'In zekere zin doe ik aan voorouderverering'

Het oeuvre van Christian Boltanski getuigt van een obsessie met het leven, de dood en de overgang daartussen. Die transitie wil hij zichtbaar maken, nu met onder meer een installatie in het Grand Palais, waar je je harteklop kunt laten vastleggen op band....

Vorkheftrucks rijden af en aan met stalen buizen, waarop later luidsprekers worden gemonteerd die een hartslag laten horen. Een vrachtwagen met oplegger, volgeladen met oude kleren, worstelt zich door de smalle deur die toegang geeft tot de enorme hal. Daar wordt een plateau gemonteerd, waarop straks een grote grijpkraan komt.

Die grijper zal tijdens de expositie zonder te rusten kledingstukken oppakken uit een enorme stapel, met dezelfde willekeur waarop wij ooit uit het leven zullen worden weggerukt. Spektakel wordt het, hier onder de enorme glazen koepel van het Grand Palais. Spektakel, maar niet om te lachen.

Mens gedenk te sterven.

Christian Boltanski is in wezen een middeleeuws kunstenaar. Dante is een van zijn inspiratiebronnen, hij ziet liever romaanse kerken dan gotiek. Ernstig en onverdroten getuigt zijn oeuvre van een blijvende obsessie: leven, dood, de overgang daartussen. Hoe bestaat het dat dezelfde mens die droomt, liefheeft, verlangt, zomaar van het ene moment op het andere in een zielloos ding verandert, iets waar anderen van gruwen?

Die bizarre toestand wil hij betrappen, door telkens weer de overgang van leven naar dood zichtbaar te maken. Tegelijk bezweert hij: zijn strijd is die tegen het opgaan in de massa. Anonieme doden geeft hij een identiteit. Hij vist ze uit de massa, bewaart hun namen, kleren, beeltenissen, hartslagen.

Dat laatste moet letterlijk worden genomen. Al een paar jaar vraagt hij bezoekers van zijn tentoonstellingen hun hartslag te laten vastleggen. Ook in het Grand Palais komt een hartslagrecorder. De opnamen worden bewaard in het Archief van het Hart op het Japanse eiland Teshima. ‘Inderdaad, zoals de Mormomen geslachtsregisters van alle aardbewoners bewaren’, beaamt hij. ‘In religieus opzicht heb ik niets met hen gemeen. Maar in de behoefte om gegevens van mensen vast te leggen, voel ik me verwant. Ieder mens is uniek, en tegelijk zo fragiel. Het dodeneiland bezoek je niet om iemand terug te vinden, maar om diens afwezigheid te ervaren. Want geleidelijk zal iedereen wiens hartslag er wordt bewaard sterven.’

Christian Boltanski is een kleine, stevige man in spijkerbroek en gewatteerd jack, met bruine levendige ogen. Hij praat gemakkelijk en is de rust zelve, ondanks het team van zeventig mensen dat niet meer dan een paar dagen heeft om zijn werkstuk te installeren. Geen persoonlijk assistent te bekennen; als de telefoon weer eens gaat omdat over de vernissage moet worden overlegd, grabbelt hij een kleine agenda uit zijn zak. Het is bijna ondoenlijk hem niet op slag aardig te vinden.

Hij vertelt hoe hij alls jochie zijn moeder vergezelde naar de huishoudbeurs die in het Grand Palais werd gehouden. Beladen met prospectussen en proefjes kwamen ze thuis. ‘Het is geen galerietje in de Marais, je werkt hier voor een groot publiek en moet de mensen echt wat laten zien. Ik wil het ruimtelijke van beeldende kunst laten samengaan met het verhalende, de ontwikkeling van het theater.’

Dat het koud is, doet hem plezier; het Grand Palais zal niet verwarmd worden. ‘Ik wil dat men werkelijk het werk binnengaat, de temperatuur helpt daarbij. Bovendien ben ik een winterkunstenaar. Mijn droomland is Centraal-Europa. Bij mijn eerste expositie in Warschau voelde ik me meteen thuis, terwijl ik nooit in Polen was geweest. Ik voel me eerder Duitser dan mediterraan, was ik jonger dan zou ik willen verhuizen. Tadeusz Kantor en Joseph Beuys zijn geestverwanten. Voor een Duitser of een Pool is het normaal existentiële vragen te stellen. In Frankrijk gaat het al snel over seks of platte humor. De zogenaamde goede smaak wordt er in de kunst vaak belangrijker gevonden dan intelligentie.’

Dezer dagen is hij alom aanwezig. Personnes, zijn grote installatie in het Grand Palais trekt de meeste aandacht. Ongeveer tegelijkertijd opent Après, een nieuwe installatie in museum Mac/Val. In de winkels ligt intussen het boek Les habitants du Louvre waarin hij, samen met dichter Jacques Roubaud, een ‘mix’ maakte van (aldaar geëxposeerde) kunstenaars en het museumpersoneel. Zijn bijdrage is een reeks portretten, waarbij een geschilderd hoofd uit de collectie naadloos aansluit op een portretfoto van een suppoost of administratieve kracht. Ook dat is een manier om levenden en doden te mengen.

Vanitas, zijn sprekende klok in de crypte van de kathedraal van Salzburg, herinnert er sinds eind vorig jaar permanent aan dat een strijd met de tijd niet kan worden gewonnen.

De meest beklemmende gedaante neemt die strijd aan in de wonderlijke weddenschap met een Australische miljonair, waarbij is afgesproken dat de kunstenaar de rest van zijn leven in zijn atelier permanent door camera’s wordt vastgelegd. Inzet: de levenskracht van Boltanski. Persoonlijker kan het spel van leven en dood niet worden.

‘Antwoorden geeft mijn werk niet. Ik stel simpele vragen, vragen die iedereen kan begrijpen over klassieke kwesties als de zoektocht naar god, seks, de dood. Iedereen weet alles al, daar ga ik van uit. Maar een kunstenaar kan die individuele kennis algemeen maken. Zoals Marcel Proust door over jaloezie en eenzaamheid te schrijven het begrip daarvoor vergrootte. Dergelijke stimuli hebben we nodig. De toeschouwer voltooit en interpreteert wat hij ziet. Begrijpen is belangrijker dan handelen.’

‘Je hebt kunstenaars wier werk over kunst gaat, zoals Monet, die kleuren en vormen onderzocht. En je hebt kunstenaars voor wie het leven het onderwerp is, zoals Manet. Tot die categorie hoort mijn werk. Een debat over de traditie van de kunst interesseert me niet. Ik wil parabels geven, gelijkenissen van het leven.’

De kledingstukken zoals in het Grand Palais vormen zo’n parabel; ze staan bij Boltanski voor vergankelijkheid, maar ook voor individualiteit. Datzelfde geldt voor de verzameling hartekloppen. De beelden zijn volgens hem universeel. ‘Mijn Shoahwerk met kledingstukken werd in Japan in verband gebracht met de reis van de doden zoals die in het zenboeddhisme voorkomt. Japanners dachten dat ik Japanse voorouders had, terwijl ik niets van boeddhisme wist.’

‘In zekere zin doe ik aan voorouderverering. Drie generaties later zijn we verdwenen. Haast niemand herinnert zich zijn eigen overovergrootvader. Wie was hij, wat is er van hem geworden? Dat er een meneer Jean Dupont heeft bestaan, die anders was dan meneer Jean Durand of Jean Dumoulin – daar wil ik de mensen aan herinneren. Je identiteit verliezen is erger dan sterven. Daarom hebben totalitaire regimes de neiging namen door nummers te vervangen.’

Leven is een strijd tegen het toeval, tegen god, vindt hij. En uiteindelijk zijn we kansloos. Dat is wat hij in het Grand Palais laat zien. ‘De een gaat dood, de ander nog niet – regels zijn er niet. Je loopt op een bospad, zet een stap naar links en vertrapt een mier, zonder opzet, zelfs zonder te beseffen wat je doet. Zo houdt ook god zich niet bezig met ons leven of sterven. Die heeft andere belangstellingen.’

Terwijl de klerengrijper zijn werk doet, zal het Grand Palais straks gevuld zijn met de luide klop van honderden harten. ‘De eerste indruk zal die van een machine zijn. Maar kom je dichterbij, dan blijkt het steeds om individuen te gaan. Vandaar de titel: Personnes betekent in het Frans tegelijk mensen en niemand.’

De expositie in Mac/Val is volgens Boltanski opgewekter. Door een gang met beeltenissen van een menigte op de wanden betreed je een labyrint als een Arabisch dorp. Daar staan schematische houten figuren en klinken vragen: wanneer ben je doodgegaan? En hoe? ‘Steeds als ik bijvoorbeeld oude films zie, stel ik me dergelijke vragen: hoe zou die vrouw gestorven zijn? Hoe was het eind van die acteur? Dat interesseert me. Ik geloof stellig dat we gemaakt zijn van doden. Ze vullen onze ogen, onze dromen, onze gedachten. Wij zijn als een puzzel, het resultaat van onze voorgangers.’

Voor Boltanski zijn kunstenaars op hun best als ze jong of juist oud zijn. ‘Jongeren weten nog te weinig om bang te zijn, ouderen weten hoe met de angst om te gaan. Alles daartussen is bang: voor de dood, de waarheid, het absolute. Met kunst als kleine compensatie.’

‘Ik ben erg oud’, verklaart hij opgewekt. ‘En extreem gelukkig. Wil ik twee uur naar Amerikaanse tv-series kijken, dan houdt niemand me tegen. Geen mens kan me verplichten in vervelende galerieën te exposeren. En aan een jacht in Saint-Tropez heb ik geen behoefte. Ik heb geluk gehad: een gemakkelijk leven, steeds kunnen doen wat ik leuk vind. En beroemder dan nu hoef ik niet te worden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.