34 zeer korte verhalen en een vogelkat

Het wonderlijke is niet wonderlijk, het hoort er gewoon bij in deze mooie miniaturen

Het is verleidelijk om een rechte lijn te trekken van de verhalen van Julio Cortázar naar de mooie miniaturen die in 34 zeer korte verhalen en een vogelkat zijn verzameld. Net als de Argentijnse grootmeester weet Evelio Rosero (Colombia, 1958) je er in een luttel aantal pagina's van te overtuigen dat de werkelijkheid wonderbaarlijker is dan we doorgaans denken.

Bij Cortázar heeft dat dramatische gevolgen. Zo loopt het niet goed af met de man wiens hand in een klauw verandert wanneer hij zijn trui maar niet uitgetrokken krijgt. In de laatste regels van een ander verhaal stapt een met een dolk gewapend romanpersonage met ondubbelzinnige bedoelingen de kamer van de romanlezer binnen. En in weer een ander verhaal merkt een motorrijder in Buenos Aires na een ongeluk tot zijn ontzetting dat hij in een Azteekse tempel is beland, klaar om aan de goden te worden geofferd.

Bij Cortázar worden de dammen tussen dood en leven, mens en dier, hier en daar, heden en verleden, fictie en werkelijkheid weggeslagen. In de mooie miniverhalen van Rosero zijn de dammen tussen deze werelden per definitie zo lek als een mandje. Het wonderlijke is niet wonderlijk, het hoort er gewoon bij. In dit opzicht heeft Rosero's wereld meer gemeen met die van zijn landgenoot García Márquez, die als geen ander het bovennatuurlijke wist in te burgeren in de ons bekende wereld. In 'Zij en de honden' lijkt Rosero zelfs een knipoog te geven naar Honderd jaar eenzaamheid door een vrouw die het met haar honden doet te laten verlangen naar een hondenstaart. Het dierenattribuut staat bij haar echter niet symbool voor decadentie en ondergang, zoals het varkensstaartje in Márquez' roman, maar biedt uitzicht op verlossing. Als de vrouw een hondenstaart zou hebben, 'dan zou ze hem voor de spiegel op en neer slaan. Ze zou in God geloven, vredig huilen, als gelovige sterven'. Ook in een titel als 'Kroniek van een reis door Chili' lijkt Rosero geen geheim te maken van zijn schatplichtigheid aan Márquez.

Eenzaamheid is de grondstof van Rosero's wonderbaarlijke wereld, en ook dat heeft hij met Márquez gemeen. Of het nu gaat om de man die zijn leven lang blijft wachten op een signaal aan de hemel, om de man die als gids (en mogelijk ook als echtgenoot) overbodig wordt door de aanleg van een spoorlijn, of om de man die zich afvraagt wat er gebeurt als twee spiegels tegenover elkaar worden gezet: stuk voor stuk leven ze in een niet begeerde staat van eenzaamheid.

Mijn favoriet is Dominga Dionisiano, de weduwe van een slachter die haar met zijn altijd bebloede handen beminde. Na de dood van haar man neemt ze zelf het slachtmes ter hand. Geen dier dat zich over hun nieuwe slachter beklaagt, want Dominga slacht alsof ze de liefde bedrijft. En daar worden de mannen onrustig van. 'Roze speenvarkens zouden we moeten zijn', zo denken ze, 'om tussen haar benen te kunnen sterven, zonder te protesteren.'

Roseros miniverhalen zweven zwierig heen en weer tussen Cortázars geometrische precisie en Márquez' grote gebaren. Ze lezen bijna als prozagedichten. Bijna, want met formuleringen als 'Geabsorbeerd bleven haar ogen naar me staren', 'een zeer uiteenlopende plattelandsscène' loopt de vertaling zichzelf zo nu en dan voor de voeten. Maar daar staat veel moois tegenover, zoals deze zin: 'De verpleegster kwam als een uitroepteken aanhollen.'

Uit het Spaans vertaald door Henk van Driel en Luc de Rooy.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden