Aan het hof van koning Rupert

IN DE INTERNATIONALE roofdierengalerij van mediamagnaten geldt Rupert Murdoch nog altijd als de erehyena...

Gemeten naar het aantal kranten dat hij zijn eigendom mag noemen, is hij niet eens de grootste: met ruim 240 titels is de Canadees Conrad Black hem nog de baas. Maar niemand van zijn concurrenten evenaart zijn totale oplagecijfer van zestig miljoen exemplaren per week, en niemand kan tippen aan zijn geografische spreiding. Hij bezit kwaliteitsbladen in het Verenigd Koninkrijk (The Times, The Sunday Times), in Australië (The Australian) en Zuidoost-Azië (The South China Morning Post), bovendien de vijf grootste tabloids van Londen, Boston en Sydney, en daarnaast nog wat bescheidener drukwerk in onder andere Tasmanië, de Fiji-eilanden, Oost-Nieuw-Guinea en Hongarije. Gezwegen van zijn aanzienlijke belangen in diverse televisiestations waaronder Sky, in uitgeverijen en in filmstudio's. Nicholas Coleridge, die een paar jaar geleden in Paper Tigers de Top-20 van informatie-tycoons portretteerde, rekende uit dat Murdoch nooit langer dan een uur hoeft te vliegen om een van zijn kantoren te bereiken.

Een machtig iemand, dus niet alom geliefd.

'Geen enkele zichzelf respecterende dooie vis', schreef een columnist uit Chicago wiens Sun-Times zojuist was opgekocht, 'zou willen worden ingepakt in een krant van Murdoch.' Toen het overnamelot ook voor The Observer dreigde, verzuchtte een daar geëmployeerde Australische redacteur: 'Murdoch was nota bene de voornaamste reden waarom ik Australië ben ontvlucht', om daar nog aan toe te voegen: 'The Observer weggeven aan Murdoch, dat is zoiets als je mooiste dochter uithuwelijken aan een gorilla.'

Niettemin. In de afgelopen twintig jaar zijn meer dan honderd huiselijke, boulevardachtige dan wel eerbiedwaardige kranten in Murdochs hebberige greep geraakt, en bij die operaties waren duizenden journalisten betrokken, van wie slechts een handjevol in gewetensnood ontslag nam (om dikwijls nog geen jaar later in een nieuwe baan alsnog door Murdoch te worden 'ingehaald'), terwijl het overgrote deel zich lijdzaam schikte naar de rechts-populistische en louter marktgerichte opvattingen van een man die zich in alle gevallen - nooit meer dan een uurtje vliegen tenslotte - regelrecht en hardhandig in het bestaande redactiebeleid mengde.

Martelaarschap is in de journalistiek geen favoriet artikel. Er zijn voorbeelden van kranten waarin zich haast geruisloos een politiek-inhoudelijke draai van 180 graden voltrok.

Daar staan natuurlijk journalisten tegenover die het met Murdochs imperialistische stijl van leidinggeven van harte eens waren, of die zijn bikkelharde, supersnelle en hyper(post)moderne optreden juist als een bevrijding ondergingen - een verlossing uit een naar hun mening al te verpolitiekt en al te zeer door een (half)zacht jaren-zestig-liberalisme bepaald maatschappelijk klimaat.

Zo eentje was Andrew Neil - een jonge, eerzuchtige Schot die zich bij The Economist al had laten kennen als een bewonderaar van Reagan en Thatcher, maar vooral als een verklaarde vijand van het 'oude' en in zijn ogen achterlijke Britse establishment, en die zich in 1983, 34 jaar oud, met graagte door Murdoch liet kopen als de nieuwe hoofdredacteur van The Sunday Times.

Met zijn voorganger, Harold Evans, meende Murdoch geen land meer te kunnen bezeilen. Die had de krant in de voorbije decennia weliswaar een groot en bij die jaren passend prestige bezorgd, maar dat was waarschijnlijk ook precies wat tegen hem pleitte: voor het zojuist aangebroken no-nonsense tijdperk wenste de nieuwe eigenaar zich een nieuwe bezem die de boel op Gray's Inn Road fundamenteel moest schoonvegen. De opdracht was aan Neil besteed. In een pas verschenen boek (Full Disclosure) waarin hij terugkijkt op tien jaar noeste arbeid in Murdochs krantenrijk, poseert hij met nogal wat koketterie als iemand die zich op het punt van bikkelhardheid volop kon meten met de werkgever die hem met een aanvangssalaris van vijftigduizend pond meteen ook lang niet onaardig inschaalde; bij het afscheid in 1994 vroeg en kreeg hij trouwens nog een handdruk van een miljoen pond mee.

Dat zijn terugblik in veel opzichten fascineert, neemt niet weg dat er één vervelende kant aan zit: wat je in het Engels z'n pompousness en in gewoon Nederlands z'n dikdoenerigheid zou noemen.

Je vraagt je af waarom hij die borstklopperij nodig denkt te hebben gehad. Hij was een slagvaardig, succesvol en als het erop aankwam tamelijk onbeïnvloedbare hoofdredacteur - daar waren tenslotte ook z'n vele tegenstanders het over eens. Z'n eerste jaren waren turbulent, en hij heeft zich toen gehaat gemaakt bij talrijke oudere en met de krant vergroeide redacteuren die hij zonder pardon (maar altijd wel met een royale afvloeiingsregeling: hij had carte blanche van Murdoch) de laan uitstuurde.

Het is mogelijk dat hij daarom extra behoefte voelde om zichzelf te rechtvaardigen, maar je vraagt je af of dat per se gepaard had moeten gaan met de consequente diskwalificatie van het nabije verleden bij het concern; of is dat een symptoom van een 'klassiek' opvolgerscomplex?

En zou, zoals hij suggereert, zowel koningin Elizabeth als 'koningin' Margaret elke zondagochtend met angst en beven The Sunday Times hebben opengeslagen, en wekelijks hun hart hebben vastgehouden voor wat de gevreesde hoofdredacteur nu weer had onthuld? Neil heeft inderdaad het vermeende 'schandaal' rond de zoon van premier Thatcher in de openbaarheid gebracht, en Buckingham Palace mishaagd door de meest sensationele hoofdstukken te publiceren uit Andrew Mortons boek over prinses Diana. Maar zulke dingen zou je ook eenvoudig als zijn journalistieke plicht kunnen aanmerken.

Hoe het zij - de soms opgeblazen Pietje-Bell-toon ondermijnt een beetje de geloofwaardigheid van zijn overige observaties, die op zichzelf van een gezonde kijk en een scherpzinnig oordeel getuigen.

'Als je voor Rupert Murdoch werkt', begint hij zijn aparte hoofdstuk over de grote machthebber, 'werk je niet voor een president-directeur of een topondernemer: je werkt voor een Zonnekoning. Je bent ook geen afdelingschef, of bedrijfsleider, of hoofdredacteur: je bent een hoveling, en je wordt beloond met geld en status zolang je bij de koning in de smaak valt, maar je wordt op straat gezet of weggepromoveerd naar een onherbergzame plek in het koninkrijk zodra je zijn gunst hebt verspeeld of je nut niet langer kunt bewijzen.'

Even verderop: 'Andere referentiepunten dan de koning bestaan niet. Gebruikelijke bedrijfsstructuren - alle lijnen van bevoegdheid, communicatie en besluitvorming die we in de moderne zakenwereld kennen - doen er niet toe. Alleen de koning doet er toe.'

En ten slotte: 'Afhankelijk van zijn stemming, of van wat hij voor zijn beleid wenselijk acht, kan de koning minzaam dan wel meedogenloos zijn. De hoveling weet nooit om welk motief het gaat: het verrassingselement is een van de methodes waarmee de koning zijn macht tot in alle uithoeken van het rijk laat gelden. Dat hij op elk moment en op elke plaats in zowel grote als kleine zaken onaangekondigd kan ingrijpen, houdt de hoveling permanent op zijn hoede; elke ochtend zal hij wakker worden met de vraag op zijn lippen: hoe zou het vandaag met de koning gaan?'

Het beeld is concies, scherp en onthullend, en het zal iedereen in het beschermde, half-en-half gezapige, maar relatief gezegende krantenlandschap dat Nederland kent, een gruwel zijn. Wat Neil schetst is niet eens het portret van een verlichte, maar van een absolute despoot, onder wiens regime aan elke illusie van een vrij en onafhankelijk informatieverkeer een eind lijkt te zijn gekomen.

Een toch lang niet onintelligente en geenszins slaafse man als Andrew Neil heeft zich er desondanks met een zekere blijmoedigheid naar gevoegd. Zelf geeft hij ten minste één verklaring. 'Het grote voordeel van Murdoch als eigenaar', schrijft hij, 'is het feit dat hij in Groot-Brittannië nauwelijks maatschappelijke aspiraties heeft. Hij probeert op geen enkele manier bij het establishment in het gevlij te komen, en uit het feit dat hij een onderscheiding en de verheffing in de adelstand heeft afgewezen, blijkt dat hij ongevoelig is voor cadeautjes. Als gezaghebbende kringen in reactie op onze publicaties over Thatcher, de koninklijke familie of andere belangengroeperingen probeerden mij via Rupert tot de orde te roepen, vingen ze altijd bot.'

Daarmee is al iets aangegeven van het tamelijk reusachtige verschil in journalistieke verhoudingen tussen Engeland en Nederland. Kranten kunnen zich bij ons verheugen in een betrekkelijk grote vrijheid, maar als beïnvloedingsfactor in het openbare leven stellen ze ook een stuk minder voor. In Engeland ligt dat vrijwel omgekeerd. In het uurtje Frost on Sunday op de BBC zijn altijd tien minuten gereserveerd voor het doornemen (met twee gasten) van de zondagsbladen - en de 'gewichtige' politieke commentaren in The Times, The Independent of The Observer krijgen een even serieuze beurt als de roddelverhalen in The Sun, de Mirror of de Mail; voor het publieke debat hebben ze gelijkelijk betekenis, doen ze zonder onderscheid ter zake. Het is pers, dus het telt.

Tussen het bloot en de pulp van News of the World of Today wordt trouwens ook wel degelijk politiek geagiteerd. Neil benadrukt in zijn boek terloops nog even het feit dat Murdoch - die een aan afgrijzen grenzende apathie koestert jegens John Major - al een poosje flirt met de voor neoliberaal gehouden Labour-leider Tony Blair, en dat zou het volgend jaar voor de Conservatieven wel eens extra problematisch kunnen maken.

Dat Neil tien jaar lang redelijk in de 'koninklijke' luwte heeft kunnen blijven, moet uiteraard mede verklaard worden uit een zekere ijdelheid van Murdochs kant; z'n tabloids ziet hij als pure koopwaar waarmee hij politiek (en vooral zakelijk) kan sturen wat hem goeddunkt, maar hoeveel hij bij The Times en The Sunday Times ook naar zijn hand heeft gezet, hij heeft ze toch zoveel mogelijk in hun instituutachtige waarde gelaten, en in het geval van The Times heeft hij zelfs jarenlang aanzienlijke verliezen voor lief genomen, wan het ging tenslotte om kwaliteitsaankopen.

Maar bovenal moet Neil het met zijn koning hebben uitgehouden omdat hij zich op een aantal essentiële punten met diens ideeën verwant voelde. Zijn eigen afkeer van het 'oude' establishment heb ik al genoemd. Hij zag dat als jong verslaggever van The Economist van meet af aan gematerialiseerd in het naar zijn dynamische normen haast negentiende-eeuwse klimaat van 'Fleet Street', en meer speciaal in de buitensporige macht van de typografenbonden.

Als veldheer namens koning Rupert heeft hij ook met verve de loopgravenoorlog van Wapping gevoerd, en helpen winnen: de uitputtingsslag die geen ander doel had dan de unions te breken, en in één klap de overstap te bewerkstelligen van schrijfmachine en lood naar tekstverwerker en digitale opmaak. Het relaas van die bijna militaire operatie - waarbij niet alleen moest worden gestreden tegen een vijand van buiten, maar ook tegen een tegenstribbelende redactie binnenshuis - vormt een van de spannendste hoofdstukken van Full Disclosure.

Er is meer genietelijks in het boek: de geschiedenis bijvoorbeeld van Neils relatie met een hoogst appetijtelijke dame die op een gegeven moment in nota bene een andere Londense krant van Murdoch (News of the World) wordt ontmaskerd als een dure prostituee: een affaire die ten slotte uitmondt - hoe Engels ook dat weer! - in een proces tussen Neil en zijn collega/concurrent van de The Sunday Telegraph.

Typerend is tot slot de wijze waarop aan de vlekkeloze, en deels zeer vriendschappelijke relatie tussen Neil en Murdoch een eind komt. In de lezing van de hoofdredacteur is de oorzaak bovenal een zaak van conflicterende belangen geweest. The Sunday Times is een wat groezelige zaak over Maleisië, annex een niet helemaal zuivere relatie met Whitehall op het spoor, en Murdoch kan geen ongenoegen gebruiken in een land waar zijn zakelijke interesses (The South China Morning Post en nog wat kleinere kranten) zouden kunnen worden geschaad.

Neil laat zich noch op straat zetten, noch wegpromoveren naar een uithoek: hij houdt de eer aan zichzelf, strijkt z'n miljoen pond op, en zal voortaan als televisiepresentator, freelance journalist en 'media-consultant' zijn brood verdienen.

In het laatste gesprek met Murdoch zegt deze: 'We houden contact, ik wil je graag kunnen bellen als ik je nodig heb.' Maar Neil hoort nooit meer iets. 'Rupert', schrijft hij, 'is niet het soort man dat contact met je houdt als hij je niet meer kan gebruiken.'

Zo zijn dat soort koningen waarschijnlijk nooit.

Andrew Neil: Full Disclosure.

MacMillan, import Nilsson & Lamm; 481 pagina's; ¿ 65,80.

ISBN 0 333 64682 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden