Hij/zij in de literatuur. Modellen; Darcy Jonathans en Maxence Bush

Boeken Vrouwelijke en mannelijke schrijvers

Aaf Brandt Corstius leest alleen vrouwen. En vijf andere schrijvers over m/v in hun boekenkast

Hij/zij in de literatuur. Modellen; Darcy Jonathans en Maxence Bush Beeld Vilain & Gai

Met Zij/Hij als thema van de Maand van de geschiedenis vroegen we ons af: hoe zit dat met leesgedrag? Zes schrijvers over de m/v-verhouding in hun boekenkast.

2019 is het jaar van de vrouw, volgens de organisatoren van de Maand van de Geschiedenis, die voor deze zestiende editie van de Maand (nog tot en met 31 oktober) daarom Zij/Hij als thema kozen. Een fijn thema waarover ook in literair opzicht veel te zeggen valt. Neem nou de bewering dat vrouwen boeken lezen van zowel mannelijke als vrouwelijke schrijvers, maar mannen zich beperken tot boeken van hun seksegenoten. Dit klinkt als zo’n dommig cliché uit het genre ‘vrouwen kunnen niet (achteruit) inparkeren’ of ‘mannen zijn altijd alles kwijt, of in elk geval hun sleutels’, stelligheden die op het eerste gehoor waar lijken, maar waarvan weinig overblijft als je de moeite neemt ze serieus te onderzoeken. 

Maar deze bewering is geen dommig cliché. De treurige waarheid is dat vrouwen inderdaad boeken lezen van vrouwen en van mannen, maar dat mannen nauwelijks boeken lezen van vrouwen. Dat bleek in 2013 toen literatuurwetenschapper Corina Koolen de waardering onderzocht van de 400 bestverkochte (in de winkel) en vaakst geleende (bij bibliotheken) boeken uit de periode 2009-2012. Bij vrouwelijke lezers was de verhouding tussen boeken van mannelijke en boeken van vrouwelijke schrijvers 50-50, bij mannelijke lezers 80-20. Dit jaar bleek het opnieuw uit onderzoek van Jeroen Dera voor Stichting Lezen, gepubliceerd in De praktijk van de leeslijst. Een onderzoek naar de inhoud en waardering van literatuurlijsten voor het schoolvak Nederlands op havo en vwo.

Groot was dan ook de verrassing toen Aaf Brandt Corstius ons mailde met de vraag of ze een stuk mocht schrijven over haar merkwaardige leesgedrag. Ze was er namelijk achtergekomen dat ze vrijwel uitsluitend boeken van vrouwen las. Aaf lijkt daarmee de uitzondering die de regel bevestigt. Hoe het zo is gekomen leest u hieronder, en ook de antwoorden van vijf mannelijke schrijvers die we vroegen de m/v-verhouding in hun boekenkast aan een inspectie te onderwerpen: Pieter Waterdrinker, Bart Chabot, Thomas Heerma van Voss, Jamal Ouariachi en Maarten ’t Hart. (Inleiding geschreven door: Wilma de Rek)

1. Aaf Brandt Corstius 

Het was tijd voor soul searching. Las ik alleen maar vrouwelijke schrijvers, ook wel bekend als schrijfsters?

Twee gebeurtenissen die me erop wezen dat er iets wonderlijks aan de hand was met mijn leesgedrag. Ik stond in een boekwinkel te bladeren door een boek en hield het omhoog naar mijn man die verderop stond, met een ‘Zal ik het kopen?’-blik. Hij riep keihard door de winkel: ‘Dat ga je toch niet lezen, want het is van een MAN.’

De tweede gebeurtenis: ik kocht een graphic novel met de titel Ergens waar je niet wil zijn van de mij onbekende Brecht Evens. Na een tijdje lezen keek ik voor in het boek wie die Brecht Evens was. Brecht bleek een man te zijn, terwijl ik dacht dat het een vrouw was. Toen moest ik mezelf de doordringende vraag stellen, ook omdat mijn man dat naar me had geroepen in die boekwinkel: had ik het boek gekocht als ik had geweten dat Brecht een man was?

Het was tijd voor soul searching, maar eerst voor een puur objectieve telling, om na te gaan of het klopte. Las ik alleen maar vrouwelijke schrijvers, ook wel bekend als schrijfsters?

Ik opende mijn Kindle en keek wat ik de afgelopen twee jaar had gekocht en gelezen. Het meest recente boek was How to Stop Losing Your Sh*t With Your Kids van Carla Naumburg. Een vrouw. Kort daarvoor kocht ik How to Fail van Elizabeth Day. (Deze opsomming begint nu al een pijnlijke inkijk in mijn ziel te geven, maar ik ga toch door.) Dan was er Mythos van Stephen Fry, maar die las ik niet uit. En dan een hele rits boeken van vrouwen: Leap In van Alexandra Heminsley, Everything I Know About Love van Dolly Alderton, You Think It, I’ll Say It van Curtis Sittenfeld (twee keer gelezen), The Talented Mister Ripley van Patricia Highsmith (herlezen gouwe ouwe), De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld, Conversations with Friends van Sally Rooney, Asymmetry van Lisa Halliday, Mayhem van Sigrid Rausing, The First Bad Man van Miranda July, Spectacles van Sue Perkins, Ik nog wel van jou van Elke Geurts, Maybe You Should Talk to Someone van Lori Gottlieb en Look Alive Out There van Sloane Crosley. (Het klinkt nu alsof ik interessant wil doen dat ik bijna alleen in het Engels lees, maar Engels was de eerste taal waarin ik boeken ging lezen en ik hou meestal meer van de vertelstijl en humor van Britten en Amerikanen.)

Ook opvallend: ik las allerlei boeken van vrouwen over Barack Obama – Who Thought This Was a Good Idea? van Alyssa Mastromonaco, From the Corner of the Oval Office van Beck Dorey-Stein en natuurlijk Becoming van Michelle Obama. Maar dan dus weer niet Dreams From My Father van mijn idool Obama zelf.

Pas na lang scrollen kwam ik bij Beautiful Boy van David Sheff en Tonio van A. F. Th. van der Heijden. En als tegenwicht, vrij letterlijk, ligt de enorme pil van Oek de Jong, Zwarte schuur, op mijn nachtkastje. Van een man. Over een man. Met het schilderij van een man op het omslag.

Dit om aan te geven dat het geen principekwestie is. Ik wíl wel boeken lezen die door mannen zijn geschreven. Maar ze bevolken slechts een paar procent van mijn e-reader en boekenkast.

Hoe zat dat dan? Waarom greep mijn hand, of klikte mijn vinger, altijd op een boek van een schrijfster en niet van een schrijver? De lijst die ik hierboven heb gemaakt, geeft mijn smaak weer. Die blijkt te verdelen in drie genres: 1. bloedeerlijke levensverhalen, vaak met zwarte rand, 2. meeslepende romans door extreem goeie vertellers die humor hebben en 3. lichtelijk grappige zelfhulp, het liefst met failing of losing in de titel.

Eerst even over categorie 2, de meeslepende romans door extreem goeie vertellers die ook nog humor hebben. Curtis Sittenfeld vind ik de beste schrijver die er nu leeft, maar u heeft misschien nog nooit van haar gehoord. Ze werkt aan een nieuw boek en daarover twitterde ze kort geleden: ‘Ik geloof (nou ja, vandaag geloof ik) dat ik de volgende Great American Novel heb geschreven. Maar dat zal haast niemand zich realiseren omdat ik een vrouw ben en omdat er op het omslag waarschijnlijk een jurk zal staan, of een vrouw van wie je het gezicht niet kunt zien, dus dit even ter info.’

Daarmee vat ze samen in welk gat extreem goeie vrouwelijke schrijvers vaak vallen.

Lisa Halliday, die ik net ontdekte, Asymmetry is haar debuut, lijkt ook op iemand die zo’n schrijver zou kunnen zijn. En Sally Rooney ook, al viel haar tweede boek me tegen. Wat ze alle drie verbindt, en wat misschien vrouwelijk is aan ze, is dat ze extreem diep-psychologiserend over menselijke relaties schrijven. Al kunnen mannen (Oek de Jong) dat ook. Maar ik ken meer vrouwelijke schrijvers die dat echt goed kunnen. En ik hou van extreem diep psychologiseren.

Dan is er categorie 1: bloedeerlijke levensverhalen, vaak met zwarte rand. Ben ik gek op. En dat is een genre dat wel echt bij vrouwen past. Het bloedeerlijke is iets waar vrouwen goed in zijn. Dat kun je positief bekijken: wat is het toch mooi dat vrouwen al hun zwaktes en rampzalige momenten op papier durven te kwakken. Of negatief: waarom moeten vrouwen zichzelf toch altijd zo naar benéden halen?

Maar ik zie het positief. Ik vind het prettig dat Sue Perkins in Spectacles pagina’s lang uitweidt over hoe ze eenzaam in een zompige kelder in Londen woonde. Ik vind het goed dat Elke Geurts een scheidingsverhaal in een vinexwijk zo weet te beschrijven dat het bijna fysiek pijn gaat doen. Waarbij ze zichzelf niet bepaald spaart.

Jezelf bepaald niet sparen is sowieso belangrijk bij autobiografische verhalen, vind ik. En vrouwen zijn goed in zichzelf bepaald niet sparen.

En ik ga mezelf meteen even niet sparen, want ik moet het nog hebben over de categorie zelfhulpboeken van vrouwelijke auteurs. Ik geef toe dat ik zelfhulpboeken lees. Het leuke aan zelfhulp is dat je vaak al genoeg hebt aan de titel: He’s Just Not That Into You kun je zeggen tegen je vriendin (of jezelf) die te lang aan de verkeerde man blijft hangen, en dan heb je dat hele twaalfstappenplan erbij niet nodig. En ook How to Fail, waar ik recentelijk aan begon, draagt in de titel al de boodschap in zich: dat falen niet slecht is, en soms zelfs een goed idee.

Het verschil tussen zelfhulp die door mannen geschreven is versus die van vrouwen, is dat diep-psychologische inzicht van de allersubtielste werkingen van de geest, wat ik ook zo prettig vind in de categorie grote romans die ik al noemde.

Om het grof te stellen: het is het verschil tussen John Gray van de zelfhulpklassieker Mannen komen van Mars, vrouwen van Venus, waarin hij domweg verkondigt, nou ja, de titel zegt het al, tegenover How to Stop Losing Your Sh*t With Your Kids, waarin Carla Naumburg op microniveau iedere trigger omschrijft die ervoor kan zorgen dat je als ouder gaat schreeuwen tegen je kind.

Met dat van die twee planeten kan ik niet veel. Met dat van die triggers wel.

Maar goed. De planeten blijken dus wel te bestaan. En ik zit op de Venusplaneet Venusboeken te lezen. En vraag me af waarom ik dat doe.

En mannen – de meeste mannen, denk ik – zitten op de Marsplaneet, en ze lezen Marsboeken. En vragen zich waarschijnlijk nooit af waarom.

Aaf Brandt Corstius (44) is columnist (voor onder meer de Volkskrant) en schrijver (Trouwboekje, 2018; Eindelijk 40, 2017; Het jaar dat ik (2x) moeder werd, 2012)

Hij zij thema in de maand van de geschiedenis. Beeld Claudie de Cleen

2. Thomas Heerma van Voss

Ik probeer ervoor te waken dat ik hoofdzakelijk mijn eigen sekse behandel. Maar toen ik onlangs ging tellen, was de balans onverbiddelijk

Of ze daar rekening mee hielden, de man-vrouwverhouding van de artiesten die ze bespraken. Die vraag stelde Leon Verdonschot recentelijk in twee afleveringen van zijn boeiende podcast Oeverloos, waarin hij gasten interviewt over door henzelf geselecteerde muziek. De eerste keer vroeg hij het aan een man, een schrijver die stellig antwoordde: ‘Flauwekul. Ik kies op kwaliteit, niets anders.’ De tweede keer vroeg Verdonschot het aan een vrouw: politica Esther Ouwehand, die hartstochtelijk black metal-fan bleek te zijn. Zij zei dat ze bij haar selectie bewust naar de man-vrouwverdeling had gekeken, ze had zelfs een rockband aangedragen omdat die uit louter vrouwen bestond.

Mijn ongenuanceerde eerste gedachte: ik behoor al jaren tot het kamp van die man, de stellige schrijver. Een mens moet zich niet bezighouden met hoeveel procent vrouwen of mannen waar opduiken, het gaat om individuele smaak en inderdaad, kwaliteit.

En toch. Hoe meer ik erover nadenk, hoe gemakzuchtiger ik het vind om te zeggen dat zulke nadruk op een eerlijke man-vrouwverhouding onzinnig is. We leven immers nog altijd, hoewel het geregeld wordt aangekaart, in een wereld waarin mannen zichtbaarder en kansrijker zijn dan vrouwen. Ik heb zelf lang gedacht dat ik alle kunst wél met een open en gelijkwaardige blik consumeer en dus ongehinderd kan letten op kwaliteit, maar waar komt dat idee eigenlijk vandaan?

Mijn kasten staan vol mannen. Platen, cd’s, boeken, posters. Sinds ik voor De Groene Amsterdammer schrijf over muziek en literatuur probeer ik ervoor te waken dat ik niet hoofdzakelijk mijn eigen sekse behandel, ik registreer het zo nu en dan bewust wanneer ik over een vrouw publiceer. Maar toen ik onlangs ging tellen, was de balans van mijn stukken onverbiddelijk. Bijna twee keer zo veel mannen als vrouwen.

Je kunt je afvragen hoe erg dat is. Dat één iemand meer mannen bespreekt dan vrouwen doet er weinig toe. Maar deze scheve verhouding ligt duidelijk niet aan één recensent – een relevantere vraag lijkt me daarom waar dat mannelijke overschot door ontstaat. Opvoeding? Een overwegend mannelijk aanbod? (En waar komt dat dan vandaan?) Volgens mij speelt ook iets anders mee: de hardnekkige menselijke neiging om te denken dat zij een uitzondering zijn. Dat er weliswaar iets scheefgegroeid is tussen man en vrouw, maar dat je zelf toch zeker niks verkeerd doet.

Hoeveel indrukwekkende schrijfsters en muzikantes heb ik de afgelopen jaren over het hoofd gezien omdat mijn aandacht werd getrokken door een minder interessant mannelijk equivalent?

Thomas Heerma van Voss (29)  is schrijver (De Allestafel, 2009; Stern, 2013) en recensent voor De Groene Amsterdammer. 

3. Maarten 't Hart 

Ik las even gretig Bordewijk als Haasse, even geboeid Louis Couperus als Carry van Bruggen

In mijn jeugd was het simpel: meisjes lazen wel jongensboeken, maar jongens lazen geen meisjesboeken. Jongensboeken van schrijfsters waren zeldzaam, Enid Blyton was een uitzondering. En andersom: een mannelijke auteur die meisjesboeken schreef, dat kwam niet voor. Dus echte meisjesboeken, zoals die van Cissy van Marxveldt (Joop ter Heul) en Max de Lange-Praamsma (Goud Elsje), waren ook altijd van schrijfsters afkomstig. 

Toch heb ik, de regel ten spijt dat jongens nimmer meisjesboeken lazen, de series van Van Marxveldt en De Lange-Praamsma gretig verslonden. Dat had twee redenen. De belangrijkste was dat ik op zeker moment alle jongensboeken, voorhanden in de Gereformeerde Evangelisatiebibliotheek te Maassluis, had gelezen, dus moest ik wel naar meisjesboeken grijpen. De tweede was dat ik van kind af aan graag een meisje was geweest, en derhalve al hun geheimen wilde doorgronden. Ademloos las ik in de Joop ter Heul-serie een passage waarin Van Marxveldt precies verhaalt welke sensaties Joop ter Heul ondergaat als zij voor het eerst lippenstift opdoet. Kom daar maar eens om in een jongensboek!

Toen ik eenmaal het domein der letteren betrad, heb ik nooit enig onderscheid gemaakt tussen werk van mannen en vrouwen. Ik las even gretig Bordewijk als Haasse, met evenveel plezier Aart van der Leeuw als Augusta de Wit, even geboeid Louis Couperus als Carry van Bruggen (Prometheus is een ongelofelijk boek) en wat Engelse literatuur betreft, heb ik daaruit geen enkele roman ooit aangrijpender gevonden dan Wuthering Heights, plus dat ik een enorme bewondering heb voor Jane Austen. En voor Carson McCullers en Flannery O’Connor lig ik op mijn knieën. Dus voor mij geldt zeker niet dat ik bij voorkeur werk van mannelijke auteurs lees. Ik heb het zelfs altijd erg jammer gevonden dat al die grote, beroemde Russen uit de 19de eeuw stuk voor stuk mannen waren. In de Geschiedenis van de Russische literatuur van Karel van het Reve wordt niet één schrijfster behandeld.

Maar al heb ik dan voor mijzelf nooit enig onderscheid gemaakt tussen schrijvers en schrijfsters (noch ook tussen dichters en dichteressen, met dien verstande dat wat poëzie betreft Emily Dickinson huizenhoog favoriet is), toch lijkt er gek genoeg weinig veranderd sinds mijn jeugd. Dat heb ik vooral beseft toen mij vanuit Duitsland gevraagd werd mee te werken aan Mein Jahrhundertbuch. 51 vooraanstaande auteurs moesten daarin hun lievelingswerk uit de 20ste eeuw noemen. Bij die 51 auteurs zijn zeven vrouwen. Niet één van die zeven vrouwen – en dat is toch tamelijk verbijsterend – komt aanzetten met een werk van een schrijfster uit de 20ste eeuw, en bij de 44 mannen is er – ik zou haast zeggen: uiteraard – ook niet één die een vrouwelijke auteur noemt. Toen ik het, overigens zeer aantrekkelijke boekje, in handen kreeg en zag dat er terwijl er zoveel prachtige romans in de 20ste eeuw door vrouwen zijn geschreven, niet één boek bij was van een schrijfster, dacht ik: o, wat jammer, waarom heb ik hier de kans verzuimd om Carson McCullers (The Heart is a Lonely Hunter) of Christine Stead (The Man Who Loved Children) of Elizabeth Bowen (The Death of the Heart) of Marguerite Yourcenar (Mémoires d’Hadrien) te noemen.

Bij Carson McCullers kun je trouwens zelfs nog twijfelen, want al is The Heart is a Lonely Hunter een ongeëvenaard debuut, niets is mooier dan dat superieure kleine meesterwerk, The Member of the Wedding. En dat geeft mij dan meteen de gedachte in dat sommige vrouwen iets kunnen schrijven dat al het werk van mannen overtreft. Noem mij één korte roman van een schrijver die The Member of the Wedding evenaart.

Maarten ’t Hart (75) is gedragsbioloog, klassiekemuziekkenner en schrijver van vele romans (zijn meest recente is De Nachtstemmer, 2019) en non-fictieboeken. Hij recenseert voor onder meer weblog Tzum.

Hij zij thema in de maand van de geschiedenis. Beeld Claudie de Cleen

4. Jamal Ouariachi

In feite is het identiteits­­politiek, en het komt allemaal voort uit de hardnekkige misvatting dat zelfherkenning het mooiste is wat literatuur te bieden heeft.

Eind 2018 plaatste ik op Instagram een overzichtje van de boeken die ik dat jaar gelezen had. Er bleken evenveel titels van mannelijke als van vrouwelijke auteurs op te staan. En dan had ik Elena Ferrante voor de zekerheid ook nog eens als man meegeteld.

Riekt dit naar een vrouwenquotum? Nou, er zat geen feministisch masterplan achter. Het lag veel simpeler: als een boek mij tot voorbij pagina 20 weet te bekoren, lees ik het doorgaans uit, en dan belandt het dus op zo’n eindejaarslijstje.

Sommige feministen beweren dat vrouwen wezenlijk anders schrijven dan mannen. Volstrekte flauwekul. Goede literatuur onderzoekt de complexiteit van de menselijke ervaring, en aangezien zowel mannen als vrouwen mensen zijn, zou het geslacht van de auteur voor de leeservaring niet moeten uitmaken. (Elena Ferrante is in dit opzicht een heerlijk voorbeeld: ‘haar’ boeken werden als typische vrouwenliteratuur gezien, totdat met redelijk grote zekerheid werd vastgesteld dat achter het pseudoniem Ferrante een man schuilging. De verontwaardiging bij vooral vrouwelijke lezers was, haha, groot.)

Je hebt natuurlijk wel schrijfsters die hun vrouwelijkheid nadrukkelijk tot hoofdthema van hun literatuur maken. Marja Pruis is daar een nogal opdringerig voorbeeld van, met al die essays en columns waarin ze het nadenken over Rebecca Solnit afwisselt met het nadenken over jurkjes, et cetera. Ik schrik altijd een beetje als ze ineens over iets anders dan vrouw-zijn begint.

Mannen kunnen er trouwens ook wat van, in hun obsessie met het eigen geslacht. Zo presteerde Onno Blom het vorig jaar in deze krant om in een uitgebreid artikel over seks in de Nederlandse letteren alléén maar mannelijke auteurs te bespreken. Slechts in één enkel alineaatje somde hij snel wat vrouwennamen op, die hij – zo kwam het althans op mij over – in de gauwigheid had overgeschreven uit de inhoudsopgave van een bloemlezing.

Dus zoals Pruis nog altijd de zwembewegingen maakt die bij de tweede feministische golf horen terwijl ze allang op het strand is aangespoeld, zo zit Blom op datzelfde strand nog altijd met zijn piemeltje in het zand en weet maar niet los te komen van het penetrerende perspectief. De man z’n mannendingetjes, de vrouw haar vrouwendingetjes.

In feite is het identiteitspolitiek in de literatuur, en het is dan ook niet voor niets dat je ook bij andere identitaire groepen soortgelijke zelfgeobsedeerde literatuuropvattingen aantreft. In de lgbtqi-gemeenschap is men druk doende met gespecialiseerde queerboekenlijstjes, queeruitgeverijen en queerboekhandels, terwijl antiracismeactivisten maar blijven drammen dat de ‘zwarte stem’ meer ruimte moet krijgen in de Nederlandse literatuur – whatever die zwarte stem may be...

Het komt allemaal voort uit de hardnekkige misvatting dat zelfherkenning het mooiste is wat literatuur te bieden heeft. De lezer: lost in the funhouse vol spiegels en zonder uitgang. Opgescheept met zijn eigen ‘identiteit’, dat wil zeggen: één aspect ervan. Terwijl het nu juist een grote kracht van literatuur is, dat zij je in staat stelt je identiteit te ontstijgen en neer te dalen in het bewustzijn van een ander. Let wel: een individueel bewustzijn, dat zich met de vrijheid die literatuur eigen is, onttrekt aan die benauwende hokjes als geslacht, etniciteit of seksuele voorkeur.

Jamal Ouariachi (40) is soms columnist bij Trouw, recenseert voor De Morgen en NRC en is schrijver van onder meer de romans De vernietiging van Prosper Morèl (2010) en Een honger (2015) en de verhalenbundel Herinneringen in Aluminiumfolie (2017).

5. Pieter Waterdrinker

Een mannelijke auteur pleegt literair zelfmoord met de bekentenis, maar het is zo: ik lees het meest mannen, vooral dode.

Aan boord van de Princess Anabella, Wolga

Beste Tuur,

Ik zit hier aan boord van de Princess Anabella, midden op de Wolga, op weg van de stad Perm in de Oeral naar het klatergoud van Moskou. De ‘Anabella’ blijkt de oude Rode Kruisschuit Henri Dunant te zijn, in 1973 opgeleverd door de Arnhemsche Scheepsbouw Mij. NV, waarna hij decennialang met onze lieve oudjes over de Rijn naar de Lorelei voer. In 2008 werd hij door een slimme Russische reder opgekocht en nu slijt hij hier, diep in Ruslands Heart of darkness, zijn laatste dagen.

Maar daarvoor schrijf ik je niet. Gelieve het volgende strikt geheim te houden: van de chef Boeken van jouw krant, Wilma de Rek, kreeg ik het verzoek of ik in een stukje kon laten weten of ik liever mannelijke of vrouwelijke auteurs las. Een op zich legitieme vraag, maar nu komt het: ‘Ik hoop dat het vooral mannen zijn want Aaf en Maarten ’t Hart, die ik ook heb gevraagd, lezen vooral vrouwen.’

Alles wordt tegenwoordig van tevoren ingedeeld, geclassificeerd. Ook wij – brokkies auteur. Ik zag Wilma de Rek in Amsterdam al denken: na de eloquente betogen van Aaf en ’t Hart hebben we een literair contrapunt nodig: dat van de mozzarellawitte schrijver die – diep in zijn hart natuurlijk fel anti-vrouw – louter mannen leest. Vermeende reputaties zijn als een nekschurft: je komt er moeilijk vanaf.

Maar wat wil het geval? Afgelopen voorjaar had ik het genoegen een middagje bij ’t Hart in de tuin te zitten, op zijn geheime Zuid-Hollandse landgoed. Onze literaire smaak bleek angstig overeen te komen. We hadden het over Nabokov, over Theodor Fontane, over de klassieke Russen, de Fransen, maar een vrouw? Niet éénmaal werd de naam van een vrouwelijke auteur ook maar genoemd. En nou zou die ’t Hart, onze leeuw van Warmond… Alles in dit ondermaanse is bedrog!

In het huidige gendertijdsgewricht pleegt een mannelijke auteur literair zelfmoord met de bekentenis dat hij inderdaad voornamelijk mannen leest. Maar het is zo: ik lees het meest mannen, vooral dode, al zit er een enkele nog levende onder. Namen? Nee, het is als bij een bruiloft of een begrafenis: vergeet je er één te noemen, dan hang je. Nou, vooruit dan: Elsschot, Hermans, de beide Reves, nog een klein dozijn anderen. Zij zijn de literaire bakens op weg naar mijn dood.

Maar God en mijn vrouw, Arturo, zijn mijn getuige dat ik wel degelijk tevens vrouwen lees, zolang ze bezitten wat ook een goede mannelijke schrijver moet bezitten: een stem. Wat zijn de letteren anders dan een Glockenspiel van stemmen? Terwijl ik dit schrijf, door het scheepsraam uitkijkend op de Wolga, weergalmt in mijn hoofd de stem van Joseph Roth die hier bijna een eeuw geleden voer en daarover schreef. Zijn echo maakt me minder eenzaam, geeft me troost.

Zo wees mijn vrouw Julia me ooit op de stem van Zinaida Hippius, die op het einde van onze straat in Sint-Petersburg in 1917 in haar dagboek van dag tot dag de Russische revolutie beschreef. Wat een charisma! En wat denk je van Sophia Tolstaja, die meerdere keren onvermoeibaar de manuscripten van Oorlog en Vrede en Anna Karenina met de hand overschreef en intussen de kuren van haar geniale man Lev moest verdragen? In haar memoires beiert haar stem als een klok!

De eerste reis die mijn vrouw en ik naar Frankrijk maakten ging niet naar de Eiffeltoren in Parijs, maar naar het buitenhuis van George Sand te Nohant, waar voor mij alles samenkwam. Daar, in haar salon, stond de ovale eettafel met de naamkaartjes van Flaubert, Maupassant, Toergenjev, de gebroeders de Concourt: schrijvers aan wie ik elke dag wel even denk. Later die vakantie begon ik George Sands boeken te lezen die ik in het museumwinkeltje had gekocht. Ze lapte in haar tijd alles aan haar laars, droeg mannenkleren, rookte in ’t openbaar, begaf zich tussen de mannen in fabrieken en bordelen. Een heldin!

Wat zal ik ze in Amsterdam op de mouw spelden, Arturo? Dat ik me graag literair op de vrouw werp, zolang ze maar een stem heeft? Of heb je daar in Portugal iets beters voor mij? O ja, en natuurlijk ook dit: kloten. Een vrouw zonder kloten die schrijft – da’s niks gedaan.

Omarmd, Pieter

Pieter Waterdrinker (57) is journalist en schrijver van onder meer de bestseller Tsjaikovskistraat 40 (2017), Poubelle (2017) en De Correspondent (2014). 

Hij/zij in de literatuur. Modellen; Darcy Jonathans en Maxence Bush Beeld Vilain & Gai

 6. Bart Chabot

Je had goeie en slechte boeken en wie ze schreef, man of vrouw, deed er niet toe. Of vergiste ik me en deed het er juist wel toe?

En het was al zo’n rotdag. Het regende onophoudelijk, er was van alles gaande in de wereld dat me niet beviel, en dan kreeg je dit.

Wie las ik het meest: mannen of vrouwen?

Ik had nog nooit bij die vraag stilgestaan. Sterker, die vraag was nooit bij me opgekomen. Je had goeie en slechte boeken, en daarmee hield het op. Wie ze schreef, man of vrouw, deed er niet toe.

Of vergiste ik me en deed het er juist wel toe?

Ik betrapte mezelf op een voorkeur voor een auteursnaam. Als ik moest kiezen tussen een boek van Dolores O’Hara en eentje van Kees Bakker, koos ik onverwijld voor Dolores.

Daar hadden we het gedonder al in de glazen. Wat zei dat over mij? Niettemin, hier was nog niets mee bewezen en opgelucht liet ik het bijzettafeltje waar ik me aan vastklampte om op de been te blijven, los.

Las ik meer mannen dan vrouwen, of andersom? Er was maar één manier om dat uit te vinden – de lakmoesproef – en ik liep naar mijn werkkamer, stelde me voor de boekenkast op en keek naar de ruggen van de boeken die ik in de loop der jaren had verzameld, zij het niet allemaal gelezen. Ik telde de namen van de vrouwelijke auteurs. Daar was ik vlot mee klaar. Het zag er opeens slecht voor me uit. Ik begreep ook wel wat de lezers van de Volkskrant van me wensten te horen, maar het was zeer de vraag of ik daaraan kon voldoen. In de verte stak een sirene op.

Hoogste tijd voor een andere invalshoek. Wat waren mijn drie all-time favoriete boeken? Op één: Hunter Thompsons Angst en Walging in Las Vegas. Op twee: Tender Is the Night van Scott Fitzgerald. En op drie: Hemingway’s Fiesta: The Sun also Rises. 

Niks mis mee, met dat lijstje. Er gloorde licht aan de horizon. Tot ik het geslacht van de auteurs naliep.

Daarmee ging ik niet aan de klauwen van de Politieke Correctheidspolitie ontsnappen. Ik stond al op het schavot, blinddoekje voor, en zag mezelf straks bungelen. Neem een slokje water, sprak ik me bemoedigend toe, dat zal je goed doen.

Als een speurhond ging ik mijn gangen na. Wie had ik laatst zien optreden? Delphine Lecompte. Dichteres. Twee weken terug, in het Tinnenpottheater aan de Tinnenpotstraat te Gent; en ze was goed, Delphine, erg goed. ‘… dus mag ik mijn moeder straks vermoorden/met een zeeflepel’. Zo kwamen we ergens.

Staand voor de boekenkast pakte ik een roman van Iris Murdoch, een vrouwelijke auteur van wie ik nogal wat boeken in bezit heb. Ik hield The Bell in mijn hand. Een roman die aanvangt met de twee beste openingszinnen ooit. Ik kon het boek dicht laten: de twee zinnen kende ik uit het hoofd. ‘Dora Greenfield left her husband because she was afraid of him. Six months later she decided to return to him for the same reason’.

Ik herademde. Op de valreep leek het toch nog met me goed te komen.

Bart Chabot  (65) is theatermaker, dichter en schrijver van onder meer Triggerhappy (2013) en Easystreet (2016). In januari 2020 verschijnt Mijn vaders hand, Chabots roman over zijn jeugd. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden