Dalí, Couple aux têtes pleines de nuages (Paar met het hoofd vol wolken). Beeld Museum Boijmans van Beuningen
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden