ReportageThe Days and Works

8,5 uur op een bioscoopstoeltje is toch wel érg lang, ondervond Paulien Cornelisse

The Days and Works (of Tayoko Shiojiri in the Shiotani Basin).

Op het Idfa werd een achtenhalf uur durende film vertoond over een Japanse plattelandsvrouw, The Days and Works (of Tayoko Shiojiri in the Shiotani Basin). Paulien Cornelisse (Tokidoki, Japan in honderd kleine stukjes) besloot dat ze erheen moest. Ze houdt van Japan, maar dat land is nu onbereikbaarder dan ooit. Misschien helpt deze film haar om te doen of ze in Japan is.

Ik mail Bor Beekman om te vragen of ik van hem een pen met een lichtje erin mag lenen. Ik ga ervan uit dat dit tot de standaarduitrusting van een filmrecensent behoort. Dat blijkt niet zo te zijn. Bor Beekman schrijft altijd in het donker en probeert later zijn eigen gekrabbel te ontcijferen. Dat lijkt mij voor een film van achtenhalf uur geen haalbare strategie.

Ik bestel een pen met een lichtje bij een winkel voor zeilers. Zeilers, zo leer ik, moeten vaak ’s nachts wat opschrijven in hun logboek, maar willen hun nachtvisie niet verpesten door het licht aan te doen.

De pen gaat mee, en ook de geweldige thermosfles die ik in 1999 in Japan heb gekocht. Ik heb er zin in – eindelijk mag ik weer eens naar Japan, zo voelt het. Ik verwacht een verstilde film. Dat vind ik prima, want ik houd ook van minimal music.

‘Is het uitverkocht?’, vraagt een bezoeker. ‘Ja’, zegt de Idfa-medewerker, ‘maar ja, met dertig plaatsen...’ ‘Nou, je moet ook maar dertig gekken vinden die úúúren in de bioscoop willen zitten!’, roept de bezoeker. Die gekken, dat zijn wij.

De film The Works and Days (of Tayoko Shiojiri in the Shiotani Basin) ligt tussen feit en fictie in. ‘Echte mensen’ moeten hun eigen leven zo’n beetje naspelen. In de (lovende) kritieken lees ik dat dit niet erg is, omdat de vraag ‘feit of fictie’ een achterhaalde is. De film is gemaakt door de Amerikaan Curtis Winter en de Zweed Anders Ekström. De hoofdpersoon, Tayoko, is Ekströms schoonmoeder. De makers volgen haar in haar dagelijkse handelingen. Ze maakt veel schoon en werkt vaak in de moestuin. Verder verzorgt ze haar man die in een beige hoog-laagbed ligt. Uiteindelijk sterft hij. Dit is even de korte samenvatting.

Omdat de film zo lang duurt, zijn er veel momenten dat je naar waaiende bomen aan het kijken bent. Of naar de nacht. Soms is het een kwartier donker en hoor je alleen maar kikkers. Ik denk: wanneer neem ik nou écht de tijd om naar kwakende kikkers te luisteren?

De eerste vier uur gaat het goed. Ik kom in een trager kijktempo, en heb ook steeds prettige Japanherkenningsmomenten: o ja, in Japan zijn kaplaarzen altijd wit! En ja, zo’n tafel met een deken erover en een kachel eronder, lekker knus. De koude gangetjes in een traditionele Japanse boerderij. De vrouwen die allemaal een huishoudschort dragen. Ik hoor de uguisu, een vogel die een geluid maakt dat op ‘u-gu-i-su’ lijkt.

Sommige lange shots, van bijvoorbeeld een putdeksel, doen mij denken aan de situatie dat je op een bus staat te wachten zonder telefoon. Er ontstaat dan een gedwongen aandacht voor detail, die enerzijds irritant is, maar anderzijds, vooruit, ‘mindful’.

Tussen de beelden van modderige rijstvelden door krijg ik steeds meer te doen met die arme Tayoko die maar bij dat hoog-laagbed staat om tevergeefs kleine hapjes aan te bieden. Opeens zien we Tayoko een beetje huilen in een schemerig kamertje. Ik denk: wat ben ik blij dat ik Tayoko niet ben. Dan is het pauze en hoor ik een medekijker enthousiast roepen: ‘Als wij toch eens zó konden leven! Hier is iedereen maar druk, druk, druk!’

Het is belangrijk te bedenken dat mensen wel hetzelfde kunnen zien, maar nooit hetzelfde meemaken.

-

Na de tweede pauze krijg ik het lastiger. De film lijkt ineens langer te duren dan het leven zelf. Weer dat akkertje. Weer een schemering. Een lang gesprek over een vis. Ik vraag mij af: is dit een saaie film? Of is het een film over saaiheid?

Na een uur nadenken over deze vraag realiseer ik me: nee, deze film gaat niet over saaiheid. Hij gaat over een sterfproces. Over mantelzorg. Over het leven, dat niet zo heel erg leuk is.

Misschien dat daarom vrijwel niemand lacht in de film. Ik ken Japanners als mensen waar je redelijk makkelijk een geintje mee kunt maken. In deze film wordt er alleen gelachen onder invloed van sake.

Op een willekeurig moment verschijnt op het scherm het woord ‘house’. Even later verandert het in ‘horse’. Een vergissing? Een keuze? Ook hier mag ik lang over nadenken.

-

Na de derde, laatste pauze voel ik me zoals in het vliegtuig naar Japan: als je al negen uur gevlogen hebt maar toch ook nog twee uur moet. Dan houd je ineens niet meer vol. De enige uitweg is wachten, en accepteren dat je het niet kunt accepteren.

Ik probeer te bedenken dat er andere mensen bestaan die wel van deze film kunnen genieten. Misschien ben ik hier ondanks mijn liefde voor Japan en minimal music toch niet geschikt voor. Ter vergelijking: stel, ik moet naar een concert van Rammstein, dan vind ik dat waarschijnlijk niks, want ik houd niet van die muziek. Misschien is deze film een soort Rammstein: niet mijn kopje thee, maar binnen het genre toch wel goed. Ik weet het niet.

De film The Works and Days (of Tayoko Shiojiri in the Shiotani Basin) ligt tussen feit en fictie in. ‘Echte mensen’ moeten hun eigen leven zo’n beetje naspelen.

Het zou trouwens ook kunnen dat ‘genieten’ helemaal niet het doel is van de makers. Misschien gaat deze film over wachten op het einde. Het verstikkende daarvan weten de makers heel goed over te brengen. Het enige lichtpuntje is het lichtje in mijn zeilpen.

Dan, bijna aan het einde, zit ik toch ineens op het puntje van mijn stoel. De begrafenis. Door de rituelen, de boeddhistische soetra’s en het hevige verdriet krijgt deze scène een helderheid die nergens anders in de film aanwezig is.

Daarna is het afgelopen en kunnen we via Skype vragen stellen aan de makers. Ze vertellen dat ze elke scène hevig geregisseerd hebben, behalve de begrafenis, die hebben ze gewoon vastgelegd. Dat verklaart misschien de helderheid van die scène, en de houterige interacties in de rest van de film, de gezichtsuitdrukkingen die vaak wat weghebben van een druipkaars.

Met mijn laatste krachten vraag ik waarom de woorden ‘house’ en ‘horse’ ineens verschenen. ‘Dat was een grapje’, zegt Curtis Winter vermoeid, ‘dus dat leg ik maar niet uit. Maar we hebben het erin gelaten zodat we met beide benen op de grond zouden blijven staan.’

Dan is het echt klaar. Ik ga naar huis/paard.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden