'Musea, betaal uw kunstenaars'

Tentoonstellingsgeld

Kunstenaars krijgen niet of slecht betaald door musea voor het tentoonstellen van hun werk. Een nieuwe richtlijn moet beide partijen duidelijkheid bieden over betalen voor exposities, inclusief een minimumvergoeding.

Birgit Donker, directeur van het Mondriaan Fonds, minister Jet Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en kunstenaar Herman de Vries in het Nederlandse Paviljoen tijdens de opening van de Biënnale Venetië. Foto anp

Vandaag presenteren het Mondriaan Fonds en koepelorganisatie Beeldende Kunst Nederland een onderzoek naar kunstenaarshonoraria. Uit dit onderzoek blijkt dat zowel kunstenaars als musea en kleinere 'presentatie-instellingen' behoefte hebben aan een richtlijn over 'hang- en stagelden' bij tentoonstellingen.

In Nederland is zo'n richtlijn niet voorhanden, terwijl daarvoor in bijvoorbeeld Denemarken een wettelijke regeling bestaat. Vorig jaar bleek uit een inventariserend onderzoek dat eenderde van de kunstenaars geen vergoeding ontving voor deelname aan een tentoonstelling. In de andere gevallen varieerde het honorarium tussen 150 en 3.500 euro.

Zeven tentoonstellingen

In het onderzoek zijn zeven tentoonstellingen bekeken. Het ging om solotentoonstellingen en groepsexposities, met oude en nieuwe kunstwerken, in kleinere en grotere kunstinstellingen, uiteenlopend van De Appel in Amsterdam en Stroom in Den Haag tot Frans Hals Museum/De Hallen in Haarlem) en het Van Abbemuseum in Eindhoven.

Het viel de onderzoekers op dat overleg over de contracten informeel verliep en de kunstenaars vooral bezig waren met de inhoudelijke kant van de tentoonstelling. Een van de aanbevelingen aan kunstenaars luidt dan ook simpelweg: 'Stel je zakelijk op en durf echt te onderhandelen'.

Van Abbemuseum in Eindhoven. Foto anp

Transparantie en professionalisering

Musea en presentatie-instellingen zouden moeten letten op transparantie en professionalisering. Het bureau trof slechts een tentoonstellingsbegroting aan waarop alle inkomsten en uitgaven vermeld waren. Het honorarium voor de kunstenaar bleek vaak sluitpost bij de voorbereiding van een expositie. Meestal was die vergoeding bovendien onder het wettelijk minimumloon, omgerekend naar de tijdsinvestering van de kunstenaar.

De betrokkenen leken zich hier bewust van te zijn. Een van de ondervraagde kunstenaars merkt op dat hij zijn vergoeding 'fair' vond 'ook al krijg je zeker niet elk uur betaald'. Bij een van de presentatie-instellingen tekenden de onderzoekers op: 'Dit is een charmant bedrag in de wereld van de beeldende kunst.'

De hoogte van de vergoeding hing dus niet af van de tijd die de kunstenaar besteedde aan de tentoonstelling. In de meeste gevallen hanteerde de instelling een vast bedrag, dat alleen afhing van het feit of de kunstwerken speciaal voor de tentoonstelling gemaakt werden of niet. De onderzoekers verwachten dat in een richtlijn een minimumvergoeding vastgelegd zou kunnen worden en gezorgd kan dat het honorarium gescheiden is van de rest van de begroting.

De discussie over hang- en stagelden laait vaker op. In 2008 kreeg een voorstel voor een betalingsrichtlijn onvoldoende steun uit de museumwereld.