'89 procent van alle Nederlanders kent me'

Zijn tweede collectie hangt komende maand bij C & A. Couturier Frans Molenaar (69) – deze zomer presenteert hij zijn 90ste haute-couturecollectie – wordt dankzij zijn werk voor de winkelketen tegenwoordig op straat niet alleen herkend, maar ook aangesproken: ‘Ik ben nu ook van het volk, van het publiek.’ tekst...

Couturier Frans Molenaar keek even naar het Nederlandse weerbericht, tijdens zijn weekje vakantie in Oostenrijk. De weerman, ‘die rossige, ik weet die namen nooit, een slanke jongen’, boog zich voorover naar de Europese landkaart. Hier lag sneeuw en daar was regen en verderop kwam er nog meer ellende aan, wees Gerrit Hiemstra. Ineens zag Molenaar de binnenkant van zijn jasje voorbij flitsen: een rode voering en een wit biesje. ‘Hé!, dacht ik.’

Uw pak? ‘Míjn pak.’

Een van de ‘prachtig mooie’ pakken die Frans Molenaar heeft ontworpen voor C & A: ‘Ja, een geweldig moment.

‘En je krijgt mailtjes hè, en brieven. Van mensen die dolgelukkig zijn.’ Een vrouw: ‘Ik, met mijn maat 48, loop trots als een pauw door mijn eigen huis in uw creatie.’ Een man: ‘Pakken onder de 800 euro zitten mijn partner Eddy meestal als hobbezakken. Hij is notabene geslaagd bij C & A, alle winkels op het Noordeinde ver achterlatend. Ik hoop dat u nog lang op deze manier doorkan.’ Nog een man: ‘Mijn vrouw en ik zijn naar C & A in Rotterdam geweest. We hebben er onder andere een rood mantelpakje van u gekocht. Na een wasbeurt was het nog beeldig.’

Molenaar, hoofdschuddend: ‘Een wollen pakje in de wasmachine gooien. Och.

‘Vroeger merkte ik wel dat de mensen me op straat herkenden. Maar dan keken ze zo (hij doet de betrapte blik na van iemand die verwoed probeert te doen alsof hij niemand in het bijzonder heeft gezien), of ik zag in de etalageruit dat ze zich omdraaiden en begonnen te wijzen. Tegenwoordig komen de mensen naar me toe en zeggen ze: ‘Hé Frans, ik sag op de televisie wat je doet, nou leuk joh.’ Opgewekt: ‘Ik ben nu ook van het volk, van het publiek.’

Dit voorjaar wordt hij 70. ‘En ik voel me kiplekker.’ Zijn eerste zomercollectie voor C & A, mannen- en vrouwenmode, ligt komende maand in de winkel; een week later presenteert Molenaar zijn 89ste haute-couturecollectie. In het Amstelhotel, vanzelfsprekend, met witte wijn en bitterballen na afloop. Traditie. ‘Altijd vol, mijn shows. Ze hangen in de kroonluchters. Om tien uur moet je ze naar buiten duwen.’

U had het geld nodig, van C & A? ‘Kijk, van de couture alleen kan ik niet leven. Wie zegt dat het wel zo is, staat te liegen. We hebben ze zelf benaderd. Ik dacht al een hele tijd: wat moet ik toch met die bekende naam Frans Molenaar? Nou: bij C & A zijn ze dol op me. Het loopt als een gek. De eerste keer, voor de wintercollectie, dacht ik nog: van maatje 36 laat ik er maar niet te veel maken. C & A, dat zijn natuurlijk wat oudere vrouwen, die al drie kinderen hebben gehad en dan is de taille niet meer zo.’ Hij houdt zijn handen een decimetertje of twee uit elkaar. ‘Wat bleek? Maat 36 was à la minute uitverkocht.

‘Ach, wat er straks weer in de winkels ligt van mijn zomercollectie: een beeldig zwart-wit jurkje, voor 69 euro. Hoe kan het, denk ik dan. Daar koop ik normaal de knopen niet eens voor.’

Het wordt natuurlijk in China of zo geproduceerd. ‘Ik weet het niet eens. Ergens in een Niet in Nederland, natuurlijk.’

Dan uw haute couture: u schijnt ongeveer zestig vaste klanten te hebben. ‘Er zijn collegae die zeggen: ik heb er tweehonderd. Bestaat niet. Ik heb zestig goeie klanten, die geregeld iets kopen. Nu met de recessie merk ik wel dat het iets rustiger is. Een klant zei: ‘Ik ben 10 kilo afgevallen en ik heb zo veel mooie dingen van je die ik amper heb aangehad, die ga ik eerst eens even dragen. Drie dingen heb ik trouwens sowieso nooit aangehad.’

Toch zonde. Een mantelpak bij u is Onderbreekt: ‘4.300.’

Als couturier bouw je een speciale band op met klanten. Hoe gaat dat? ‘Maar er zijn ook mensen die ik niet wil hebben. Die voor mij geen reclame zijn.’

Is dat een bepaald type vrouw? ‘Als ik iemand altijd zie in allemaal tijgerprints, met allemaal krulletjes in het haar en allemaal kettingen om Ik had zo iemand, een bekende schilderes die erg aan de weg timmert. Ze zegt: ‘Ik wil zo graag eens naar je show komen, ik vind het zo mooi, wat je maakt.’ Lijkt me niks voor jou, zeg ik. Zat ik een keer met haar in een tv-programma, vroeg ze het weer. Ik zeg: ‘Toevallig heb ik nu ook een middagshow, met betaalde kaarten. Nodig ik je daarvoor uit.’ Belt ze me op, een paar dagen van tevoren: ‘Ik ga toch naar je avondshow. Ik eet dan met Ferry en Natascha Hoogendijk in het Amstel, en kom daarna met hun mee.’ Ik zeg: ‘Nee lieverd, jij gaat ’s middags, daarna eet je met Natascha en Ferry en dan komen zíj naar de avondshow en ga jíj naar huis.’ Ze heeft me nooit meer aangekeken. Wie is er nou bot? Zij wilde alleen maar komen voor haar eigen publiciteit. In de hal van het Amstel poseren, voor al die fotografen.’

Wat is een echte Frans Molenaar-vrouw? ‘Het type Neelie Kroes, Janine van den Ende. Die hebben veel aan hun hoofd, werken hard. Sterke vrouwen.’

Je leert iemand natuurlijk goed kennen, in de kleedkamer. ‘Klanten vertellen mij al gauw: ‘Ik heb dit en dat laten doen aan mijn gezicht. Kun je het zien? O, het is zo strak geworden.’ Ja, wel om te lachen ook, hoor. En soms zegt een klant: ‘Frans, niet om het een of ander, maar ik zit ineens op de derde rij.’ Dan zeg ik: ‘Lieverd, je moet eens even in je klerenkast kijken.’ Tja: als je drie seizoenen niks koopt. Ik zal niet zeggen dat je dan hup, meteen naar achteren gaat, maar iedere klant wil natuurlijk bij de shows op de eerste rij zitten. Is ook wel erg leuk hoor: Tóthje, Kroes, die en die. De klanten zeggen ook weleens: ‘Hoe jij ze allemaal binnenkrijgt, fantastisch.’’

Hoe komt het dat de bekende Nederlanders zo graag naar uw shows komen? ‘Weet ik niet precies. Ik ben nog nooit bij een andere Nederlandse coutureshow geweest. Ik ga niet bij Monique Collignon of zo zitten. Ik heb geen vrienden in de mode. Niks voor mij, de hele dag over een stofje of een mantelpakje praten. Ik ben pas natuurlijk wel naar de begrafenis van Edgar Vos geweest.’

Toen hij was gestorven, schreef Het Parool: de laatste van de drie grote Nederlandse couturiers is overleden, na Max Heymans en Frank Govers. ‘Belachelijk. In De Wereld Draait Door werd ik in de uitzending over het overlijden van Edgar Vos niet eens genoemd. Terwijl: daar zaten Ans Markus, die bij me koopt, en Emilie Bouwman, die de modellen voor mijn shows al honderd jaar regelt. Ik denk: wat is dit nu voor iets achterlijks. Vrienden belden me op: wat is dit? Heb je ruzie met dingetje, hoe heet die ook alweer, van De Wereld Draait Door?’

Matthijs van Nieuwkerk. ‘Maar die had ik pas gesproken. Toen zei hij nog: ‘Tjezus, wat heb je een mooi jasje aan, wat zie je er goed uit.’ Weet je wel.’

Dus daar lag het niet aan. ‘Nee. De keizer van de couture, werd er gezegd over Edgar Vos. Nou ja. Hij maakte heel mooie pakjes voor vrouwen die dat apprecieerden, maar hij was absoluut niet vernieuwend. Daarmee misplaats ik hem niet. Als je iemand schitterend kunt kleden, is dat toch al genoeg? Hij heeft in die 45 jaar wel iets neergezet. Als iemand net is overleden, ga ik niet nog een paar vervelende dingen over hem ophangen. Dat heeft helemaal geen zin.’

Kunt u behalve u zelf een andere Nederlandse couturier noemen voor wie u veel respect heeft? Tamelijk lange stilte. ‘Nou, Mart Visser heeft bij mij stage gelopen. Hij roept altijd dat hij mijn assistent was, maar hij heeft gewoon stage gelopen. Ik zie dat werk van hem nooit. En Paul Schulten maakt dingen zoals Edgar dat deed. Wie hebben we nog meer? Ja, de jongere garde. Daar zit talent tussen, echt, dat zag ik bij de Fashion Week. Wel geestig: ik stond bij de openingsavond te wachten om naar binnen te kunnen. Zegt een jongen achter de tafel: ‘Meneer Govers, u kunt doorlopen hoor.’ Ik zeg: ‘Lieverd, ik ben Sheila de Vries.’’

Maar er is geen andere traditionele couturier die u kunt noemen? ‘Even denken.’ Hij tikt op de grote tafel, in zijn fenomenale woonhuis – zwarte Jaguar voor de deur. ‘En je hebt die... Ik noem hem altijd de gemarineerde muis. O ja: Ronald Kolk. Maar die toont niet meer. Die had altijd iets van twintig sponsors.’

Waarom is hij een gemarineerde muis? ‘Ik roep de raaaaaarste dingen. Daar sta ik om bekend. Heb ik mijn hele leven gehad.’

Maakt u daar ook vijanden mee? ‘Vast wel. Ach: ik bedoel het helemaal niet zo erg.’

De jonge ontwerper Jan Taminiau heeft een paar dingen voor prinses Máxima gemaakt. Bent u dan stiekem niet een beetje jaloers? ‘Tuurlijk. Jaha. Wie wil er niet voor Máxima ontwerpen? Grappig, dat pak, gemaakt uit die postzak, heeft hij nog getoond voor de Frans-Molenaarprijs, die ik heb ingesteld voor jong talent. Ik heb Máxima ook wel eens een briefje geschreven. Ze kan zo weglopen, in mijn ontwerpen.’

Hij kijkt naar het lege kopje espresso. ‘Wil je iets anders drinken? Glaasje wijn? Nee? Ik neem ook niets voor zessen. Alleen af en toe tomatensap met een beetje wodka. Heerlijk.

‘Waar je tegenwoordig ook heen gaat: iedereen loopt op gymschoenen en in tricotbroeken en met een muts tot hier. Ik denk: wat is dit toch allemaal? In New York, in Parijs, in Rome, in Londen: overal loopt hetzelfde zootje rond. Zelfs als ik naar de gym ga, in het Amstel, doe ik niet eens een trainingsbroek aan. Voor geen goud.’

Wat was de eerste keer dat u besefte dat u iets had met kleding, met mode? ‘Ik was altijd al bezig. Ik had een piepklein ateliertje bij mijn kamer, met allemaal tangetjes en ijzerdraadjes. Toen Juliana werd ingehuldigd als koningin was ik 8. Ik was zo onder de indruk van die rode cape, afgezet met hermelijn. Mijn moeder had een lapje rood fluweel. Dat drapeerde ik op een kussen, met plukjes watten eromheen. Vond ik geweldig.

‘De kapperszaak in Zandvoort, het dorp waar ik ben opgegroeid, leek net een aquarium. Ik zeg tegen die meneer: ‘Mag ik eens een etalage bij u maken? Kost 15 gulden.’ Bij de groenteboer vroeg ik om aardappelkisten, met alle rotzooi en klei er nog aan, die stopte ik vol met stro en daarin legde ik grote nepflessen van Dior. De kapper zegt : ‘Moet ik voor die rotzooi 15 gulden betalen? Idioot.’ De dag daarop stapt Rietje Hermans binnen, de vrouw van Toon: ‘Wat heeft u een prachtige artistieke etalage.’ De kapper zegt: ‘Dat heeft dat jong van Molenaar gedaan.’

‘Ik heb dat creatieve altijd iets meer gehad dan een ander. Was dat niet zo geweest, dan was ik ook maar een grijze muis gebleven.’

Op de mulo had François, zoals hij zichzelf intussen noemde, ‘een 8 voor naar buiten kijken, schoot voor geen meter op’. Hij ging naar de Amsterdamse Kleermakersvakschool, waarna zijn vader, verkoopdirecteur bij een grote confectiefabriek, een stage voor hem regelde bij Charles Montaigne in Parijs. Het jaar daarop blufte hij zich naar binnen bij Guy Laroche, om na drie jaar zijn Parijse avontuur af te maken bij Nina Ricci. De couturier verhaalt met lichte nostalgie in zijn stem over zijn Parijse tijd. Dat hij van zijn moeder een naaimachine meekreeg die ze met zegels van Albert Heijn bij elkaar had gespaard, opdat hij in de avonduren nog iets kon bijverdienen. Dat deed Molenaar: hij ontwierp voor de ex-vrouw van een schatrijke Belgische scheepsmagnaat, ‘maatje mannequin’, wonend aan het Bois de Boulogne, ‘met een hele rij Giacometti’s’ in de gang. ‘Ze zag er doodmoe uit door alle seks die ze had met een leuke jonge vriend die ze in ruil daarvoor een sportauto beloofde waarmee hij coureur mocht worden. Ach, ik kan blijven vertellen.’

Over hoe hij bij Ricci wist door te dringen tot de kleedkamer van Grace Kelly en dat hij nog heeft gedanst met Françoise Sagan, op de plaat van Is that all there is. ‘Tien jaar later, in een interview met Vrij Nederland, zei ze dat ze nergens zo zalig op kon dansen als op Is that all there is. Ik riep: ‘En ik heb daarop met ’r gedanst!’’

In 1967 kreeg hij de grootse kans zijn eigen modehuis in Amsterdam te beginnen, met financiële hulp van een vermogende Amsterdamse slager.

Vond u het niet jammer Parijs te verlaten? ‘Ja en nee. Ik vond het geweldig in Parijs, maar je komt met die Fransen ook niet veel verder. Je moet niet denken dat ze je thuis te eten vragen. Ik ben een echte Hollander. Gewoon. Mezelf. Nuchter. Ik heb een heerlijk leven, word uitgenodigd voor alle premières. Vanavond eet ik weer met Joke Bruijs.’

U had in Parijs misschien een prachtige carrière kunnen opbouwen? ‘Dat is nu anders dan toen. Viktor & Rolf ja, die zijn erheen gegaan, maar die hebben in al die jaren wel 3 miljoen subsidie gekregen.’

Hoe kijkt u aan tegen Viktor & Rolf? ‘Ik neem mijn petje voor ze af. Ze hebben een wereldnaam opgebouwd.’ In een adem door: ‘Maar nu wil ik wel eens kleren van ze zien die je echt kunt dragen. Ik ben iemand die iets ontwerpt om een ander mooier en zelfverzekerder te maken.’

U heeft geen vaag gevoel van teleurstelling omdat het niet gelukt is in Parijs? ‘Echt niet. Geen frustraties van: ik had beroemd en internationaal kunnen zijn.’

U bent beroemd in Nederland. ‘Er is een onderzoek gedaan: 89 procent van alle Nederlanders kent me. Dat is bijna nog meer dan Heineken. Want de rest zijn baby’s. In de gekste hoeken van het land weten ze wie ik ben. Ik moest tanken, ergens richting Assen. Slaat een man zijn jasje voor me open: ‘C & A, at Frans Molenaar.’ Midden in de rimboe. Da’s toch leuk?’

Wilde u dat vroeger al, beroemd worden? ‘Ik denk het wel. Toen ik mijn vader vertelde dat ik in de mode wilde, naar Parijs, zei ik: ‘Maar ik wil ook wel filmster worden.’ Mijn vader zei: ‘In Hollywood ken ik niemand.’’

Is het soms ook niet ongemakkelijk, over straat te lopen en te weten dat ze u herkennen? ‘Als ze niet meer kijken, dan heb ik een probleem. Als ze het niet meer weten en tegen elkaar fluisteren: ‘Wie is ook alweer die’

‘Vrienden van 32 zeggen: ‘Frans, je ziet er zo goed uit.’ Maar ik let er ook op. Vandaag heb ik één pistoletje kaas op. Ieder pondje gaat door het mondje. Ik sport. En ik doe een kleurtje in mijn haar. Ik ben niet heel grijs, maar het is toch grijs. Zonde om het te laten lopen.

‘Ik hoor Joop Braakhekke nog zeggen, toen ik 10 kilo was afgevallen: ‘Je bent nou wel mooi slank, maar je hebt een ouwe kop gekregen.’ Ik zei: ‘Popje, komt helemaal voor mekaar, dat laten we optillen.’ Tegen de arts zei ik: ‘Ik wil een correctie, maar niet zo’n eentje waarbij je denkt: die is niet goed snik.’ Zo gezegd, zo gedaan. Ik had me goed voorbereid, met Arnica-druppels. Ik was helemaal niet zo blauw.’

Hij schenkt een glas witte wijn in. Proost: ‘Op een goed artikel. Ik ben natuurlijk heel benieuwd naar de foto’s. De fotografe had er uren voor uitgetrokken, maar we waren zo klaar. Ik ben het gewend. Ze wilde dat ik op de bank ging zitten, maar dan zak je zo weg – dan lijk ik net een omaatje. Ik kan beter op de leuning van de bank gaan zitten, met de hand op mijn knie. Ziet er gewoon beter uit. Een beetje jongensachtig.’

Ik hoorde dat u nooit heeft samengewoond. ‘Altijd alleen gewoond. En dat houwen we ook zo.’

Is dat niet eenzaam? ‘Ik ben nooit eenzaam. Iedere dag heb ik wat. Er zijn te veel leuke mannen en jongens. Als een relatie wat langer duurt, denk ik: ik wil weer eens wat anders. Ik heb goeie vrienden, die doen alles samen. Die zitten samen achter de computer. Niks voor mij, zo hutjemutje bij elkaar.’

Uw assistente zei: ‘Frans woont al zo lang alleen, daar word je egocentrisch van, dan is het moeilijk om nog met een ander rekening te houden.’ Is dat zo? ‘Nee. Ik ben heel goed voor andere mensen. Ik heb veel vrienden. Die zijn dol op me.’

Was het niet leuk geweest uw succes met iemand te delen? Zucht: ‘Ik ben erg blij met mijn succes. En pffff, delen’

U houdt niet zo van dat woord delen. ‘Het klinkt naar ouwe lullen. Ik zit ook niet zo vaak over mezelf te praten. Ik maak natuurlijk van alles mee. De leuke mannen komen gewoon op mijn pad. Ik zit er meestal nooit achteraan. Van de week nog. Een jongen die ik ken uit een winkel, ik weet niet eens of het een nicht is, doet er ook niet toe, vliegt me om mijn nek, vanwege het nieuwe jaar. Grote vent, leuke kop. Hij zegt: ‘Ik zou het wel leuk vinden eens met je te gaan eten.’ Ik zeg: ‘Dat kan toch? Ik eet iedere dag. Dat moet ook gebeuren.’’

De couturier staat energiek op, voor een korte rondleiding door zijn huis in Amsterdam-Zuid, boven zijn couturesalon. ‘Appeltjes’, mompelt hij, bij twee van de vele schilderijen in de woonkamer; Molenaar is een groot kunstliefhebber. Bijna alles in de woonkamer is goudkleurig. ‘Ik zit in mijn gouden periode. Eerst was alles zilver.’ Hij wijst naar een schilderij: ‘Dat stamt nog uit mijn bronzen periode.’ Een etage hoger, in een strakke, zwart-witte zaal: ‘Nou, zo slaapt een modekoning.’

Het trapportaal hangt vol foto’s, veel in de categorie Frans Molenaar-met. Frans Molenaar met Mies Bouwman. Frans Molenaar met Toon Hermans. Frans Molenaar met prinses Margriet. Frans Molenaar met Connie Palmen. Frans Molenaar met Audrey Hepburn. En zo verder.

Beneden, in de salon, trekt hij een spectaculaire kobaltblauwe avondjurk uit het couturerek, met een lange strokenrok. ‘Die is nog van Gretta Duisenberg. Wim belde me toen: ‘Frans, ze heeft iets belangrijks, je moet het prachtigste voor haar maken dat je ooit hebt gemaakt.’ Ik zeg later tegen hem: ‘Kijk, een jurk met allemaal leuke Gaza-strookjes, voor Gretta.’

Even daarvoor bekende hij: ‘Ik word milder hè, nu ik ouder word. Vroeger riep ik nog weleens tegen een ontwerper die net begon: ‘Jij komt ooit vast nog in een quiz of zo.’ Een beetje lullig doen. Nu denk ik: dat heeft geen zin. Ik ben de éminence grise.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden