Kennelijk kun je van stenen houden

Column Remco Campert

Remco Campert

Kun je van een stad houden? Natuurlijk, zult u zeggen. Behalve huizen, bevat de stad ook mensen. Ik houd lang niet van alle mensen in mijn stad. Maar als ik het allemaal in een handzaam pakket bijeen vergaar (huizen, grachten, veel mensen, pleinen, stegen, parken) houd ik van Amsterdam, de stad waarin ik meer dan zeventig jaar woon. Kennelijk kun je van stenen houden.

Voor Blauw Goud (Nieuw Amsterdam) schreef ik een voorwoord. Ik citeer eruit: 'De grachtengordel, aderstelsel en hartslag van Amsterdam, bestaat vierhonderd jaar (...). Iemand heeft de grachtengordel 'elitair' genoemd. Hoe kan men zich zo vergissen?! Niets is minder elitair dan de grachten, waarin alle gelederen van de bevolking thuis zijn. Van laag tot hoog (als zo'n begrip al is toegelaten in het democratische Amsterdam). Van allochtone Nederlander tot burgemeester tot dichter tot kantoorbediende, bankdirecteur, levensgenieter. Waarom schreef ik nooit over de grachten?

'(Later wel.) Veel van mijn collegadichters dienden ze tot inspiratie. Ook ik dwaalde genoeg over de grachten, genoot van het leven daar, van de eeuwenoude machtige koopmanshuizen, van de onophoudelijke bedrijvigheid. Van het mensengekrioel en van de brandweermannen die een kat uit het water redden.

'Ik denk dat ik te vertrouwd ben met de grachten. Ze behoren tot mijn alledaagse omgeving. En dan zie je vaak niet meer wat je op zou moeten vallen.'


Uit Blauw Goud van Hanz Mirck het gedicht 'Amsterdamse grachten':


De rondvaartboot waart rond,

drijfsijs-gewijze deining

Maar wanneer u wilt

leggen wij het beter uit:

Vanuit de lucht zijn de grachten eivormig

vanaf het water kom je er nooit meer uit

al voeren alle grachten uiteindelijk

naar het grote IJ

Van wat lager weerspiegelen zij:

hier staart de trap- en klokkentrots zich navel

heen om prinsen om keizers

een gracht om een gracht in een gracht

Wie met de vliezen door de spiegel breekt

ziet wat er achter grachtengordels schuilgaat:

elke veer verdonkeremaand, in zichzelf rond

klotsende verrotting, stille dood van wat zinkt,

niets wat nog stijgt. Daarom snateren wij


Van Jan Rot 'Bloemgracht':


Het mooiste aan de Bloemgracht

Was maandagochtend mijn balkon

Met uitzicht op de Wester

Bij vroege ochtendzon

Daar zat ik na te chillen

Van club of discotheek

En zag de werkmens opstaan

Voor weer een nieuwe week

Een koppie thee, wat druiven

Een laatste sigaret

Een knipoog naar het water

En opgewekt naar bed

Meer over