Interview De museumdirecteur

‘We zijn zo gewend geraakt aan de honderdduizenden en miljoenen bij bezoekersaantallen, dat het ‘kleine’ vergeten wordt’

De Volkskrant vraagt museumdirecteuren hoe ze meer bezoekers trekken. In de 6de en laatste aflevering: Robbert Roos (53) van Kunsthal KAdE in Amersfoort. 

Directeur Robbert Roos van het museum De Kade in Amersfoort. Beeld Judith Jockel

Het gesprek met Robbert Roos, directeur van Kunsthal KAdE in Amersfoort, is al een tijdje gaande als de vraag wordt gesteld waar hij de grens trekt, in zijn zoektocht naar een groter publiek.

‘Bij platte banaliteit. We moeten wel KAdE blijven.’

Wat verstaat u onder platte banaliteit?

‘Poeh. Nou moet ik een voorbeeld noemen waarmee ik mensen niet op de tenen trap.’

Hij denkt even na.

‘Ik vind dat je collega’s in hun recht moet laten, maar laat ik zeggen…’

Weer een stilte.

Dat u geen Joseph Klibansky zou programmeren, zoals De Fundatie in Zwolle doet.

Lachje: ‘Nee.’

Op Facebook schreef u: ‘Er zit echt nog geen heel klein beetje artisticiteit in deze commerciële marketing rommel.’

‘Ik zeg niet dat Ralph Keuning van De Fundatie in Zwolle het fout doet. Integendeel. Hij heeft het voor elkaar gekregen om met tentoonstellingen van Jeroen Krabbé, Klibansky en Nick en Simon, een publiek aan te boren dat óók naar zijn museum komt voor zware Duitse interbellumkunst. Dat is pure winst. En hij heeft het helemaal met zijn eigen handen opgebouwd. Mijn kritiek op Facebook ging overigens over programma’s als Pauw en Jinek en hun neiging om kunstenaars uit te nodigen waar sensatie omheen hangt. Daar zit niet Mark Manders op het moment dat er een groot beeld van hem op het Rokin in Amsterdam wordt geplaatst.’

Het is maandagochtend op het Eemplein in Amersfoort, zo’n typisch Nederlands nieuwbouwplein met een MediaMarkt, een Albert Heijn, Primera, Pathé en een Blokker. Het is ook het plein waar de wereld te zien is, want achter de gevel van cultureel centrum het Eemhuis bevindt zich Kunsthal KAdE, duizend vierkante meter groot, waar directeur Robbert Roos (53) met een klein team een ambitieus internationaal programma voert. Een van de pijlers onder Roos’ programma is de serie landententoonstellingen. Groepspresentaties van hedendaagse kunstenaars uit Japan, Brazilië, Zuid-Afrika − een eigenwijze, maar ook gewaagde keuze voor een kleine kunsthal in een provinciestad.

Voor Roos museumdirecteur werd, was hij kunstcriticus. Hij gaf leiding aan het tijdschrift Kunstbeeld toen hem in 2007 werd gevraagd na te denken over een nieuwe kunstruimte in Amersfoort. Hij maakte een oriënterend rondje langs museumdirecteuren voor hij zijn advies schreef. Daar stond in: ga niet verzamelen, want er zijn al genoeg musea in Nederland met een collectie. En kijk buiten Amersfoort. ‘Ik heb,’ zegt hij nu, ‘de mazzel gehad dat de gemeente mij − tegen de huidige trend in om kleine musea vooral verbinding met de eigen regio te laten zoeken  nooit een lokale agenda heeft opgedrongen.’

Een bezoeker van het museum De KAdE. Beeld Judith Jockel

Wat is er mis tentoonstellingen maken voor je eigen regio?

‘Niets. Maar als regionaal instituut hadden we hier in plaats van 30 tot 40 duizend bezoekers, wat de ambitie was, hooguit 10 duizend bezoekers per jaar gehad. Geen stad, of het nou Amersfoort, Schiedam of Maastricht is, telt genoeg kunstenaars die zo’n niveau van werk hebben dat je er constant bezoekers van buiten mee trekt. Waarom zou iemand uit Assen naar Amersfoort komen als je daar de kunst brengt die ook in essentie in je eigen stad te vinden is?’

Waaraan herken ik een typische Robbert Roos-tentoonstelling?

‘Ik hecht aan het beeldende in de beeldende kunst. Nederland heeft een sterke traditie van conceptuele, abstracte kunst, maar ik denk wel eens: wat is er mis met het puur figuratieve? Ik hou ook van een zekere speelsheid in het maken van tentoonstellingen. Toen het ons begon op te vallen dat veel kunstenaars met modelbouw werkten, zoals fotografen Edwin Zwakman en James Casebere, die maquettes bouwen en die zo fotograferen dat het lijkt alsof je naar de echte wereld kijkt, dachten we: laten we dat eens koppelen aan modeltreinenbouwer Märklin. 

‘Je had in Amersfoort een speciaalzaak waar modeltreinbouwers uit heel Nederland kwamen, dus die link lag er ook nog. We bouwden een zeventig meter lang Märklinspoor op stoepbanden en gaven kunstenaars opdracht om acht plekken te ontwerpen langs het spoor, als variant op de romantische Zuid-Duitse taferelen die je normaal in de modelspoorbouw ziet. 

Een bezoeker van het museum De KAdE. Beeld Judith Jockel

‘Het Zwitserse duo Gerda Steiner en Jörg Lenzlinger maakte een fantasieland van bloemen en planten. Krijn de Koning gebruikte modellen van zijn installaties en bouwde er een stad van, en van het laatste stel van de trein maakten we een camera waarmee alles werd vastgelegd wat in de zalen gebeurde en dat was weer te zien op drie projecties.’

Moet uw publiek ook iets van de kunst opsteken?

‘Dat klinkt me iets te dominee-achtig. Ik hoop een snaar te raken.’

We zullen u niet horen beweren dat je een rijker mens wordt van kunst, dat je jezelf en de wereld beter leert kennen?

‘Dat vind ik wel, maar het klinkt zo pompeus en hoogdravend. Bovendien: er is momenteel ook al zo’n sterke focus op maatschappelijk verantwoorde kunst. Daar word ik wel eens moe van. Het schilderij als eigenstandig esthetisch ding heeft het niet makkelijk in Nederland.’

Uw landenprogramma heeft toch ook een behoorlijk politieke component. Tell Freedom, net afgebroken, onderzocht hoe de generatie kunstenaars die na de Apartheid is geboren, naar het eigen land kijkt. Soft Power, Arte Brasil werd geprogrammeerd ten tijde van de Olympische Spelen in Rio in 2016, omdat u tijdens het WK voetbal twee jaar eerder berichtgeving had gemist over hoe een mediagebeurtenis plompverloren landt in een land met zoveel armoede.

‘Dat klopt, maar de beeldende kwaliteit van de werken is altijd het vertrekpunt. Dat er soms een maatschappelijke component bijkomt, geeft een tentoonstelling extra lading, maar het hoeft niet.’

In 2009 ging hij mee met een oriëntatiereis van het Mondriaanfonds voor museumprofessionals naar Mexico en Curacao. Hij leerde er Nancy Hoffman kennen, destijds een van de directeuren van het Curaçaose instituut IBB dat jonge eilandbewoners een vooropleiding biedt in de beeldende kunst.

Bezoekers van het museum De KAdE. Beeld Judith Jockel

 Ze vertelde hem over hoe moeilijk het was om in de Cariben te reizen, vanwege het ontbreken van rechtstreekse vluchten tussen de eilanden, en hoe versnipperd daardoor de Caribische kunstscene was. Dat er in de moederlanden Engeland, Frankrijk en Nederland voornamelijk kunst uit de eigen voormalige kolonie werd getoond, maar dat er nooit overzichtstentoonstellingen waren gemaakt uit die regio. ‘Waarom ga jij dat niet doen?, heeft Roos toen voorgesteld, en zo werd de eerste presentatie Who more Sci-Fi than us een feit.

 ‘Het was niet eens de bedoeling dat het een pijler in ons programma werd, maar in diezelfde tijd zag ik in zo veel Europese en Amerikaanse musea de Japanse mangakunst van Takashi Murakami dat het leek alsof hedendaagse Japanse kunst alleen nog maar daaruit bestond. Ik dacht: laten we naar Japan gaan, en kijken wat er nog meer is. En toen hebben we een tentoonstelling gemaakt waarbij we die hele superflatstroming, zoals hij is gaan heten, links hebben laten liggen.’

Hoe kiest u de landen?

‘Dat begint met het gevoel: daar is iets interessants aan de hand. Vervolgens komen de criteria: zie ik een onderwerp dat echt urgent is en zich manifesteert in de kunst, interessant voor het land zelf, maar ook interessant om hier te laten zien. Is de kunst goed? Ik ben net in Australië geweest – het antwoord op alle vragen is ja: Australië heeft 65 duizend jaar oude aboriginal kunst, daarnaast heb je goede hedendaagse kunstenaars met een aboriginal achtergrond en dan is er ook nog de sociale problematiek van het land, met alcoholisme en werkeloosheid en criminaliteit binnen de aboriginal bevolking en, gelukkig, steeds meer erkenning van de Australiërs voor het feit dat zij leven op hel land van een ander.’

Zijn er ook landen die u heeft onderzocht, maar die zijn afgevallen?

‘Ik heb India laten lopen. Tijdens mijn research kwam het museum van hedendaagse kunst in Antwerpen al met een tentoonstelling met Indiase kunstenaars. En de Serpentine Gallery in Londen. Ik vond dat ik daar niks nieuws aan kon toevoegen.’

In een van de recensies over Soft Power, Arte Brasil, werd het werk van Efrain Almeida, een zwerm bronzen kolibries die zó de witte muren van de ruimte invliegt, ‘een mooie metafoor voor Braziliaanse kunstenaars, gevangen in een white cube, het nieuwste speeltje van de kunstmarkt’, genoemd. Trok u zich dat aan?

‘Ik snap de opmerking en het klopt: Braziliaanse kunst was een tijdje ‘en vogue’, het nieuwste verzamelobject. Net als de Indiase kunst dat is geweest, net als de Zuid-Afrikaanse kunst nu. Maar ik zou hem zelf als recensent niet hebben gemaakt.’

Waarom niet?

‘Omdat het een insiders opmerking is.’

U kunt ook denken: mooi dat ik kunstenaars heb uit landen die in trek zijn. Goed voor de bezoekersaantallen.

‘Ik denk dat het niet zo werkt. Dat 99 procent van de Nederlanders niet eens weet dat Braziliaanse kunst hot was. Een nadeel van werken in de kunstwereld, of je nou museumprofessional bent of criticus, is: we zijn zo goed op de hoogte van de internationale kunstwereld, dat we wel eens vergeten dat er een hele wereld buiten ligt. Dan is een van de valkuilen dat je voor je collega’s en de recensenten gaat programmeren, terwijl je focus moet zijn: wat is een interessante tentoonstelling voor je gewone publiek? 

Bezoekers van het museum De KAdE. Beeld Judith Jockel

Ik weet nog dat het Stedelijk Museum in 2005 een retrospectief maakte van Rineke Dijkstra en dat ik om me heen hoorde: die hebben we al lang bij galerie Paul Andriesse gezien. Maar soms moet je het voor de hand liggende wel programmeren, ook al is het voor jou niet meer interessant.’

Zijn de landenpresentaties eigenlijk de best bezochte tentoonstellingen?

‘Nee. Dat zijn de solo’s die we hebben geprogrammeerd, van bekende Nederlandse kunstenaars. Henk Visch, Maria Roosen, Tom Claassen. En Kleuren van de Stijl, vorig jaar ter ere van honderd jaar De Stijl.’

Kleine musea houden het hoofd amper boven water, waarschuwt de Museumvereniging al jaren. Waarom stopt u al uw energie niet in solo’s?

‘Zo lang we geen verlies lijden, vind ik het belangrijk om in een tijd waarin ‘de ander’ vaak zo vijandig wordt benaderd, die ander hier zelf aan het woord te laten.’

Na afloop van het gesprek staan we nog even op het Eemplein. Of het winkelende publiek wel eens binnenloopt? Nee, zegt Roos en dat ze erover nadenken om op de gevel een veel duidelijker uithangbord te maken: hier is kunst te zien. ‘In publieksbereik zouden we nog een slag kunnen maken.’

Een paar dagen later komt hij terug op die laatste opmerking, en mailt hij: ‘We zijn zo gewend geraakt aan de honderdduizenden en miljoenen bij bezoekersaantallen, dat het ‘kleine’ vergeten wordt. Ik zie het bezoek dat we hebben niet als vanzelfsprekend. Het is denk ik ook een realiteit dat actuele kunst geen massaproduct is. 

Toen ik de verkenning voor het opzetten van Kunsthal KAdE deed, werd mij voorgehouden dat ik maximaal 20 duizend bezoekers per jaar zou halen, want: ‘met hedendaagse kunst trek je geen mensen'. Wij zitten al jaren structureel rond de 35 duizend bezoekers. Natuurlijk willen we meer. Maar je moet soms ook je zegeningen tellen.’

Dit is de zesde en laatste aflevering in een serie interviews waarin museumdirecteuren de vraag beantwoordden: hoe houd je een museum spannend in tijden dat het vooral draait om bezoekersaantallen? Eerder verschenen er afleveringen met Timo de Rijk (Design Museum Den Bosch)Deirdre Carasso (Stedelijk Museum Schiedam),  Andreas Blühm (Groninger Museum), Ann Demeester (Frans Hals Museum), en Stijn Huijts (Bonnefantenmuseum)

Laatste kunstaankoop voor thuis?

‘Drie ansichtkaarten uit de Secret Postcard Sale van We like Art. Kunstenaars maakten speciaal werk op ansichtkaartformaat, alle kaarten kosten 100 euro, je kiest anoniem, en pas na afloop hoor je wiens werk je gekocht hebt. Ik kocht er drie: van Berndnaut Smilde, Anne Forest en Frank Halmans.’

U mag een bezoeker naar een ander museum sturen. Waar moet-ie naartoe?

‘Naar museum Voorlinden in Wassenaar. Alles is er goed aan: de collectie, het gebouw, en de omgeving.’

Stel, er valt u een ton in de schoot. Waar geeft u het aan uit?

‘Aan een solo van de Palestijnse kunstenaar Mona Hatoum, en dan de mogelijkheid hebben om te kunnen investeren in de productie van een groot nieuw werk voor onze centrale zaal. Kunstenaars opdracht geven voor nieuw werk staat bij ons hoog in het vaandel.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.