& #145;Bonkbonk er aan mijn deurtje niet & #146;

AMSTERDAM Gerrit Komrij schreef teksten voor middeleeuwse liederen van Jacob Obrecht, op verzoek van het gezelschap Camerata Trajectina. ‘Bij een dichter van mijn temperament beginnen dan de vingers te jeuken.’..

‘Poëzie is geluk, niet in de zin van gelukkig zijn, maar van geluk hebben.’ Aldus een stralende Gerrit Komrij, die net de eerste en geslaagde resultaten heeft gehoord van zijn nieuwste project: liedteksten voor Jacob Obrecht, de Vlaamse componist uit de Renaissance, die dit jaar centraal staat op het Festival Oude Muziek in Ut recht.

Obrecht is vooral beroemd om zijn missen, maar van hem is ook een twintigtal composities op Nederlandse teksten bekend. Ideaal repertoire voor het in dit genre gespecialiseerde gezelschap Camerata Trajectina. Alleen was er het probleem dat van de teksten niet veel meer bewaard was gebleven dan een eerste regel of een titel.

Artistiek leider Louis Grijp zocht contact met Komrij, niet alleen een muzikaal dichter, maar ook een groot kenner van de poëzie uit de late middeleeuwen. Op basis van de noten had Grijp versschema’s samengesteld, inclusief alle accenten, ritmesprongen en momenten waarop gerijmd moest worden. Aan Komrij de dankbare taak om deze vaak zotte en boerse ‘liedekens’ opnieuw van woorden te voorzien.

‘Ik heb de teksten niet archaïsch willen reconstrueren. Je probeert het modern te doen, gewoon zoals je nu schrijft, maar tegelijk geen dingen te gebruiken die heel erg uit de toon vallen.’

Toch is een van de eerste woorden die opvallen de naam ‘Dodewaard’, een woord dat voor een hedendaagse luisteraar vooral nucleaire associaties oproept.

‘Het is natuurlijk op het randje als het publiek te veel aan die kerncentrale zou blijven hangen, maar dat zijn kleine vrijheden, knipogen die je je veroorlooft. Bovendien gaat het even later over Verlorenhuis en Niemandswad, dat zijn allemaal fictieve plaatsnamen. Het is heel goed denkbaar dat in een middeleeuws nonsensgedicht een plaats met de naam Dodewaard zou voorkomen, de dood en de waard waren veel voorkomende figuren.’

Om in de juiste sfeer te komen, maakte Komrij gebruik van de uit dezelfde tijd stammende rederijkerspoëzie: ‘De echte rederijkersgedichten waren langer en strakker van vorm, maar net als deze liederen werden ze wel voor een publiek gemaakt, niet voor het papier. Er werd dus lekker veel gerijmd, maar ook thematisch zijn er overeenkomsten. Veel rederijkersgedichten zijn op het obscene en gore af, alle lichamelijke functies komen erin aan bod, van eten tot ontlasting en natuurlijk veel ontrouw. Die tijd was echt niet preutser dan de onze.’ Een stelling die zijn bewijs lijkt te vinden in het lied met de weinig verbloemende titel Meisje, is je kutje rauw?, een letterlijke hertaling van het oorspronkelijke Meisken es u cutkin ru?

Iets minder expliciet, maar daarom niet minder dubbelzinnig is het prachtige Rompeltiere, rompeldaar, dat door Komrij werd omgezet in ‘Bonkbonkhier en bonkbonkdaar, / Bonkbonk er aan mijn deurtje niet.’

Behalve grof en platvloers kunnen de liederen ook ontroerend en zelfs pathetisch zijn, zoals het lied waarvan alleen de regel ‘Ik hoor de clocskens luiden’ bewaard bleef. In dit lied laat Komrij een man vertellen hoe hij in de ‘wonderzoete klank’ van klokgelui de stem terughoort van zijn dode geliefde: ‘Zuiver als water, helder geklater, / De stem van haar die ik heb bemind.’

Nu hij voor het eerst ook de muziek gehoord heeft, beschouwt Komrij dit als een van de meest geslaagde liederen: ‘Als je die sopraan boven die andere stemmen uit hoort klateren, houd je het echt niet droog.’

Dat zijn woorden vijfhonderd jaar later zo wonderwel pasten op middeleeuwse noten, is des te opmerkelijker omdat normaal gesproken de tekst aan de muziek voorafgaat.

Of dat ten tijde van Obrecht ook zo was, weten we niet, maar Komrij stelt zich een situatie voor zoals hij die ook nu nog kent uit zijn tweede vaderland Portugal: ‘Als je daar heel laat op de avond in zo’n fadocafé bent, dan komt daar meestal ook wel een dichter langs. De zanger weet dan: die man heeft een tekst bij zich. Die wordt dan ter plekke uitgeprobeerd en als de tekst bevalt, komt hij op het repertoire.

‘En de dichter – ach, die krijgt een consumptie.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden