INTERVIEW

'Ik snap steeds minder van poëzie'

Menno Wigman over zijn nieuwste dichtbundel

Donderdagochtend overleed dichter Menno Wigman op 51-jarige leeftijd aan de gevolgen van een hartkwaal. Hij ontdekte in een leven gewijd aan poëzie 'slordig met geluk' te zijn geweest - de titel van zijn laatste dichtbundel, die alom (vijf sterren in de Volkskrant) werd bejubeld. Lees hier het Volkskrant-interview naar aanleiding van die bundel terug.

Menno Wigman Beeld Robin De Puy

'Ik was een wrak, een tijd lang, en begaf me met de grootste moeite van de wereld naar mijn werkruimte, een zolderkamer bij een oude dame. Daar heb ik het gros van deze bundel geschreven, met de moed der wanhoop. Ik tracht zo transparant mogelijk te formuleren. De lezer moet het erin terug vinden. Maar als iets dan wordt gepubliceerd, blijkt het bij mensen hele andere associaties op te roepen. Dat is nou eenmaal poëzie, maar dat was ik even vergeten. Zoveel hoofden, zoveel zinnen. Ik snap eigenlijk steeds minder van poëzie, het is zo glibberig. Dat is ook de reden dat veel mensen geen poëzie lezen, uit angst dat ze iets niet begrijpen. Als er echter één dichter is die eenvoudig schrijft, dan ben ik het wel.'

CV

1966 geboren in Beverwijk, opgegroeid in Santpoort
1984 Studie Nederlandse letterkunde Vrije Universiteit Amsterdam
1985 debuut Two poems, in eigen beheer
1992-1994 Drummer punkband Human Alert
1995-1996 Redacteur literair periodiek Zoetermeer
1997 Officiële poëziedebuut: 's Zomers stinken alle steden
2002 Jan Campert-prijs voor Zwart als kaviaar
2005 Poet in residence in psychiatrische instelling in Den Dolder
2012 Publicatie Mijn naam is legioen
2012-2014 Stadsdichter van Amsterdam
2015 A. Roland Holst-Penning

Wigman is ongehuwd.

'Ik ben twee jaar lang stadsdichter van Amsterdam geweest, van 2012 tot 2014. Daardoor ben ik twee jaar niet van mezelf geweest, achteraf was dat een te zware periode. Ik schreef stadsgedichten, maar wel met een berekenende inzet: ooit komt er een dag dat ze gebundeld worden, en dan doen de aanleidingen niet meer ter zake.

'Maar plotseling is daar het kale uur
De wereld kantelt en de film begint'

Uit: Opname


'Dit gedicht heb ik geschreven voor het afscheid van een lid van de raad van bestuur van het Lucas Andreas Ziekenhuis. Ik stelde me voor dat iemand het opeens aan zijn hart zou krijgen, in een pashok, op het zebrapad. En in dit gedicht wordt een wensdroom beschreven van iemand die met spoed in het Lucas terechtkomt. Dat is het kale uur: het uitgeklede moment waarop je op je lichaam wordt teruggeworpen.'

'Ik denk weleens dat mijn gedichten meer weten dan ik. Want het wrange was dat ik een jaar na dit gedicht gelazer met mijn hart kreeg, en dat duurt nog steeds voort. Dus in dit gedicht heb ik het voorspeld. Je hart heeft moeten hoesten, schrijf ik verderop. Even, heel even viel de stroom uit in je bast. Ik probeer nooit zomaar iets te schrijven, maar het heeft wel iets lugubers, deze verborgen aankondiging.'

Beeld Robin De Puy

'Twee weken in mijn eigen graf gekeken,
Zo diep dat ik het haast begeven had.
Mijn hart was op, mijn borstkas stond op breken,
ik vocht verward, verweesd en afgemat,
een nietig schaakstuk uit de Rubáiyát'

Uit: Intensive Care

'Het was ergens in 2014 en ik merkte dat ik steeds benauwder werd. Ik moest veel hoesten en begon slechter te lopen. De huisarts zei dat ik maar eens naar het ziekenhuis moest gaan, en daar werd ik onmiddellijk vastgehouden. Ik lag twee weken op de intensive care. Artsen waren zo ten einde raad dat me zelfs een chemokuur werd toegediend. Als je echt ziek bent, word je als een postpakketje behandeld; je wordt aan alle kanten bevoeld en bestempeld. Maar het had weinig gescheeld of ik was er niet meer geweest.

'Ik heb enorm gehallucineerd in het ziekenhuis, veel vreemde waanvoorstellingen gehad. Ik wist zeker dat ik een van de verpleegsters van vroeger kende, dat zij bij housefeesten performances deed en nu in het ziekenhuis werkte om dichter bij de medicatie te zijn. Ik herinner me ook dat ik me naast een zwembad bevond en aan het verdrinken was. Eigenlijk liet het me ook onverschillig. Oké, dacht ik, dit is het dan. Ik legde me neer bij de situatie. Dus een echt dapper iemand ben ik blijkbaar ook weer niet.

'Ik moest ooit in mijn puberteit een hysterische reactie op een allergie hebben gehad, zei de arts. Als gevolg daarvan hebben zich allerlei littekens in mijn hartkamer opgehoopt. Die zijn hard geworden; zie het als een grote massa. Ik moet nu veel medicijnen nemen. Ik leef veel voorzichtiger, en ik voel me fitter. Ik heb de drank nagenoeg afgezworen en probeer weinig te roken - en dat valt niet mee. Maar het moet: ik heb het gevoel dat ik een tikkende tijdbom ben.

'Als ik op een feestje zeg dat ik dichter ben, kunnen mensen me soms aankijken alsof ik een besmettelijke ziekte heb. Dat is nu niet het geval, maar alles heeft nu wel met die ziekte te maken. En datgene waar ik aan lijd, daarvan zijn er maar veertig mensen op de hele wereld: het syndroom van Loeffler. Hoe krijg ik het voor elkaar dat ik daar uitgerekend mee rondloop? Ik was behoorlijk pissig toen een dichteres zei jaloers te zijn op zo'n zeldzame hartkwaal. Dat vond ik echt een minne opmerking. Wat heb ik daaraan.'

'De zon was mij nooit opgevallen als hij niet
steeds onderging. Geen lucht, geen flonkering, geen hoop
Waarom, mijn lichaam, heb ik nooit in je geloofd?'

Uit: Afscheid van mijn lichaam

'Toch heb ik het gevoel dat ik het niet goed genoeg heb verwoord. Dat ik er nog niet klaar mee ben. Ik probeer zo te dichten dat het weliswaar over mezelf gaat, maar ik hou ook een denkbeeldige lezer in gedachten. Het moment dat gij zult sterven - memento mori - is van alle tijden, en is één van de zwarte drijfveren waarom ik schrijf. Maar zoals ik het nu heb vertolkt, is het nog niet toereikend. Er zijn een aantal poëtische problemen, met alles dat met ziekte en ziekenhuizen te maken heeft. Het is een lelijk jargon, echt beschrijven is bijna niet te doen. Ik schrijf geen gedichten voor de eeuwigheid, dat is volstrekte onzin, maar ze moeten wel een jaar of tien meegaan.

'Mijn geest is heel lang niet helder genoeg geweest om er goed over na te denken. De tijd is nu rijp om de balans op te maken. Ik denk steeds vaker dat ik verkeerd geleefd heb. Ik heb echt voor de poëzie geleefd - en waarom eigenlijk? Jezus, is dit het dan? Ik heb er altijd al een goede hand voor gehad, maar ik ben er erg neerslachtig van geworden. Het is niet voor niks dat veel zwaarmoedige dichters me altijd hebben aangetrokken. Het was spelen met zwart vuur, achteraf.

'Ik krijg voor het eerst van mijn leven gedachten die ik nooit heb gehad. Had ik toch maar kinderen gekregen. Was ik toch maar getrouwd. Ik weet heel goed waarom ik het altijd heb afgewezen. Dat deed ik voor de poëzie. Dat is nogal wat, als je het zo bekijkt, want nu zit ik met lege handen. Ik heb misschien niet heel veel geschreven - of gepubliceerd - en er liggen heel veel halve gedichten in mijn computer, maar ik heb er wel heel veel voor gegeven.

'Ik heb me veel ontzegd, en dat vind ik het lastige van schrijven, het moet toch in afzondering gebeuren. Poëzie is al met al een moeizaam gedoe. Het schiet natuurlijk weleens door mijn hoofd: ik hou ermee op. De vraag is natuurlijk, kan je jezelf genezen door te schrijven? En dat vind ik een lastige. Tot op zekere hoogte kan dat.

'Ik heb poëzie altijd gezien als een amulet dat je kunt dragen om je te behoeden tegen mogelijke rampen. Als een formule die je kunt opzeggen om je te wapenen tegen rampspoed. Het heeft niet geholpen, dat is duidelijk. En wat het bezweren van die angsten betreft, ben ik er ook nog niet helemaal uit.

'Ik ontdek nu voor het eerst wat het is om echt vroeg op te staan. Ik heb twintig jaar 's nachts geleefd, wat me ook in een isolement bracht. Als iemand dan een lunchafspraak wilde maken, brak me het zweet al uit. Allemaal omdat ik dan 's nachts door niemand werd gestoord, en kon afdalen in mezelf. Het valt ook niet vol te houden om tot aan je dood toe 's nachts te leven. Nu heb ik allemaal nieuwe sensaties: geen roes meer, geen kater, en ik hou tijd over. Ik sta er van te kijken hoeveel bedrijvigheid er 's ochtends is.'

Wie zijn je voorbeelden?

'Maurice Gilliams was een zeldzaam geraffineerd, buitengewoon muzikaal dichter. Veel gedichten publiceerde hij niet, maar ze zijn vaak onverwoestbaar. Gilliams heeft mij lang geleden doen besluiten zoveel mogelijk halfrijm te gebruiken, dus niet voor het geijkte sonnet te kiezen. Poëzie heeft niet alleen met duizelingwekkende precisie te maken, ook weerbarstigheid is voor mij een vereiste. Die vind je nog altijd het meest bij de Duitse expressionisten uit het interbellum. De onverbiddelijkste expressionist is zonder meer Gottfried Benn. De hedendaagse dichter die mij het meest aanspreekt, is de New Yorkse Frederick Seidel, een bejaarde miljonair die zelden voorleest (waarom zou hij ook?) en de meest ongegeneerde gedichten schrijft die ik ooit las.'

'Thomas! Ik ken een café waar men vermoedt
dat tijd er niet toe doet. Ze drinken er
en glijden laks een slap horloge uit.'

Uit: Bericht vanuit de pers

'Ik was goed van de kaart toen ik hoorde van Thomas Blondeau en zijn hartslagaderbreuk - daar is weer dat hart. In dit land van koopgoten en vinexwijken is er nog iets van een bohème, en dat is in café De Pels in Amsterdam. Daar heb hem vaak gezien. Ik was zeer op hem gesteld, en die woelige wereld van De Pels was hij een onverstoorbare factor. In mijn gedicht Intensive Care heb ik het over een nietig schaakstuk dat van een schaakbord wordt gevaagd, en zo is die arme Thomas toch ook overleden. Het is eigenlijk heel eenvoudig, in deze bundel, we worden ouder. Ik was vroeg gefascineerd door oudere dichters en alles, maar door al die ziekenhuisellende weet ik dat er niets moois is aan het verval. Het is vies, alles eindigt - pfffff - en dan dat vocht dat mensen laten lopen.

'Uit lijfsbehoud voel ik dat ik losraak van de zwarte romantiek. Ik ben nog niet helemaal uitgeschreven, maar dit is toch ook een bundel van iemand die zichzelf heeft overleefd. En met dat sentiment leef ik nog steeds. Het is een broos iets, het leven.'

'De winter van misnoegen is voorbij
Zie hoe ik parel in het voorjaar. - Jij!
Ik zwierf zo lang van ik naar ik naar ik
en nu zie ik alleen nog jouw gezicht.'

Uit: Liefde

'Als ik nu mijn naam op Google intik, zie ik 'Menno Wigman ziek'. Hoe kan dat dan? Ik ben bang dat mensen denken: 'Die Wigman kan niet meer op komen dagen.' En dat is even zo geweest, toen ik in het ziekenhuis lag. Er hangt nu een rouwrandje om me heen, en misschien heb ik het daar zelf wel naar gemaakt, met al die ellende die ik opschreef.

'Daarom wilde ik deze bundel vrolijk eindigen, tenminste dat was de bedoeling. Ik zwierf zo lang van ik naar ik en nu zie ik alleen nog jouw gezicht. Dichters zijn niet voor niets zo met zichzelf bezig, er moet immer iets uit hun handen komen. Maar wat ik hier in dit gedicht eigenlijk doe, is het afleggen van het egocentrische - en ook dat is een moeilijke stap. Mijn laatste vriendin heeft het uitgemaakt omdat ik te veel met mijzelf bezig ben. Ja, wat had ze dan verwacht? Zoveel kunstenaars zijn met zichzelf bezig. Ik ben slordig met geluk geweest, dat is waar. Ik heb het leven bijna uit mijn handen laten glippen. Maar er komen ook vast weer betere tijden, het kan nog.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.