'Mensen luisteren helemaal niet, maar beginnen meteen over zichzelf'

Interview met John Cleese

De man van Monty Python en Fawlty Towers laat zich in Amsterdam met instemmend gehum complimenteren met zijn zojuist verschenen autobiografie. Een gesprek over zijn ouders, zijn werk en waarom Basil zo bangig is.

Beeld Robin de Puy

De komiek kan narrig zijn en dan is de jolijt ver te zoeken, was me tevoren verzekerd. Dus driewerf nee, als aanloop naar het interview met John Cleese kwam ik het hotel níet met een silly walk binnen. Evenmin merkte ik leep op dat het blinkende Waldorf Astoria Amsterdam wel even iets anders is dan Fawlty Towers, laat staan dat ik de bediening om een waldorf salad verzocht. En alweer nee, tegenover John Cleese liet ik me niet ontvallen dat de zoon van verzekeringsagent Reggie Cheese die in 1915 zijn achternaam liet veranderen, zich vermoedelijk op zijn gemak voelt in ons landje van tulpenbollen, molens en jawel.

'Even lang', stelt John Cleese (overmorgen 75) plechtig vast als we elkaar recht in de ogen kijken. Met de jaren is hij (iets) vleziger geworden in de wangen en (veel) rond het middenrif. Braampje op de stem. Ontspannen neemt hij de oprechte complimenten in ontvangst voor zijn autobiografie So, Anyway... (vertaald als Kortom), de schets van zijn jeugd en zijn beroepsleven, met veel aandacht voor de jaren zestig, toen hij sketches schreef met kompaan Graham Chapman (1941-1989) voor de BBC-programma's The Frost Report en Monty Python. Mét voorbeelden. En die zijn buitengewoon leuk.

Dat hoort Cleese met instemmend hummen aan. 'De Britse pers is het niet opgevallen dat het hier en daar leuk bedoeld is. Die is alleen geïnteresseerd in controverse, zoals mijn ingewikkelde verhouding met mijn moeder. Ja, ik schrijf onaardig over haar, zoals dat ze geen algemene ontwikkeling had. En met géén bedoel ik niet: heel erg weinig.

'Maar als de pers alleen dáárover begint, is het voor mij net of ik weer in therapie ben. Die heb ik na tientallen jaren achter me.'


cv John Cleese

1939
geboren in Weston-super-Mare, Engeland, op 27 oktober

1957 begint rechtenstudie in Cambridge

1963 wereldfaam met de revue Cambridge Circus

1966-1967 The Frost Report (tv), met Graham Chapman

1968-1978 eerste huwelijk, met Connie Booth

1969-1974 lid van Monty Pythons Flying Circus (tv)

1975-1979 Fawlty Towers (tv)

1983 The Meaning of Life (laatste film met Monty Python-team)

1983 Hoe overleef ik mijn familie, met Robin Skynner (boek)

1988 hoofdrol Archie Leach in A Fish Called Wanda (film)

1999 speelt R in James Bond-film The World is Not Enough

2000 moeder Muriel Cleese (101) sterft

2001 Harry Potter and the Philosopher's Stone, en het vervolg in 2002: rol van Nearly Headless Nick (film)

2002 speelt Q in James Bondfilm Die Another Day

2004 Shrek 2, en de vervolgen in 2007 en 2010: stem van King Harold (film)

2011 Winnie the Pooh: stem verteller (film)

2012 trouwt voor de vierde keer, met Jennifer Wade

2014 reünie van Monty Pythonteam (zonder Chapman); publicatie Kortom (autobiografie).

Cleese heeft twee dochters uit eerdere huwelijken.

Cleese schreef So, Anyway... grotendeels in de eerste vier maanden van dit jaar, verblijvend in het Four Seasons Hotel in Sydney. Stalen gezicht: 'U kent het, met uitzicht op het Opera House nietwaar. Elke dag schreef ik ongeveer 700 woorden. Niet heel veel. Maar als je gestaag doorwerkt, kom je toch aan 400 pagina's.'

Nog iets ontdekt over u zelf?

'De grootste inzichten heb ik natuurlijk destijds in die therapiejaren opgedaan. Maar ik ontdekte wel een patroon in mijn leven, terwijl ik tot dusver meer heb geleefd van het ene interessante ding naar het volgende. Dan wel: van het ene ding naar het volgende, vanwege het geld; dat zijn niet automatisch interessante dingen.

'Door erover te schrijven, viel me op dat alle tv-programma's waar ik op mijn vijftiende naar keek over psychologie gingen. Toen ik later naar Cambridge ging om natuurkunde te studeren, deed ik dat vooral omdat het onderwijs daarin als goed bekend stond. Maar het interesseerde me niet echt. Daarom stapte ik snel over op rechten.

'In de jaren zeventig heb ik managementtraining-films gemaakt, waar psychologie bij komt kijken. En in 1983 hielp ik mijn psychotherapeut Robin Skynner met het schrijven van het boek Hoe overleef ik mijn familie. Toch weer psychologie! Ik was er terug, na al die jaren. Zo'n patroon zie ik dus nu pas, dertig jaar later.'

De Britse pers citeert gretig uw opmerkingen over moeder Muriel. Merkt niemand op hoe liefdevol u over uw vader schrijft?

'Nee, want ze schrijven niet graag over positieve dingen. Dit is geen grap.'

Terwijl er ook aan díe verhouding een tragische kant zat: als u succes heeft op Broadway en thuiskomt, kan uw vader u niet als gelijke tegemoet treden. Hij blijft tegen u praten als de vader die zijn zoon adviezen verstrekt.

'Dat was triest. Het duurde lang voordat ik het door had. Conversaties kon ik met hem niet voeren, het waren uiteenzettingen die ik van hem kreeg. Waarom, dacht ik aldoor, vertelt hij me dingen waarvan ik intussen veel meer weet dan hij? Maar dat neemt niet weg dat hij een ontzettend aardige man was.


'En wat mijn moeder betreft, dan hebben we dat ook meteen gehad: ik geef haar de credits voor de dingen waarin ze goed was. Ze kleedde zich netjes en zorgde voor goed eten op tafel. Huishouden ging haar goed af. Alleen de emotionele kant... Ze was zelfzuchtig, bang voor werkelijk alles - van claxons tot mensen met ooglapjes en zwijgende paarden die dichtbij staan.


'Ze beschouwde de kosmos als één kolossale hinderlaag en liet haar omgeving voortdurend op eieren lopen. Tot ze doodging, op haar 101ste.


'Toen ik 15 was zei een vriend me: 'Mijn moeder is m'n beste vriend.' Ik herinner me dat ik dacht: dat moet geweldig zijn. Even fijn als kunnen vliegen. En even onbereikbaar.'

Wanneer u schrijft over uw rol als hoteleigenaar Basil Fawlty, die voor zo veel dingen bang is, dacht ik: zou u dat bij uw moeder hebben gezien?

'Mogelijk. Fawlty zou niet leuk zijn als hij slechts bozig en kwaad was. Maar zodra je weet welke vrees daar achter schuilt - een rat in de keuken, een gezondheidsinspecteur of de angst om Duitse gasten te beledigen waardoor hij het juist doet - dan kan hij sympathie wekken. Anders vind je hem alleen maar vreselijk.

'Mijn moeder kon lachen om zwarte humor, over de dood. Daar schrok ík dan weleens van. Zodra het gezelschap weg was, veranderde ze in iemand die niet zo blij was.'

Herhaaldelijk merkt u op dat u geen brandende acteerambities hebt en geen acteer-, zang- of dansles hebt gehad.

'Zang had ik alleen op de lagere school. De leraar gooide me de klas uit als ik begon te kwelen. Tussen 1999 en 2002 heb ik in twee James Bondfilms gespeeld: dat was twee keer twee dagen werk, in vier jaar tijd. Dat is niet veel. Maar iedereen ziet het. En dan denken ze dat je een acteur bent.'

Gelooft u in comedy academies?

'Je kunt álles studeren, als de docent maar deugt. Ik heb een keer aan UC Santa Barbara een beetje acteerles gegeven. Heel praktisch: over zenuwen, dat je die onder ogen moet zien. De eerste avond optreden moet je op de automatische piloot doen. Dat is een truc om angsten te overwinnen.

'Een docent moet de innerlijke logica uitleggen: een scène mag absurd zijn, maar daarbinnen moet logica bestaan, ook al is die gebrekkig. Anders haakt het publiek af.

'In Fawlty Towers is er het hotel: daarbinnen speelt zich alles af. Iedereen weet wat een hotel is, en wat daar de norm is, en dus ook wat daarvan afwijkt. Kinderen konden die serie meteen waarderen en hadden helaas onmiddellijk sympathie voor de Spaanse ober Manuel.

'Monty Python was intellectueler, abstracter, omdat je eerst moet raden wat de norm is, het punt achter het gek doen. Dat was gewaagder. In 1967 schreef ik een sketch voor Marty Feldman en mij, waarin hij zegt: 'Ik zie ik zie wat jij niet ziet, en het begint met een B of een J.' Dan ben ík het publiek, en reageer met: 'Hoe kan iets nou met een B óf een J beginnen?' En dan Marty: 'Het antwoord is ectoplasma.' Ik: 'Ectoplasma?' Hij: 'De heer B.J. Ectoplasma. Hij werkt bij mij op een kantoor.' Ik (lacht hard): 'Maar die kan ik toch niet zien?' Marty (nog harder): 'Dat kan wel, maar dan moet u eerst een afspraak maken.'

Beeld Robin de Puy

Die dialoog is ook na 47 jaar leuk, zoals u merkt. Maar toen u met Graham Chapman de scènes voor Monty Python en The Frost Report schreef en opnam, was er geen publiek. Hoe wist u dat ze leuk waren?

'Als er publiek is, kun je horen of het leuk is. Het publiek vertelt je nog drie andere dingen: of ze verveeld zijn, of ze het begrijpen, en of ze zich beledigd voelen. Onschatbare informatie, die je alleen van een publiek kunt krijgen. Ik kan daar uit mezelf nooit op anticiperen, omdat ik dan te onzeker ben.

'En het mooie was: toen ik met Grae werkte, was hij het publiek. Dat wil zeggen: als hij moest lachen, dan deden de tv-kijkers dat later ook. Een perfect klankbord. Hij voelde dat aan. Ik niet. Ik voel wel meer niet aan.'

Zoals Chapmans homoseksualiteit. Zes jaar werkten jullie al samen en u had niet het geringste vermoeden.

'Grae had altijd gaatjesschoenen gedragen, ribfluwelen broeken en tweedjasjes met elleboogstukken, en hij was al die jaren een bierdrinkende, pijprokende, rugbyspelende student medicijnen geweest. Als je je in de jaren zestig afvroeg of iemand homoseksueel was, waren dit geen voor de hand liggende signalen. Tenzij de persoon in kwestie een vrouw was.

'Hij kon met onverwachte regels en situaties komen, out of the blue. Zo heb ik hem ook leren kennen, in de tijd van de revue Cambridge Circus uit 1963, toen deed hij een imitatie van een espressomachine en van een wortel. Als we samen schreven, deed hij misschien voor twintig procent mee; maar wát hij bijdroeg, was van goud.'

Voordat Cleese in het boek uitgebreid een aantal sketches citeert, spot hij met de lezer: doe nou maar niet of u John Cleese van binnen wilt leren kennen, inclusief de vele vormen van lijden die hem zo speciaal maken. Geef maar toe dat u eigenlijk gewoon wilt lachen.

Maakt u dat vaak mee, waar u zich ook vertoont, dat mensen naar John Cleese luisteren maar intussen zitten te wachten op een grap?

'U zult dit niet raden, maar het eigenaardige is: mensen luisteren helemaal niet. Ze beginnen meteen over zichzelf te praten. De deal is kennelijk: ik heb lang naar u zitten kijken op tv, nu moet u ook eens naar mij luisteren.

'Soms denk ik: mensen zullen me misschien iets willen vragen, iets wat niemand anders me heeft gevraagd. Maar nee, altijd praten ze over zichzelf. Hoe ik daarmee omga? Ik glimlach veel.

'Vijf keer per dag kan ik zo'n ontmoeting aan. Veertig is te veel. Vorig jaar was ik in Zuid-Afrika. Daar kon ik geen twintig meter lopen zonder aangeklampt te worden. Allemaal reuze aardige mensen, ook dat nog.

'Ik wilde in een winkel iets voor mijn vrouw zoeken. De mensen praatten gewoon door terwijl ik rustig etalages bekeek. Een minimum aan aandacht vonden ze niet eens erg. Beide partijen tevreden: ik vond een geschikt cadeau voor mijn vrouw, en zij konden me allemaal zeer precies vertellen wanneer ze ooit Fawlty Towers hadden gekeken, met de hele familie.'

Beeld Robin de Puy

John Cleese: Kortom - De autobiografie.
Vertaald uit het Engels door Janet van der Lee, Daniëlle Stensen en Marion Drolsbach.
Prometheus; 414 pagina's; euro 19,95.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.