'Ik wilde me verdiepen in de gekte van mijn vader. Ik móést hem kunnen begrijpen'

Alfred Birney over zijn jeugd, zijn vader, en zijn genomineerde boek

Zijn vader vocht voor Nederland in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog en botvierde daarna zijn trauma's op zijn gezin. Met het huiveringwekkende De tolk van Java heeft Alfred Birney (65) het boek geschreven dat hij al zijn leven lang moest schrijven. Hij won er de Libris Literatuurprijs mee.

'Wie wil er een vader die meer dan honderd mensen heeft gedood?' Beeld Eddo Hartmann

Alfred Birney is 65, en als je hem vraagt hoe lang hij aan zijn laatste boek heeft gewerkt, is het antwoord: misschien wel zijn hele leven. Al op zijn achttiende riep Birney dat hij een boek zou gaan schrijven. Hij werd uitgelachen, door zijn vriendjes van het internaat. 'Ik zou beroepsgitarist worden, dat wist ik, maar er moest, dat wist ik ook, één boek worden geschreven.'

Birney schreef eerst dertien andere boeken (romans, novelles, essays) voor hij aan dat ene boek kon beginnen: De tolk van Java, vorig jaar verschenen, door Adriaan van Dis als 'meesterwerk' geprezen ('Léés dat bloody boek!') en nu genomineerd voor de belangrijkste Nederlandse literaire prijs, de Libris, die maandag wordt uitgereikt. De tolk van Java is een huiveringwekkend boek, een autobiografische roman over een door oorlog getekende vader die zijn trauma's botviert op zijn vrouw en vijf kinderen, van wie Birney de oudste is.

Die vader, Adolf Birney, was de niet-erkende zoon van een Indo-Europese vader en een Chinees-Indonesische moeder, en vocht in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog aan de kant van de Nederlanders. Toen hij honderd streepjes op zijn geweerkolf had gezet, één voor elke door hem gedode strijder, stopte hij met tellen. Hij emigreerde naar Nederland voordat hij door de Indonesiërs, die hem als landverrader zagen, kon worden vermoord. Daar trouwde hij met een Helmondse schoenmakersdochter. Het werd een rampzalig huwelijk.

Alfred Birney

Alfred Birney werd op 20 augustus 1951 geboren in Den Haag als oudste van vijf kinderen. Vanaf zijn dertiende woonde hij in internaten en tot zijn vijfentwintigste leidde hij een zwervend bestaan, waarbij hij zijn geld verdiende als gitaarleraar en musicus. Hij introduceerde het gecombineerde noten- en tabulatuurschrift voor gitaristen, dat grote navolging kreeg. Door een beschadiging aan zijn hand moest hij zijn carrière als professioneel muzikant opgeven. Hij debuteerde in 1987 met de roman Tamara's lunapark en publiceerde sindsdien vijftien boeken. Van 2002 tot 2005 was hij columnist voor de Haagsche Courant. Met zijn laatste roman, De tolk van Java, won hij de Henriette Roland Holst-prijs en is hij genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs.

Eerder kon hij De tolk van Java niet schrijven, zegt Birney. Hij wilde het ook eigenlijk niet. Slecht voor zijn gezondheid, zijn hart is niet sterk. Maar ja. 'Je schrijft dit, en dat. In 2002 werd ik columnist bij de Haagsche Courant, met als opdracht het verdedigen van de multiculturele samenleving. Nou, dat heb ik geweten. De redactie ontving kogelbrieven, m'n kop werd geëist. Er zijn columnisten die het leuk vinden als ze worden gehaat. Ik niet, ik wil dat de mensen van me houden. Ik schreef met mijn hart. Maar goed, die krant ging over de kop en ik werd met wat geld de laan uitgestuurd. In 2006 kreeg ik een hartaanval, lag ik ineens in het ziekenhuis. O, fuck. Daarna ben ik drie jaar gaan fietsen. Ik hield een blog bij, over de meeuwen aan het strand en de patatbakjes op straat, maakte mijn leven klein, hield me bezig met de dingen die ik zag. Niet met mijn verleden, niet met politiek, niks - het was goed, ik had een rustige state of mind bereikt, hoe heet dat nou, ik kan niet op het woord komen. Het is voor mij nog ochtend.'

Het is half drie 's middags, Birney heeft een pot Chinese groene thee gezet. In zijn Haagse bovenwoning staat aan meubilair alleen het broodnodige: tafel, bank, boekenkast. Hier woont een man alleen, dat is meteen duidelijk.

Hij vervolgt: 'Dat je berust in hoe het leven is, met zo'n gevoel fietste ik de dagen door. Verder deed ik niets, ik wilde geen boeken meer schrijven, ik lag maar op de bank. Maar mijn geld ging op. Ik keek op mijn bankrekening en had nog maar 4.000 euro. O, hel, ik moet iets gaan doen. Ik ging weer gitaarlessen geven. Ik schreef een novelle, dat was net te behappen. En daarna nog een novelle, en nog een. Toen ik weer op krachten was, begon ik me weer eens enorm druk te maken, over zaken als de Nederlandse literaire canon en hoe beperkt die is. Over het literatuur en -geschiedenisonderwijs. Want daar heb ik nogal een mening over. Ik vind: Nederland maakt zichzelf te klein. Wat moet je nou steeds maar weer met die Hoekse en Kabeljauwse twisten? Daar val je toch van in slaap?

'De Nederlandse geschiedenis wordt pas echt interessant in koloniaal perspectief, maar jongeren weten vaak niet eens wat Nederland en Indonesië ook alweer met elkaar te maken hadden, omdat we liever met een grote boog om die geschiedenis heen lopen. En dan bedoel ik dus níét dat de Nederlanders zich schuldig moeten voelen of erkennen dat het allemaal fout was. Zo paternalistisch, die houding. Ik bedoel: Nederland stuurde honderdduizend jongens naar de oost om Nederlands-Indië te behouden, maar verloor. Moeten de Nederlanders vijftig jaar later dan sorry gaan zeggen? Wat een onzin. Vinden de Indonesiërs ook, hoor, die denken: waar hebben ze het over, wíj hebben toch gewonnen? Dat is nou een neokoloniale houding: wij blanken hebben ons misdragen tegenover die arme bruine mensjes. Enfin, ik schreef wat essays waarin ik van leer trok. Maar het werd me steeds duidelijker: ik moest schrijven, écht schrijven. Dit boek.'

Wist je (Birney wil niet met u worden aangesproken, 'dat past niet bij me') toen al dat het dit boek ging worden?

'Ja. Ik wilde me verdiepen in de gekte van mijn vader. Ik móést hem kunnen begrijpen. Je moet weten: ik ben een verlaten kind. Ik heb mijn vader en moeder altijd vrijgepleit van wat ze hebben gedaan, en ook van wat ze niet hebben gedaan. Over mijn moeder zei ik: ze kon er niets aan doen, ze was ongeschikt voor het moederschap. Over mijn vader zei ik: hij kon er niets aan doen, want hij had een oorlogstrauma. Maar ik had ook vragen. Moest mijn vader echt die oorlog in? Hij was pas 17, te jong om te worden opgeroepen voor het KNIL, maar hij meldde zich vrijwillig aan bij de Engelse troepen, die na de capitulatie van de Japanners orde op zaken kwamen stellen in Indonesië. Mijn hoofdvraag was de volgende: was mijn vader al gek voordat de oorlog begon, of is hij gek geworden door die oorlog?'

Weet je het antwoord?

'Daar ben ik niet uitgekomen.'

Wat zijn de eerste herinneringen aan je vader?

'Ik ben zes jaar oud en lig in bed. Opeens springt het licht aan in de gang, onze slaapkamerdeur gaat open en er verschijnt een schaduw op de muur, een man met een grote dolk, als in een Hitchcock-film. Mijn vader. Wat denk je dan als kind van 6? Je denkt: dat is mijn vader en die komt me hartstikke doodsteken. Je denkt niet: o, dat is mijn vader, die is paranoïde, hij denkt dat de Indonesische vrijheidsstrijders hem in zijn huis in Den Haag komen vermoorden. Ik was doodsbang voor hem. En dat was terecht, want hij was heel gevaarlijk.'

Het gezin-Birney. Alfred is de oudste van de vijf kinderen. Beeld Eddo Hartmann

Op je dertiende worden jij en je broers en zussen door de Kinderbescherming uit huis geplaatst. Als je je vader vijf jaar later opzoekt, zegt hij: 'Waarom heb je mij verlaten?' Een misplaatste opmerking, die je niettemin lang achtervolgt.

'Ja, daar heb ik lang over nagedacht. Ik was zo onzeker dat ik hem gewoon geloofde. Maar natuurlijk had ik hem niet verlaten. Het ging niet meer, thuis. Mijn vader haalde mij en mijn broer uit elkaar na een knokpartijtje op onze kamer. Hij gaf me een uppercut onderin mijn buik, ik ging neer en kreeg twee minuten geen adem. Ik dacht dat ik zou stikken. Mijn broer riep mijn vader na: 'Als je dat nog eens doet, steek ik je overhoop!'

'Mijn moeder vond daarna een mes onder het kussen van mijn broer. Toen was het voor haar duidelijk en heeft ze de Kinderbescherming gebeld. Op een doodgewone dag ben ik uit de klas geplukt, mijn zussen en broers werden opgehaald en we werden onder politiebegeleiding naar een internaat gebracht. Mijn schoolvriendjes en leraren heb ik nooit meer gezien. Mijn leven brak in tweeën. Mijn ouders waren vanaf dat moment gescheiden. Naar het ouderlijk huis, waar mijn moeder bleef wonen, durfde ik niet terug. Zodra ik het betrad, kreeg ik vreselijke paniekaanvallen. Ik vond het wel best in het internaat.'

Je moeder komt er in het boek niet goed vanaf. Ze is geen vrouw die haar kinderen beschermt.

'Als zij ons probeerde te beschermen, werd ze afgetuigd. En als wij haar probeerden te beschermen, werden wij afgetuigd. Het was een standoff. Onze moeder was niet iemand achter wie we ons konden verschuilen. Je moet wel bedenken: er was in die tijd geen kindertelefoon, er waren geen blijf-van-mijn-lijfhuizen. Mijn moeder is weleens naar de politie gegaan, maar ze is weggestuurd, als vrouw werd je in die tijd niet serieus genomen.'

Een pagina uit de memoires van de vader van Alfred Birney, Adolf. Beeld Eddo Hartmann

Vanaf het moment dat de kinderen in een internaat zitten, toont ze weinig tot geen interesse meer. Je vader daarentegen slaat geen bezoekuur over.

'Dat is het ironische van alles, zacht uitgedrukt. Heel merkwaardig. Na een week of drie kwam mijn moeder dan eindelijk langs in het internaat. Met mijn broer stond ik haar op te wachten. Ze loopt op ons af en geeft ons een hand. Een hand!'

Zou het kunnen dat je moeder afstand van jullie nam omdat jullie haar herinnerden aan die vreselijke man die haar zo had mishandeld?

'Scherp. Ik schrik me het lazarus, wil je hem nog een keer stellen? Zo ver ben ik nog niet gekomen. Ik denk dat het zou kunnen. Ik wist: als mijn moeder mij ziet, ziet ze een kind van die man. Alleen al op grond van mijn uiterlijke kenmerken. Als wij met mijn moeder op straat liepen, zag iedereen die bruine kinderen, en daar kreeg ze dan ook altijd vragen over. Geen leuke vragen: mijn moeder werd vaak gezien als een of andere hoer. Zo werd dat in die tijd gezien. Mijn moeder was zelf trouwens ook erg racistisch. Mijn vader net zo goed.'

Heeft je vader je na die uithuisplaatsing nog weleens geslagen?

'Hij heeft het wel geprobeerd, vele jaren later. Mijn broer had intussen zwarte band taekwondo, die ging ertussen staan en daagde hem uit. Mijn vader trok zich vervolgens terug op zijn slaapkamer en riep: 'Hoe durf jij een oude man als je vader zo te bedreigen?'' Birney giechelt. 'Bespottelijk!'

Je ging ver in je onderzoek, in je drang om alle vragen over je vader te beantwoorden. Hoe heb je je vaders geschiedenis geprobeerd te ontrafelen?

'Ik had zijn eigen memoires, een enorm pak papier. Ik kende de verhalen die hij ons keer op keer had verteld. Maar ik wist niet zeker of alles waar was. Ik ben zo veel mogelijk gaan uitzoeken, me bezig gaan houden met zaken die me niets interesseren, zoals wapens en uniformen. Ik heb allerlei verslagen gelezen en vergeleken.

'Mijn vader was tolk, waarom werd hij dan bewapend, waarom vocht hij mee, waarom verhoorde en martelde hij gevangenen? Ik wílde de verhalen van mijn vader niet geloven. Wie wil er een vader die meer dan honderd mensen heeft gedood? Als jij mij vraagt wie mijn vader was, wil ik zeggen dat hij popmuzikant was, of filmacteur of professor. Ik zou willen opscheppen over mijn vader. Als jij mij vraagt wie mijn vader was, zou ik kunnen antwoorden: mijn vader was tolk, hij sprak twaalf talen. O, wat interessant, zeg jij dan. Maar als je een beetje doorvraagt, moet ik gaan zeggen dat hij heeft gemarteld en gemoord. Daar kun je toch niet mee aankomen?'

Je schreef er een boek van 532 pagina's over.

'Ja, daar zeg je me wat. Over schaamte voor mijn vader kun je dan niet spreken, denk ik. Ik durf nogal, hè? Ik leg mijn hele ziel en zaligheid bloot, ik heb alles in dit boek gegooid. Ik dacht: ik ga het gewoon allemaal vertellen. Geloof jij het, wat er staat?'

Beeld Eddo Hartmann

Ja. En jij?

'Ik wil nog steeds dat het niet waar is.'

Birney schenkt thee bij. 'Maar moet je luisteren, als ik moet uitleggen wat mijn vader is of was en wat hij heeft gedaan, dan kan ik dat natuurlijk niet vertellen zonder daar de koloniale geschiedenis bij te betrekken. Mijn vader was een onwettig kind, met een Schots-Nederlandse vader en een Chinees-Indonesische moeder. Zijn vader, afkomstig uit een rijke plantersfamilie, heeft hem nooit erkend. Nederlands-Indië was wat je nu een heel rechts land zou noemen. Het draaide om aanzien, geld en rang. In het Surabaya van die tijd stelde je als onecht kind niets voor. Ik vond het altijd overdreven dat mijn vader zich daar zo druk om maakte, maar inmiddels weet ik meer van de koloniale samenleving. Daardoor kan ik zijn woede en gevoel van miskenning beter begrijpen.'

Hij koos ervoor om in de onafhankelijkheidsoorlog aan de kant van de koloniale overheerser te vechten, er hing een poster van koningin Wilhelmina boven zijn bed. Waarom koos hij niet de andere kant, de kant van zijn schoolvriendjes?

'Dat heb ik hem ook gevraagd. Zelf zei hij: ik vocht voor koningin en vaderland. Je moet het, en dat heb ik zelf ook moeten leren, allemaal vanuit oosters perspectief bekijken. In de Indonesische cultuur speelt symboliek en verering een grote rol. Voor mijn 17-jarige vader was koningin Wilhelmina niet zomaar een koningin, maar een soort halfgod, voor hem betekende zij veel meer dan voor een gewone Nederlander. Ik weet niet of hij er ooit spijt van heeft gehad. Indo's van die generatie zullen zoiets nooit, maar dan ook nooit, toegeven.'

Je vader schiet dwars door een vrouw en een baby heen, omdat er zich een Indonesische vrijheidsstrijder achter hen verschuilt. Ook daar heeft hij geen spijt van.

'Een verhaal dat hij me talloze malen heeft verteld, vanaf toen ik klein was. Steeds maar weer opnieuw. Ik kan daar niets van begrijpen.'

Wanneer las je zijn memoires voor het eerst?

'Ik hoorde van het bestaan van de memoires van de toenmalige vriend van mijn moeder, Willem, bij wie ik een tijdje woonde in Scheveningen. Willem vertelde mij dat hij mijn vaders memoires had gelezen. De documenten zouden bij mijn moeder liggen. Maar mijn moeder beweerde dat ze gestolen waren door mijn jongere broertje, die ze weer naar mijn vader zou hebben gebracht. Mijn vader zei dat mijn moeder alles in de fik had gestoken en mijn broertje zei niks als ik hem ernaar vroeg, behalve dat ik m'n bek moest houden. Kortom: de memoires van Pa waren kwijt.

'Ik ging in die tijd, begin jaren zeventig, nog regelmatig bij mijn vader op bezoek. Op een van die bezoekjes zei ik: 'Je hebt toch niks te doen, dus waarom herschrijf je die memoires niet?' Dat heeft hij gedaan, in 1985 was hij klaar. Alle kinderen kregen een exemplaar. Wil je het zien?'

Birney pakt een bijeengebonden stapel papier uit de boekenkast. Het papier is vergeeld, er staan aantekeningen in de kantlijn. 'Die titel, echt helemaal mijn vader', zegt Birney: 'Geboren om te verliezen.' In het voorwoord schrijft zijn vader dat hij als onecht kind is geboren 'in de schaduwzijde van de Indische samenleving' en daardoor 'een ware hel van haat, minachting, verachting en walging' moest doorstaan. De scheiding van zijn Nederlandse vrouw werd veroorzaakt door 'wanbegrip tussen oost en west'. Birney bladert naar de foto's van zijn vader in uniform, op rust in de kampong. 'Mijn vader was een heel mooie man', zegt hij. 'Charmant, ook. Hij had drie correspondentievriendinnen in Nederland. Een van hen was mijn moeder. Zij was overigens zijn derde keus - met de andere twee was het niks geworden.'

De memoires van Adolf Birney. 'Die titel, echt helemaal mijn vader.' Beeld Eddo Hartmann

Waarom bleef je je gehate vader tot aan zijn emigratie naar Spanje in 1990 bezoeken?

'Uit een gevoel van verplichting, denk ik. Ik bleef maar bang voor die man. Als hij mij schreef dat hij ziek was en dat ik moest komen, dan ging ik gewoon. Dan liet hij me boodschappen doen en voor hem koken. Ik wilde natuurlijk ook dingen weten, over de oorlog, maar na vijf minuten ging hij altijd weer over op gezeur over mijn moeder of de Kinderbescherming. De laatste vijftien jaar van zijn leven heb ik hem niet gezien, hij stierf in 2005.'

Hij had het idee dat hem groot onrecht was aangedaan.

'Ja, hij heeft allerlei rechtszaken gevoerd om het ouderlijk gezag terug te krijgen. Ik deed hém iets aan wanneer ik een keer een weekeinde niet kwam. Mijn moeder had hém verraden. De Kinderbescherming en de rechters deugden niet, de Hollanders deugden niet, want hij had van de Hollanders nooit erkenning gekregen en ga zo maar door. Mijn vader had geen enkel besef van wat hij ons had aangedaan. En wij kregen de kans niet hem dat duidelijk te maken, die ruimte gaf hij ons niet.'

Terwijl het je leven tot op de dag van vandaag tekent, schrijf je.

'Op een dag trok hij zijn overhemd uit en zei: 'Wat zie je?' Ik zag littekens. Dat kwam van de Japanners, die hadden hem gemarteld. Ik moest ook mijn shirt uittrekken. 'Trek je shirt uit!' Toen ik mijn bovenlijf ontbloot had, vroeg hij waar mijn littekens waren. 'Ik zie geen littekens! Jullie beweren dat ik jullie heb mishandeld, maar ik zie geen littekens! Ík heb littekens, jij hebt geen littekens!'

'Wat moet je met zo iemand? Als je een vader hebt die volkomen redeloos is, dan buig je op een gegeven moment je hoofd maar. Want je moet het ermee doen. Mijn moeder was ook redeloos, trouwens, ze waren het allebei. Als je twee redeloze ouders hebt, niet in staat tot enige introspectie, wat moet je dan? Dan ga je boeken schrijven.'

'Mijn vader was een heel mooie man. Charmant, ook.' Beeld Eddo Hartman

Hoe zijn je broers en zussen hiermee omgegaan?

'We zijn allemaal de kunsten ingegaan, hebben allemaal in meer of mindere mate moeite ons aan te passen aan de maatschappij. Mijn zussen zijn fotograaf, mijn broer is muzikant en mijn broertje tekenaar - hij is overigens ook heel lang beroepsverslaafde geweest. Gezien de omstandigheden zou je kunnen zeggen dat we redelijk terecht zijn gekomen, maar ik kan er niet te veel over zeggen, want dat leidt tot ruzie in de familie.'

Wat vonden ze van je boek?

'Mijn broer kan het niet lezen, het is te confronterend. Van mijn broertje weet ik het niet, hem spreek ik weinig. Mijn zusje heeft het gelezen en zat wekenlang te huilen. En mijn andere zusje is kwaad, omdat ik iets onaardigs over haar heb geschreven, vindt ze. Vreemd genoeg denk ik dat mijn ouders het wel een mooi boek zouden hebben gevonden.'

Je schrijft dat je je in Holland nooit hebt thuisgevoeld, net als je vader.

'De zon schijnt hier niet vaak. Racisme is tegenwoordig een belangrijk thema - Nederland is ineens racistisch, zo lijkt het. Niet waar natuurlijk: Nederland is altijd racistisch geweest, alleen het racisme was bedekt. Mijn eigen verhalen over racisme werden door mijn vrienden niet geloofd, want ik was een Indische jongen, ik hoorde erbij! Het bestond zogenaamd niet. Dat had als voordeel dat er ook geen debat over was, en dus ook niet dat heen en weer gescheld waar we tegenwoordig doorheen moeten laveren.'

Heb je je ooit ergens thuisgevoeld?

'Om je de waarheid te zeggen voel ik me nergens thuis, nee, op de hele wereld niet. Mijn moeder zei altijd tegen mij: 'Jij komt van een andere planeet'. Misschien had ze wel gelijk. Ik vind de wereld een verschrikkelijke plek. In de jaren vijftig en zestig is mijn moeder zwaar mishandeld door mijn vader, verkracht - ik heb het gehoord, als kind. En die dingen gebeuren nog steeds. De mensen worden niet beter, ze blijven even slecht. Gék word je daar toch van?'

Heb je afgevraagd of je op je ouders lijkt?

'Mijn zussen zeggen het soms, als ik zit te drammen. 'Je lijkt Ma wel!''

Net als je vader had je tientallen vriendinnen. In dat opzicht lijk je op hem, schrijf je.

'O, dat. Mijn vader was dan ook nog zo dom om met elke nieuwe vrouw te trouwen. Binding is bij mij natuurlijk ook een probleem. Ik heb een vriendin, vijf jaar al, maar we gaan allebei onze eigen gang. Jeroen Brouwers zei ooit: als je je als kind nooit door je moeder beschermd hebt gevoeld, zul je je later ook nooit veilig kunnen voelen bij welke vrouw dan ook. Het duurde een poosje voor ik besefte dat hij gelijk had. In de liefde zoek je geborgenheid en veiligheid bij de ander, maar ik vond dat nooit. En wat eigenlijk nog veel erger is: het lukte me ook niet om de ander zich geborgen, veilig en geliefd te laten voelen.'

Je hebt kinderen. Wat voor vader ben je?

Ik heb een zoon van 24 en een dochter van 20, de moeders waren alleenstaande vrouwen. De moeder van mijn zoon werd zwanger van mij en wilde het kind houden. Ik dacht: ik ben niet mijn vader, dus ik word co-ouder. Ik heb elk weekeinde en de woensdagen voor hem gezorgd. Mijn band met zijn moeder is redelijk problematisch, maar die met mijn zoon is goed. Bij de moeder van mijn dochter ging het anders: op het moment dat ze wist dat ze zwanger was, schopte ze me de deur uit. Ze wilde een kind en had mij niet nodig. Mijn dochter heb ik leren kennen toen ze 6 was. Ik heb haar niet zien opgroeien, erg jammer, want het is zo'n leuke meid. We zien elkaar nu af en toe, maar ze heeft het erg druk, met haar vriendje enzo. Het zat er voor mij niet in om een gewone relatie te hebben en een gewoon gezin - voor geen van mijn broers en zussen zat dat erin, trouwens. Hoewel ik niets liever wilde. Het was mijn droom: een aardig meisje trouwen en een gezin stichten, weg van de terreur van mijn vader. Ik ben in wezen een burgertrut. Maar helaas, voor een normaal leven ben ik niet in de wieg gelegd. Ik heb het geaccepteerd.'

'Voor een normaal leven ben ik niet in de wieg gelegd. Ik heb het geaccepteerd.' Beeld Eddo Hartmann

Wanneer bezocht je Indonesië voor het eerst?

'In 1987, ik was toen erg met mijn vaders geschiedenis bezig. Op het moment dat de wielen in Jakarta de landingsbaan raakten, begon ik te huilen, gewoon te huilen. What the hell, dacht ik, want ik huil niet zo snel. En nu komt het: ik loop daar over het vliegveld, voorbij de douane, en ik zie mijn vader overal lopen. Ik zie allemaal mannen die precies zo lopen als hij. En toen wist ik het, binnen een paar minuten: mijn vader hoort híér thuis. Ik begreep opeens een hoop. Natuurlijk voelde hij zich niet thuis in Nederland. Ik weet niet of ik medelijden met hem kreeg, maar het was een belangrijke vaststelling.'

Ontstond daar iets wat op begrip leek?

'Ja. De mensen daar zijn zo anders, ze zijn zo warm als wat en laten je nooit met rust. Als je een boek gaat zitten lezen, komt er iemand naast je zitten en met je praten, want als je een boek leest verveel je je.'

Je bent op je vijftigste fanatiek vechtsport gaan beoefenen. Waarom?

'Ik wilde af van mijn angst voor geweld. Ik vond het geweldig om 50 te worden, wat een heerlijke leeftijd! Want je kunt nog van alles maar je hoeft niks meer. De vraag was: wat wilde ik nog? Ik ben jiujitsu gaan doen, een Japanse gevechtskunst. Ik was vrij fanatiek, er kwamen allerlei onvermoede energieën naar boven. Ik had een angstaanjagende schreeuw in huis, een strijdkreet zo hard dat ik er zelf van schrok.'

Heeft het schrijven van het boek de verlossing gebracht waar je misschien op hoopte?

'Ja. Ik ga er nooit meer over schrijven, in ieder geval. Er wachten nu nog allerlei lezingen, optredens, maar ik wil het er eigenlijk helemaal niet meer over hebben. Eigenlijk wil ik weg, naar Spanje, de pensionado uithangen. Maar het moet. Want ik wil dat mijn boek gelezen wordt.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.