InterviewA.F.Th. van der Heijden

A.F.Th. van der Heijden: ‘Je kunt heel afstandelijk schrijven over de liefde tussen twee vrouwen. Ik wilde verder gaan’

Hoe schrijft de schrijver? In zijn nieuwe roman brengt A.F.Th. van der Heijden zijn twee roman­cycli voor het eerst samen. Nog zo’n avontuur: schrijven over zinderende erotiek door de ogen van een vrouw.

A.F.Th. Van der Heijden: ‘Ik heb altijd de overtuiging gehad dat het bewustzijn van de ene mens zich maar voor een klein gedeelte laat kennen door het bewustzijn van een ander. Maar als je het nooit probeert, wat ben je dan als schrijver waard?’ Beeld Simon Lenskens
A.F.Th. Van der Heijden: ‘Ik heb altijd de overtuiging gehad dat het bewustzijn van de ene mens zich maar voor een klein gedeelte laat kennen door het bewustzijn van een ander. Maar als je het nooit probeert, wat ben je dan als schrijver waard?’Beeld Simon Lenskens

De deurbel schelt door de hal van het grote huis in Amsterdam-Zuid, waar de schrijver A.F.Th. van der Heijden al bijna dertig jaar woont met zijn vrouw, Mirjam Rotenstreich. Het snerpende geluid jaagt je de stuipen op het lijf als je Tonio hebt gelezen, de requiemroman voor hun enige kind, Tonio, die op 23 mei 2010, ‘Zwarte Pinksterdag’, noodlottig verongelukte. Hij was pas 21. De bel kondigde de dood aan.

Sinds de dood van Tonio heeft de schrijver zich uit het volle leven teruggetrokken. Hij leeft als een heremiet. Stond hij er vroeger om bekend dat hij vanaf het einde van de middag, als de werkdag erop zat, te vinden was in het nabijgelegen café Welling, achter de gouden lier op het dak van het Concertgebouw, of in café De Zwart aan het Spui – nu blijft hij thuis. Zelfs als hij een nieuwe roman af heeft. Met vrienden spreekt hij niet af, maar correspondeert hij. Aan huis ontvangt hij slechts bij hoge uitzondering.

Binnen in de bibliotheek zit Van der Heijden al te wachten. Hij heeft plaatsgenomen aan het hoofd van een lange, houten tafel, met zijn rug naar het licht. Zijn lichaam laat een zware schaduw over de tafel vallen. Hij ziet er wat vermoeid uit, maar zijn groene ogen glinsteren fel. Ik ga aan de andere kopse kant van de tafel zitten, op veilige afstand. Plotseling zitten we erbij als een adellijk echtpaar aan de dis.

‘Het doet me denken’, zegt Van der Heijden, ‘aan die sketch van de eenzame barones en haar butler, die de glazen van haar imaginaire gasten moet vullen én opdrinken. Hij wordt steeds dronkener terwijl hij om de tafel cirkelt. Op zijn ronde om de tafel struikelt hij steevast over de kop van een gevilde tijger op de vloer. Net als je denkt: daar gaat hij weer, stapt hij er feilloos overheen.’

Voor hem op tafel ligt een hoge stapel papier: de 888 pagina’s drukproeven van Stemvorken, een zinderende erotische roman. Deel 8 van zijn romancyclus De tandeloze tijd. Van der Heijden heeft zijn rechterhand erop gelegd, alsof hij zijn boek wil beschermen tot het uitvliegt en het huis verlaat. ‘Door de coronacrisis heb ik geen idee of ik nog in staat ben om met zo’n dikke roman de belangstelling van de mensen te wekken. Ik durf er eerlijk gezegd niet aan te denken. Ik verdring het.’

A.F.Th. Van der Heijden:  ‘Ik sluit niet uit dat de twee cycli in de toekomst geheel vervlochten raken.’ Beeld Simon Lenskens
A.F.Th. Van der Heijden: ‘Ik sluit niet uit dat de twee cycli in de toekomst geheel vervlochten raken.’Beeld Simon Lenskens

Vorig jaar schreef je in de Volkskrant dat de pandemie je leven niet wezenlijk had veranderd: ‘Ik was al tien jaar in quarantaine, die me op z’n minst beschermde tegen waanzin en lediggang.’

‘Dat heeft alles te maken met de dood van Tonio. Je had me op elk moment kunnen vragen: heeft het leven zin? En dan zou ik dat gerelativeerd hebben. Het leven is tamelijk zinloos, maar je kunt er wel zin aan geven. Toen Tonio wegviel, keerde de zinloosheid me haar lelijkste gezicht toe. Het was toen meer dan ooit geboden om de leemte te vullen. Ik kwam tot de conclusie: ik kan beter iets doen om de ledigheid vorm te geven dan niets, in een hoek gaan hangen en geen pink meer verroeren.’

Het schrijven heeft je in leven gehouden.

‘Zo is het eigenlijk altijd geweest. Toen ik nog maar net was begonnen aan De tandeloze tijd klonk het voor veel mensen opschepperig in de oren: ik ben het liefst aan verschillende projecten tegelijk bezig en kan het ook niet laten om die met elkaar te verbinden. Ik had aan de Kloveniersburgwal, waar wij toen woonden, een grote, magische rechthoek van bureaus opgesteld. In het midden een stoel op wieltjes. Op elk bureau lag iets anders, een ander hoofdstuk, een andere fase. Mensen stelden zich mij voor als een razende bokkenrijder die op zijn bureaustoel langs verschillende versies van zijn verhaal ging – maar zover was ik toen nog niet.’

Nu wel?

‘Kennelijk moet je een zekere leeftijd en ervaring bezitten om polyfonie volledig te laten uitbotten. Ik vergelijk het weleens met de pianist en dirigent Arthur Rubinstein. Die begon ’s morgens aan het ontbijt aan het instuderen van de partituur van een pianoconcert van Beethoven. In zijn hoofd hoorde hij alle instrumenten opklinken, niet alleen de pianopartij. Als hij dan tijdens zijn instuderen werd gestoord, de telefoon ging, laten we zeggen dat hij een gesprek voerde van twintig minuten, en hij legde weer op, dan bleek in zijn hoofd dat pianoconcert gewoon door te zijn gegaan.’

Gaat het schrijven altijd door?

‘’s Morgens lig ik in bed de kranten te lezen en bereid ik me voor op de werkdag. Geregeld zet ik dan al, puur voor mijn eigen genoegen, een roman op poten. In 59 van de 60 gevallen houdt het daar op, blijft het bij wat aantekeningen in de marge van de krant. Maar soms grijpt iets me zo bij de kladden dat ik niet meer terug kan. Niet zelden voegt zo’n idee zich dan in een van mijn beide romancycli. In Stemvorken werd het nog sterker: elementen van Homo Duplex, mijn moderne versie van de Oedipusmythe, begonnen dit deel van De tandeloze tijd binnen te dringen. Ik sluit zelfs niet uit dat de twee cycli in de toekomst geheel vervlochten raken.’

Waarom maak je het zo ingewikkeld?

‘Dat vraag ik me ook geregeld af: wat doe je jezelf aan? Ik heb het blijkbaar nodig. Ik voel me heer en meester in dat web. Als 26-jarige jongen, in 1977, nam ik me al voor om een grote, meerstemmige roman te schrijven die Scharen zou gaan heten. Die roman kwam er niet, maar viel in steeds meer delen uiteen, die zich tot op de dag van vandaag blijven opknippen en vermenigvuldigen.’

null Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Vraag je je ook weleens af: wat doe ik de lezer aan?

‘Ik wil het de lezer comfortabel maken. Zoals Céline zei: ik zet de lezer op een cruise. Die val ik niet lastig met hoe in de kombuis de kip gebraden wordt en in de machinekamer de kolen op het vuur worden gegooid. Maar het verhaal gaat vaak zijn eigen gang. Ik heb maar te volgen.’

Hoe is Stemvorken ontstaan?

‘Ik had Annette Portegies, mijn uitgever bij Querido, eind 2019 een erotische novelle beloofd voor een chique reeks van kleine, door Sylvia Weve overvloedig geïllustreerde boekjes. Dat leek me heel aantrekkelijk. Voor die novelle drong zich meteen het beeld van de stemvorkligging op.’

Waar kwam dat beeld vandaan?

‘Een jaar of vijftig geleden, in mijn studententijd in Nijmegen, zat een vriend, een vrij lompe jongen, met zijn kersverse vriendinnetje te filosoferen over seks. Hij zei: ‘Twee mannen, daar kan ik me nog wel iets bij voorstellen. Maar twee vrouwen… twee van die zuignappen, die naar elkaar happen.’ Die onthutsend banale opmerking ben ik nooit vergeten. In mijn hoofd klonk een welluidender beeld op: dat van twee vrouwen als in elkaar hakende stemvorken. Zwanet heeft het over hun zingende benen…’

En het verhaal van Stemvorken?

‘Dat kwam los toen ik Zwanet Vrauwdeunt voor me zag als vertelster. Zwanet is de vrouw van Ernst Quispel, de dipsomane advocaat uit Advocaat van de hanen. Later trouwt ze met de toneelschrijver, ‘pleerat’, Albert Egberts. Die kan zijn neiging niet bedwingen om een ontmoeting te regisseren tussen zijn vrouw en een ex-geliefde. Hij stelt Zwanet – ze is inmiddels halverwege de 40 en moeder van twee kinderen – voor aan Corinne Suwijn, een voormalig fotomodel, die weer is getrouwd met Alberts oude vriend en rivaal, de lompe Hans Krop.

‘De opzet van Albert Egberts slaagt in zekere zin té goed. Zwanet vat een amour fou op voor Corinne en de liefde blijkt wederzijds. Dus Albert wordt de slaapkamer uitgestuurd en is veroordeeld tot het sleutelgat. Toen ik op dit punt aankwam, dacht ik: het is nu of nooit. Ik ga een erotische roman schrijven vanuit de optiek van een vrouw.’

null Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Hoe was dat?

‘Het is misschien een ongebruikelijk woord om te gebruiken in dit verband: hartverwarmend. Het verwarmde mijn hart om in het gezelschap van die twee vrouwen te verkeren. Ik heb veel geleerd van hoe ze hun genot ondergaan. Zoals je hebt gemerkt, storten zij zich niet woordenloos in elkaar armen. Ze hebben elkaar veel te vertellen. Zwanet heeft het over het peuren van poëzie uit seksualiteit en ook Corinne is daar bevattelijk voor.’

Was je er huiverig voor om af te dalen in een vrouwenziel?

‘Helemaal niet. Maar ik ben me wel bewust van de tijden waarin we leven. De identiteitspolitie staat permanent op scherp. Ze zullen wel roepen: geslachtelijke toe-eigening! Wie ben jij, Van der Heijden, dat je je 888 bladzijden mag inleven in een vrouw en even gaat bepalen hoe hun seksualiteit werkt?’

Harry Mulisch ging je voor in de roman Twee vrouwen. In 1975 vonden de feministen dat hij met z’n gore poten van de damesliefde af moest blijven.

‘Harry Mulisch heeft terecht gezegd: de literatuur is het rijk van de vrijheid.’

Maar kán het? Kan een man zich in een vrouw inleven?

‘Ik heb altijd de overtuiging gehad dat het bewustzijn van de ene mens zich maar voor een klein gedeelte laat kennen door het bewustzijn van een ander. Maar als je het nooit probeert, wat ben je dan als schrijver waard? Om een banale opmerking te gebruiken: niet geschoten is altijd mis. Ik heb geprobeerd om Zwanet en Corinne zo dicht mogelijk te naderen. Je kunt heel afstandelijk, in kale zinnen, over de liefde tussen twee vrouwen schrijven. En dan met enkele suggesties je effect bereiken. Daar heb ik niet voor gekozen. Ik wilde verder gaan.’

Zwanet is in dat opzicht teleurgesteld over Mulisch’ Twee vrouwen.

‘Wat zij wil beschrijven, het weelderige vrouwelijke landschap, de intimiteit, dat komt daar veel te weinig in voor. Zij lacht met haar vriendinnen om de snelste versiertruc uit de Nederlandse literatuur. ‘Kom je bij me wonen, Sylvia?’ ‘Als je wilt.’ Meer staat er niet. En die truc wordt in de verfilming van Twee vrouwen ook nog eens herhaald. Ik heb destijds meegemaakt dat de hele zaal in Tuschinski in hoongelach uitbarstte.

‘Toen aan Mulisch werd gevraagd wat zijn literaire bron was, kwam hij niet verder dan de bedrijfsleider van het COC aan het Leidseplein, tegenover wie hij zich beklaagde over de smerigheid van de herentoiletten. Die man had tegen hem gezegd: ‘Dan moet je eens bij de dames gaan kijken. Daar breekt regelmatig de toiletpot als die meiden elkaar verkrachten.’’

Waar heb jij dan opgestoken hoe de liefde tussen twee vrouwen zich voltrekt?

‘Ik was erbij… in overdrachtelijke zin.’

Hoe dan?

‘Door het sleutelgat.’

Albert Egberts wordt een ‘voyeur par excellence’ genoemd.

‘Mulisch zei over het geheim van zijn schrijven: ik schrijf op wat ik voor me zie. Ik kan bevestigen dat het zo gaat. Ik zie die vrouwen voor me, ik zie wat ze doen, ik hoor wat ze zeggen. Dat is het grote raadsel: bestaat het verzinnen wel? Maar ik kan je wel vertellen dat het leeuwendeel van wat deze twee vrouwen meemaken uit verbeeldingskracht bestaat. Zo wil Zwanet weten of zij samen met haar vriendin hetzelfde orgasme kan ervaren. Ik voel jouw hoogtepunt, jij het mijne – en daartussen is geen grens meer.’

Schrijf jij ook om jezelf op te winden?

‘Jean-Paul Sartre wees in Saint Genet – Comédien et martyr op passages bij Jean Genet over de breedgeschouderde mannen van wie hij zo hield, die plotseling afbraken of eindigden in drie puntjes… ‘Typisch het proza van een masturbator’, schreef Sartre. Ik weet niet of hij gelijk had. Maar je kunt je er iets bij voorstellen, dat een schrijver zichzelf in opperste staat van opwinding brengt door z’n eigen fantasieën te volgen. Bij Stemvorken was dat niet het geval. De liefdesscènes brachten een aangename prikkeling in het hoofd teweeg, niet in de onderbuik.’

Stemvorken vertoont een erotische opbouw.

‘De liefde dooft niet, maar wordt steeds heviger. Aan het slot van de roman bedrijven Zwanet en Corinne de liefde op de muziek die Albert Egberts een verdieping hoger heeft opgezet: Una furtiva lagrima, de opera van Donizetti in de uitvoering van Caruso. Dat vertaalt zich in een heimelijke traan die de ene vrouw tussen de gul gespreide dijen van de andere signaleert. Zwanet zoekt nog naar het juiste woord voor de glanzende druppel die zij in de schede van Corinne traag ziet… sijpelen. Is dat het juiste woord? Of biggelen? Verder kun je niet gaan. Nou ja, in deel 9 van De tandeloze tijd, Venus van Mierlo, daar gaan ze misschien nóg verder. Tussen die twee boeken zit een rank scharnier. Het verhaal gaat dóór.’

Geldt dat ook voor het andere spannende verhaal dat in Stemvorken is verweven, dat van een verminkte vrouw, die wordt aangetroffen bij een dode man en zich een tijger waant?

‘Dat zou zich nog weleens tot een echte moordzaak kunnen ontwikkelen… Heeft die vrouw de man gedood terwijl zij in haar tijgerwanen verkeerde? Of is het wilde dier dat Zwanet als medewerkster van de GG&GD aantreft bij de dode man in de Amsterdamse Retiefstraat het wilde dier dat ze in zichzelf vermoedt? Of is Corinne het wilde dier dat ze die avond thuis, op aandringen van haar man, de toneelschrijver Albert Egberts, zal ontmoeten? De liefde zelf?’

Hoe kwam je op het spoor van de tijgervrouw?

‘Dat weet ik exact. Het was op 25 november 1975. Ik studeerde in Nijmegen en ging naar een feestje in Utrecht. Daar ontmoette ik een meisje dat aan het herstellen was van een ernstig auto-ongeluk. Van het een kwam het ander. Ik bracht met dat meisje de nacht door in een rommelkamertje van dat huis. Het stond vol afgedankt meubilair, het behang hing in repen naar beneden. Als ik haar aanraakte, voelde ik niet alleen dat patroon van littekens, maar ook dat haar vel hier en daar te los zat. Ik verkeerde in een verscheurde kamer met een verscheurde vrouw.’

null Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Er komt al eerder een verscheurde vrouw voor in je werk.

‘De moeder van Tibbolt Satink. In De Movo Tapes, deel nul van Homo Duplex. Zij baart haar kind op de snelweg, nadat zij bij een ongeluk tijdens de eerste autoloze zondag in 1973 ernstig gewond is geraakt. Haar vel in stukken gesneden door het versplinterend glas van de auto.’

Een bizarre speling van het lot…

‘Als ik zoiets teruglees, denk ik: jongen, jongen er is iets toch niet helemaal goed met jou. Dat je dit soort dingen verzint! Een ongeluk op een autoloze zondag, terwijl er kinderen rolschaatsen over de snelweg. En jij laat die arme, hoogzwangere vrouw wier vliezen zijn gebroken en die zich naar het ziekenhuis spoedt in botsing komen met de enige tegenligger van de dag. Dat blijkt dan ook nog eens het busje te zijn van de bisschop van Haarlem, die op weg is om een kermis of circus in te zegenen.’

De psychiater bepaalt dat Tibbolt, vrucht van het ongeluk, thuis niet te houden is. Dat hij zijn moeder zal misbruiken en zijn vader iets zal aandoen. Een oedipaal verhaal. In Stemvorken blijkt dat de jongen boven de boekhandel van zijn opa, om de hoek bij Albert Egberts en zijn vrouw Zwanet, is komen wonen.

‘Bij het schrijven van De Movo Tapes vroeg ik me af: zou de vrouw met wie ik in de verscheurde kamer was de juiste persoon zijn om Tibbolt Satink te genezen van de obsessie voor zijn moeder? Ik had toen al genoteerd dat Pijkel Niggebrugge, zoals ze in mijn aantekeningen heette, bijna was verscheurd door tijgers in het circus. Later las ik iets over ‘zoantropie’, de zeldzame waan waarbij een patiënt meent te zijn veranderd in een dier. Dat was precies wat ik nodig had. En een paar jaar geleden verscheen in de krant een berichtje over een gevierde Italiaanse dompteur die in een circus in Bari werd verscheurd door zijn eigen vier tijgers. Ik had van alles verzonnen, maar hoefde niet alles te verzinnen.’

In Stemvorken hoopt Tibbolt te genezen van zijn oedipale obsessie door seksueel samen te komen met de tijgervrouw.

‘Tibbolt mocht als jongetje de jeuk uit zijn moeders naden krabben. Er is vel van haar billen gebruikt om haar gewonde borsten te laten genezen, waardoor hij visioenen krijgt van het omgekeerde: billen waarop tepels groeien…’

Van Albert Egberts wordt gezegd dat hij een ‘obsceen precies geheugen’ heeft.

‘Het gaat bij mij zelfs nog verder. Ik herinner me dingen die ik nog nooit gezien heb. En die schrijf ik dan op.’

Is je geheugen nog even obsceen precies als vroeger?

‘Wat zei de schrijver-arts Willem Brakman ook weer? ‘Waar gif zit, kan geen kalk zitten.’ Mijn fysieke beperkingen belemmeren mijn geestelijke niet. Het schrijverschap komt met gebreken: ik beweeg veel te weinig, zit de hele dag. Ik heb last van een beknelde ruggewervel. Daar drukt mijn gewicht op, dat veel te hoog is. Ik kan eigenlijk geen vijftig meter achter elkaar lopen zonder even in een portiek te gaan zitten om uit te blazen…’ Hij grinnikt. ‘Veel portieken heb ik niet gezien, de afgelopen anderhalf jaar.’

Op 15 oktober word je 70.

‘Ik moet er zelf nog aan wennen. Een absurde gedachte. Er bestaat een interview van Simone de Beauvoir met Jean-Paul Sartre toen die de 70 naderde. Hij zei in alle oprechtheid tegen haar: mijn lichaam takelt af, mijn ogen gaan achteruit, ik ben bijna blind. Maar ik voel me 35. Ik kom daar ook op uit. Ik voel me nog net zo als in 1986, toen ik werkelijk 35 was en net begonnen aan De tandeloze tijd.’

Beschouw je 35 ook als je ‘absolute leeftijd’, zoals Harry Mulisch dat noemde?

‘Néé. Mijn absolute leeftijd is 11. Toen ik zo oud was, heb ik vaak tegen mezelf gezegd: zo zou het altijd moeten blijven. Ik ging helemaal op in het spelen op straat. Dat was niet zomaar spelen… daar speelden zich hele veldslagen af, met stok- en zwaardgevechten, zoals ik die uit de film kende. Er waren meisjes bij… Ik beleefde die veldslagen als een generaal en een regisseur tegelijk. Wat me vooral bijstaat zijn de sterfscènes in de armen van zo’n meisje, vlak voordat je naar huis moest voor de warme hap.’

Denk je vaker aan de dood, nu je die dichter bent genaderd? Albert Egberts opteert, las ik in Stemvorken, in de kist voor een nachtblauwe smoking met okeren vlinderdas. ‘Noteer maar vast. Deksel pas op het laatste moment erop, anders is het zonde.’

‘Het gaat om een modeshow van de dood, hè, de Catafalque Walk. Ik denk dat Albert die niet helemaal serieus neemt. Hij spot ermee. Ik ben zelf ook niet ook zo met de dood bezig. Zolang ik schrijf, bestaat die niet. De tandeloze tijd – alleen die titel al is een protest tegen het sterven. Rage, rage against the dying of the light, dichtte Dylan Thomas. Je moet tegen de dood tekeergaan.’

Wie is A.F.Th. van der Heijden?

A.F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951) debuteerde in 1978 onder het pseudoniem Patrizio Canaponi en groeide uit tot een van de belangrijkste schrijvers in de Nederlandse letteren. Hij werkt aan een wijdvertakt oeuvre dat inmiddels meer dan vijftig titels kent, waarvan de romancycli De tandeloze tijd – waarin zijn alter ego Albert Egberts de hoofdrol speelt – en Homo Duplex, zijn moderne versie van de Oedipusmythe, de kern vormen. In zijn nieuwe roman, Stemvorken, worden de twee cycli voor het eerst vervlochten.

Van der Heijden heeft het begrip ‘leven in de breedte’ gemunt: hij blijkt als schrijver in staat om de tijd stil te zetten, op te rekken en in weelderige stijl van een magische glans te voorzien. Zijn werk werd veelvuldig vertaald, verfilmd en bekroond, onder meer met de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs. Voor Tonio (2011), een requiemroman voor zijn enige kind, werd hem de Libris Literatuurprijs toegekend.

Ontwerp Brigitte Slangen, foto Carla van de Puttelaar, 2021. Beeld Querido
Ontwerp Brigitte Slangen, foto Carla van de Puttelaar, 2021.Beeld Querido

A.F.Th. van der Heijden: Stemvorken. Querido; 888 pagina’s; € 29,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden