2047: De stilte begint vandaag

OOK DE TAAL moet poëzie leren schrijven. En zij kan het ook weer afleren. Het leerproces te volgen is moeilijker dan het aanwijzen van de voltooiing ervan....

Galathea siet den dach komt aen.

Neen mijn lief wilt noch wat marren

T sijn de starren,

Neen mijn lief wilt noch wat marren t is de maen.

Natuurlijk vertegenwoordigt het gedicht het oude genre van de 'dageraadspoëzie', maar het bekende krijgt, als altijd bij geslaagde poëzie, even de schijn van nieuwheid. Dit had de Nederlandse taal nog niet gehaald: een zo geraffineerde sierlijkheid, een dergelijke lichtheid, zo'n verfijnd gebruik van de herhaling, zo'n fraaie en speelse poging tot overreden. En zulke muzikaliteit. Het raadsel van dit raffinement wordt nog groter als men het briefgedicht leest dat Hooft twee jaar eerder, negentien jaar oud, uit Florence aan de rederijkerskamer 'In Liefde bloeiende' schreef: de thuisgeblevenen kregen de hun vertrouwde taal of poëzie, wat stijf en stram. 1602 kan bewijzen dat Hooft als dichter vrijwel meteen een hoogte kende waar hij niet meer onder zal komen. Wie de geciteerde regels toch als een begin wil zien, kan opmerken dat de regels het moment weergeven dat de zon verschijnt, en de zon zal in heel veel van zijn poëzie een centrale verschijning, een heel grote metafoor ook zijn. Hoe schitterend wordt in een sonnet van veel later niet beschreven wat de 'minnaar' moet hebben gezien:

Van purper en van goudt het heerelijk ge waedt

Dat 's morgens het toonneel des hemels op komt proncken,

'T en is de zonne niet, maar 't voorspel van haer lonken,

De jeughd van 't lieve licht dat in het Oost opgaet.

De regels zijn ook van een prachtige dubbelzinnigheid die zich in het vervolg in de enkelvoudigheid van de erotiek terugvouwt.

Bij het zichtbaar worden van het eerste daglicht, in het Galathea-lied, wordt de dichter van het licht geboren en wordt de Nederlandse taal lichter. Maar ook de macht van de tijd, die bij geluk versnelt en bij ongeluk vertraagt, in nogal wat latere gedichten terugkerend, is in het eerste al aanwezig. Misschien het mooiste aan de regels is, dat de man de realist is, die de dag ziet komen, en de vrouw hem van gezichtsbedrog tracht te overtuigen. Haar liefde lijkt groter dan die van hem. Het gedicht is ook een hommage aan de vrouw van de wellicht meest hoofse dichter uit de Nederlandse literatuur. Ten slotte: het gegeven is vertrouwd en heeft een lange geschiedenis. Heel veel gedichten van Hooft zijn naar de metaforen en ideeën traditioneel, zijn poëzie is opgenomen in het grote Europees geheel. Maar door de taal wordt dat alles voortdurend vernieuwd: je lijkt alles voor de eerste keer te lezen. Met taal is te weinig gezegd: het zijn ook de volkomen moeiteloos gehanteerde literaire middelen. De Nederlandse taal wordt voortdurend onder je ogen poëzie. Ik citeer twee regels uit een vrij onbekend gebleven gedicht:

Indien het clagen can versachten d'ongenade

Vant wanckelbaer geluck so claech ick niet om niet.

Men wil weloverdachtheid vermoeden als de gedachte aan natuurlijkheid zich niet voordringt. Natuurlijkheid of vanzelfsprekendheid: er is misschien geen grotere lof voor poëzie dan de gedachte dat de taal zelf haar lijkt te hebben geschreven. Die van de jonge Gorter haalt die lof naar zich toe. Ook Mei is zo'n voltooiingspunt van het leerproces van de taal. 'Herman Gorter is gekomen met veel licht', schreef Van Eeden. Ook bij hem het licht der schitterende dagen.

HET AANWIJZEN van dat voltooiingspunt is meer dan een spel. Het is ook het aanwijzen van een beginpunt: in 1602 begint de moderne Nederlandse poëzie. En daarmee bedoel ik een poëzie die binnen de reikwijdte van de huidige kritiek ligt. En dus ook binnen onze poëzieopvattingen. In elke andere cultuur dan de onze zou de poëzie van Hooft ook nog in de huidige actief, want voorbeeldig zijn. Al was het alleen maar door zijn bijna volmaakt gevormde sonnetten, waarin het octaaf vaak één lange zin is, die een complete wereld oproept, waarmee een tweede wereld, die van het sextet, contact zoekt. En hoe speels, maar ook zorgvuldig, zijn de parallellen en tegenstellingen aangebracht, over alle veertien regels heen, in een bijna natuurlijke gekunsteldheid. Misschien zijn volmaaktste sonnet schreef hij op het Huis te Muiden op zondag 28 maart 1610:

Wanneer de Vorst des lichts slaet aen de gulden tóómen

Sijn handt, en beurt om hooch aensienlijck wter zee

Sijn wtgespreide pruick van levend goudt, waermee

Hij naere anxtvallicheit, en vaeck, en creple dróómen

Van 's menschen lichaem strijckt, en berch, en bos, en bóómen,

En steeden vollickrijck, en velden met het vee

In duisternis verdwaelt, ons levert op haer stee,

Verheucht hij, met den dach, het Aerdrijck en de stroomen:

Maer d' andre starren als naeijvrich van syn licht,

Begraeft hij, met zijn glans, in duisternissen dicht,

En van d'ontelbre schaer, mag 't niemand bij hem houwen.

Al eveneens, wanneer uw geest de mijne roert,

Word jck gewaer dat ghij in 't haylich aen schijn voert

Voor mij den dach, mijn Son, de nacht voor d'andere vrouwen.

Dat hoort in het Rijksmuseum van de Nederlandse poëzie.

Misschien valt Hoofts poëzie in één opzicht buiten onze opvattingen: de speelsheid, lichtheid, het gelegenheidskarakter ook ervan. Het persoonlijke eraan is het eigen gebruik van het onpersoonlijke van de traditie. Het is boven alles wellicht een poëzie voor de goede verstaander; hij moge velen in de ogen hebben gekeken om het licht van de ziel te zien, hij heeft ook heel veel met het oog op de lezers geschreven. Juist die ongeëvenaarde lichtheid, waartoe je de Nederlandse taal niet in staat acht, maakt zijn poëzie voor mij zo bekoorlijk en steeds nieuw. Maar het spel niet minder. In de allerbeste zin schreef Hooft poëzie met goede manieren, met verfijnde omgangsvormen met de taal. En dat betekent ook de afwezigheid van elke uitbundigheid of nadrukkelijkheid. 'Maat staat' heet een van zijn laatste teksten. En dat gezegde is ook voor zijn hele levenshouding karakteristiek.

Het elegante spel dat zijn poëzie ook is, laat zich aflezen aan het kleine gedicht dat de lange titel heeft 'Op de Roemers beschreven bij Joffr. Tesselscha'. Die grote inspirerende geest van zovele geestgenoten graveerde glazen:

Wat suft ghij, lezer, opgetoghen van de toog hen

Zoo luchtelijk geswaejt, en vloeyend' op haer' pas?

Zij zijn van loome handt gesleept niet; maer gevloghen

Uit een doorluchten geest; wiens wakkre pen ne was

Doorluchte diamant, papier doorluchtig glas.

Een betere omschrijving van de aard van zijn eigen poëzie had de dichter niet kunnen geven dan in de slotregels. En misschien wordt ook de lezer van zijn poëzie met die 'suffe lezer' wel heel goed aangeduid. De geest kan hem ontgaan doordat hij zich aan de poëzie bedrinkt!

LICHT EN LIEFDE zijn de grote gegevens. En die twee in wisselwerking met elkaar. Zelfs in het wondermooie gedicht 'Boek van Wijshejd in schooner handt' kan hij het boek niet los zien van de ' 't leenigh elpenbeen/ van die lieve vingerleên' en ontstaat een erotisch portret van een lezeres. Eenzijdigheid valt zijn poëzie niet te ontzeggen; die diepzinnigheid ervan is de doorwrochtheid van de vorm. Wie wil, kan zeggen dat de Nederlandse dichtkunst met een 'poésie pure' begint. Van aristocratische allure, want de Nederlandse taal in de adel verheffend. Wie Hooft tegen Vondel afzet, vergelijkt een prieel met een barokke domkerk. De vergelijking is oneerlijk, ook omdat dan spel tegen verheven, misschien wat overladen ernst wordt afgewogen, de aarde ook tegen de hemel, de geest tegen het vlees. De twee zijn een mooi voorbeeld van onverenigbaarheid van karakters, maar ook van geest, van cultuur zelfs. Natuurlijk is Vondel een groter dichter, maar hij hoort niet meer tot onze poëzie; hij is buiten het bereik van kritiek en literatuuropvattingen gekomen.

De hoffelijke plezierschrijver Hooft is bijna alomtegenwoordig in zijn brieven, die in vindingrijkheid en taal eeuwiger lijken dan het brons van de Historiën, die Nijhoff op één hoogte stelde met de 'Nachtwacht', waarin ik op de verkeerde manier met hem kan meegaan, want ik heb altijd moeite met de Nachtwacht gehad! De typering 'vriendelijke virtuoos', zoals G. Kazemier de dichter van de latere poëzie eens heeft betiteld, is nog meer van toepassing op de briefschrijver. En dat tot in zijn laatste maanden. Heel mooi is de brief die hij in maart 1647 - en hij klaagt erin elegant over zijn hoge leeftijd en toenemende zwakte van gezondheid - schreef aan de Leuvense pater Capucijn Gabriël. Twee grote doden worden in de brief herdacht, en op zeer elegante wijze wordt aan de Capucijn een lang leven gewenst. De tijd is bijna gevlogen, maar wordt de ander gegund, in de hoffelijkheid en speelsheid die Hoofts briefstijl kenmerkt. Wie die Pater Gabriël is, vermeldt Van Tricht niet in zijn bewonderenswaardige uitgave van de brieven. Hooft stuurt de pater in ongebonden vorm een aantal delen van zijn Historiën. Het kan vooringenomenheid zijn, maar mij treft die hoffelijkheid tegenover een roomse pater. Hooft is vrij van die intolerantie die van gelovige of wijsgerige eenzijdigheid het gevolg is; het moet een vaderlijk erfdeel zijn geweest. Mij treft het, omdat ik nog altijd - met zeer ver terugwerkende kracht dus - kwaad kan worden op de anti-paapsheid van bijvoorbeeld Huygens, die zelfs zeer grof werd toen Tesselschade tot de katholieke kerk overging, wat even erg moet zijn geweest als fout zijn in de oorlog, en dat was het in die tijd van de Tachtigjarige Oorlog misschien ook wel! Juist in zijn evenwicht lijkt Hooft mij voorbeeldig. Hij moet een geest als de door hem bewonderde Montaigne hebben gehad. Zijn levensleer lijkt hij uitgesproken te hebben in dat enige wijsgerige gedicht dat hij schreef, 'Noodlot'; het begint met de vertaling van een regel uit de Georgica van Vergilius. De eerste strofe:

Geluckigh die d'oorsaecken van de dingen

Verstaet: en hoe sy vast zijn onderlingen

Geschakelt sulx, dat geene levenstheên,

(Godt wtgesejdt) ooit yet van selven deên

Oft leên (.....).

Het geluk moet dat van een rustige geest zijn geweest. Rust door eigen onderzoek en inzicht verkregen.

MISSCHIEN HEB IK - voorzichtig - toch iets te veel voorbehoud gemaakt ten aanzien van de Historiën. Want ik moet toegeven,- ik ken bijna geen indrukwekkender stuk proza dat het begin ervan, die opsomming van geweld en leed en rampspoed, toegespitst op de oorlog in de Nederlanden, maar een beeld gevend van de hele geschiedenis van de mensheid. 'Ik ga een werk aan', zijn de eerste woorden en wat volgt kan alleen maar de zwaarte van dat werk aangeven. En daarmee het werk van elke geschiedschrijver. Ik citeer iets uit de aanhef, waarin elk woord zijn sterke plaats heeft (ik citeer uit de omgespelde bloemlezing die Nijhoff uit de Historiën maakte):

'Ik ga een werk aan, dat opgeleid is van lotswissel en menigerlei geval; gruwzaam van veldslagen, waterstrijden, belegeringen, bitter van twist, warrig van muiterij; beklad van moorddaad buiten de baan des krijgs; wrang van wreedheid, zelfs in pais. Voorspoed, tegens, thans vrede met uitheemsen. Straks inwendige partijdigheid en oorlog daar uit ontfonkt. 't Zelve plotselijk gesmoord; en weder stilte, maar getergd. D'inboorling onder zweep gebracht, en gedreven tot de wapenen. Voorts verstoren van steden, scheuren van kerken, verwoesten van landschappen, zeden en godsdienst. Terwijl men elkanderen plaagt, 's hemels plagen op den hals gehaald; aardbeving, pest, honger, harde winters, hoge waternood, verdrenken van dorpen, volk en vee.'

Bij dit taalgekletter krijgt zijn poëzie bijna iets lichtzinnigs, althans: ze wordt idyllisch, pastoraal, een spel in een besloten, intieme wereld, in een kring van gelijke geesten gespeeld. Het geluk van het kennen der oorzaken moet hem het relativisme hebben gegeven dat de exclusiviteit mogelijk maakt en hem de stille eentonigheid van het leven op het slot te Muiden doet waarderen, want 'Beter stil nochtans als tet hardt gewaejt'. Dat schrijft hij aan zijn zwager Baek; de zin zou zijn levensmotto kunnen zijn.

Men heeft hem 'niet volks' genoemd. Alsof 'volks' een verdienste is. Wellicht was een wat voorname arrogantie hem niet vreemd; die is hem bij zoveel uitmuntende gaven gegund. 'Volks',- het is ook een aanduiding van 'Hollands', want wij vieren de gemeenzaamheid als een culturele verworvenheid. Misschien is Hooft als Nederlander juist zo voorbeeldig, omdat hij in zoveel opzichten zo on-Nederlands is. Tot in de lichtheid van de taal van zijn poëzie en vele van zijn brieven toe. Het uitzonderlijke of vreemde zelfs is altijd voorbeeldiger en stimulerender dan het eigene.

Ik keer terug naar het jaar 1602. Het Nederlands is volleerd in de poëzie. Het zal weer snel afleren. Jan Luyken zal in zijn Duytse lier het Nederlands weer van de grond verheffen in de poëzie, en later - het mag u verwonderen - Poot met zijn 'De maen bij Endymion'. Dan is alles vergeten. En moeten we tot 1889 wachten. Op het nieuwe geluid, dat natuurlijk ook oud was, maar de schitterende schijn van nieuwheid had. De ongemeen lichte taal van veel van Leopolds poëzie zal volgen. En u kunt het dichtende Nederlands zelf verder volgen.

1602 is niet alleen een beginpunt, het is ook het eindpunt van de moderne poëzie, vanuit nu gezien. Zoals het hoort.

Ik heb de afgelopen week alle gedichten herlezen. Opnieuw met bewondering. De gedichten mogen weinig nieuwe interpretaties aanreiken, aan de taal ervan blijken elke keer nieuwe dingen te ontdekken. Wat P. C. Hooft met onze taal heeft gedaan, is ongelooflijk. Of natuurlijk niet. Hij heeft ze tot poëzie gemaakt. Toen ik het boek sloot, kregen twee regels ineens voor mij er een eigen betekenis bij, want hoeveel jaar zal het duren voor ik weer aan de herlezing begin. Ik liet in de twee, ook nog zeer fraaie regels, het gedicht zelf spreken:

Sal nemmermeer gebeuren/ mij dan nae dese stondt

De vriendschap van v ogen/ de wellust van v mondt?

De volgende herdenking is in 2047. De stilte begint vandaag.

Tekst van een toespraak gehouden zaterdag jl., tijdens de jaarvergadering van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, ter herdenking van de driehonderdvijftigste sterfdag van P. C. Hooft.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden