'Ik heb in mijn leven geleerd dat liefde tussen ouder en kind helemaal niet vanzelfsprekend is'

Schrijver Charlotte Mutsaers over haar overleden broer Barend

Ze stapte over naar een vrolijke, jonge uitgeverij en verdiepte zich in het vreemde, eenzame leven van haar overleden broer Barend, waarover ze een boek schreef. Charlotte Mutsaers is terug van niet weggeweest.

Charlotte Mutsaers Foto Oof Verschuren

Op 29 december 2001 werd de broer van Charlotte Mutsaers dood gevonden op zijn bed in een gloednieuw pyjamajasje, zonder broek, omringd door stapels porno. Hij leefde als een kluizenaar, in het voormalig ouderlijk huis van het gezin-Mutsaers in de binnenstad van Utrecht.

Jarenlang probeerde Mutsaers een boek over haar broer Barend te schrijven, maar ze kreeg het niet uit haar pen, vertelt ze in haar Amsterdamse werkappartement waar het lekker warm is, want Mutsaers is een koukleum. 'Ik had mappen vol, maar het geschrevene beantwoordde niet aan mijn eigen normen. Blijkbaar moet je bepaalde dingen eerst laten bezinken om erover te schrijven. Althans: dat geldt voor mij.'

Mutsaers wordt op 2 november 75, een mijlpaal die samenvalt met het verschijnen van het boek over Barend, Harnas van Hansaplast. Haar nieuwe uitgever Das Mag organiseert een groot verjaardagsfeest in De Rode Hoed. Daar wordt naast het boek ook een elpee gelanceerd, Rikkelrak, waarop ze eigen gedichten 'zingt', en een kleurboek voor 'nooit-volwassenen'.

De overstap van De Bezige Bij naar het jonge Das Mag was 'hélemaal in de roos', zegt de P.C. Hooft-prijswinnaar, die werd 'verleid' door oprichters Toine Donk en Daniël van der Meer. 'Nee, ik vertel niet waarom ik ontevreden was over De Bezige Bij. Ik zou wel willen, maar dat wordt me niet in dank afgenomen. Ik vind het eigenlijk raar, dat ik me daarin niet vrij voel, net zoals ik niet begrijp waarom klokkenluiders altijd eindigen in een caravan. Ik kan alleen zeggen: ik wil het echte leven en dat vind ik bij Das Mag.'

Hoe hebben Toine Donk en Daniël van der Meer van Das Mag u verleid?

'Gewoon, we gingen lekker garnalenkroketjes eten bij het Conservatorium Hotel. Ik trad op bij Literaturfest, ook door hen georganiseerd, en dacht: goh, zo kan het ook! Je hoeft op een literaire bijeenkomst niet zachtjes te staan murmelen. Ik merk nu pas hoe leuk en stimulerend een uitgeverij kan zijn. En het is prettig dat haast iedereen er plusminus veertig jaar jonger is dan ik. Kun je je voorstellen, dat dat leuk is? Vinden zij omgekeerd trouwens ook.'

Toen Das Mag het woord 'comeback' wilde gebruiken, ter promotie van Harnas van Hansaplast, was Mutsaers mild beledigd - dit boek verschijnt dan wel negen jaar na haar laatste roman, Koetsier herfst, en vijf jaar na haar dichtbundel Dooier op drift, maar het is toch zéker geen comeback. Daarop liet de uitgeverij prompt T-shirts bedrukken met de tekst 'Don't call it a comeback', en dat was dan weer 'een enig idee, en het zijn nog mooie T-shirts ook'.

Waarom wilde u een boek over uw broer schrijven? '

Omdat ik, voor een deel, grote verwantschap met Barend voel. En voor een ander deel niet, want ik heb gelukkig een vrolijker aard. Ik wou achterhalen hoe het kwam dat iemand die ogenschijnlijk zoveel mee had - alle mogelijkheden, een goede opleiding, voldoende geld, een groot huis, enzovoort - in volslagen eenzaamheid kan tuimelen. Barend is altijd in het ouderlijk huis blijven wonen. In 1977 overleed mijn moeder, in 1980 mijn vader. Barend was toen 30. De 21 jaar daarna heeft hij er alleen gewoond, waarvan de laatste jaren als een kluizenaar. Ik heb me grondig in hem verdiept en ik besef nu dat het iedereen, ook mezelf, zou kunnen overkomen. Of je dit soort rampspoed ondervindt of niet, hangt vooral af van wat er in je hoofd gebeurt. Natuurlijk is het afschuwelijk om arm te zijn of geen huis te hebben, maar het állerergst is het om geen contacten te hebben. Daarvan ben ik heilig overtuigd.'

Uw broer was zich zeer bewust van zijn eigen eenzaamheid. Bij het leeghalen van zijn huis vond u er allerlei boeken en knipsels over

'Ik vond in de nalatenschap van Barend bijvoorbeeld een artikel over nabestaanden die de vervuilde huizen van een eenzaam overleden familielid moeten leeghalen. Dat zal hij niet voor niets hebben bewaard. Je wist niet wat je zag op die foto's. Vloeren bezaaid met lege blikjes, kamers zo vol dat je ze niet kunt betreden. Mijn broer deed dan weer zijn was niet. Hoe kom je erop, hè? Hij had een kast vol nieuwe kleding en linnengoed, de vuile spullen gooide hij gewoon op de grond. Plaats genoeg, in dat enorme huis. De zolder, waar hij sliep, lag helemaal vol, een landschap van vuile kleren. En het was bezaaid met lege Fisherman's Friends-zakjes, want daar was mijn broer aan verslaafd. Ik vermoed dat het ooit is begonnen omdat hij 'Friends' op de verpakking heeft zien staan, treurig genoeg. Zo werkt dat, als het gemis te hevig is, trappen zelfs intelligente mensen in marketingtrucs. Mijn broer had, ondanks zijn gekkigheid, een volmaakt intact brein. Overigens zouden al die Fisherman's Friends best eens een slechte uitwerking kunnen hebben gehad op zijn hart, dat toch al slecht was.

'De huiskamer viel wat rommel betreft mee, maar alles zat onder een dikke laag stof. Er was in geen tientallen jaren schoongemaakt. Zelf heb ik het ook moeten leren, dat je een huis moet bijhouden. Toen ik ging studeren had ik geen idee, dat er stof uit het plafond komt of waar het ook vandaan komt, en dat je moet afstoffen. Bij ons thuis hadden we vroeger altijd personeel, alles was altijd schoon. Ik zei tegen mijn moeder: 'Wat overdreven, die schoonmakers, het is toch al schoon?' 'Het is schoon omdat ze er altijd zijn', zei mijn moeder dan. Barend had ook bendes boeken over het huishouden, over stof.'

Foto Oof Verschuren

Na zijn dood filmde u het huis met een camcorder. Waarom?

'Ik wilde het vastleggen. Een verwaarloosd huis, vol van de prachtigste spullen, begroeid als het paleis van Doornroosje, maar dan met stof. Zo wonderlijk. Filmen was een van de manieren om het voor mezelf inzichtelijk te maken, het te verklaren. Waarom is het met mij niet zo gelopen als met Barend? Waarom verloor hij op een gegeven moment zijn decorum? Waarom verwaarloosde hij zijn gebit, terwijl hij niet bang was voor de tandarts? Barend heeft zijn gebit ernstig verwaarloosd en op een zeker moment, en dat zie je vaker, is hij die habitus gaan koesteren. Zijn verwaarloosde gebit werd een dierbaar kindje - zoiets moet het zijn geweest.'

Tegelijkertijd schaamde hij zich er erg voor, bleek uit aantekeningen die u vond. En hij bezat stapels boeken over tandheelkunde.

'Klopt. In zekere zin wilde hij dus toch nog aansluiting, misschien. Afwijken van de consensus is riskant. Tot op zekere hoogte brengt het in de ogen van anderen grappigheid voort en originaliteit, maar als het te ver gaat kom je, ook al kun je het zelf misschien niet helpen, in een gevaarlijk en troosteloos gebied. Dan hoeft er nog maar iets anders bij te komen, criminele neigingen bijvoorbeeld of afwijkende seksuele behoeften, of je wordt voor anderen een beetje al te vreemd. Zo moet het Barend vergaan zijn.'

Zowel u als uw broer hadden de neiging om ad fundum te gaan, met alles, schrijft u. Barend masturbeerde dagelijks uren. Ook daarin ging hij ad fundum. 'Ja, hij noemde het zelf ook een compulsie, bleek uit notities die ik heb gevonden. Een lastige compulsie, lijkt mij, veel lastiger dan mijn eigen compulsie, het omkeren van woorden.'

CV Charlotte Jacoba Maria Mutsaers

2 november 1942 Geboren in Utrecht

Opleiding Neerlandistiek aan de Universiteit van Amsterdam; Rietveldacademie in Amsterdam.

1980-1990 Docent aan de Rietveldacademie.
1985-heden Exposities in het Frans Hals Museum en de Vleeshal in Haarlem, Gemeentemuseum van Arnhem, Nieuwe Kerk in Amsterdam, Museum de Beyerd te Breda en in Oostende.
1983 Debuteert als schrijver met Het circus van de geest.
1986 Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw, beeldverhaal.
1988 De Markiezin, roman.
1992 Jan Greshoff-prijs voor essaybundel Kersebloed.
1994 Rachels rokje, roman.
1996 Paardejam, essays.
2000 Jacobus van Looy-prijs voor haar beeldende en literaire oeuvre.
2000 Constantijn Huygensprijs voor haar oeuvre.
2001 Busken Huetprijs voor verhalenbundel Zeepijn
2007 Koetsier Herfst, roman.
2010 P.C. Hooft-prijs.
2012 Benoemd tot erelid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Letterkunde.
2012 Dooier op drift, poëzie.
2014 Benoemd tot lid van de Akademie van Kunsten.
2015 Stapt over van De Bezige Bij naar uitgeverij Das Mag.
2 november 2017 75ste verjaardag, boek Harnas van Hansaplast, grammofoonplaat Rikkelrak, en Het grote Charlotte Mutsaers kleurboek voor nooit-volwassenen.

Mutsaers is getrouwd met Jan Fontijn en woont in Amsterdam, Oostende en in de Bourgogne.

U was in 1983 te gast in de boekentalkshow van Adriaan van Dis, waar u demonstreerde hoe goed u achterstevoren kon praten en zingen. Wijkt u af van de consensus op een manier die door een groot publiek werd gewaardeerd?

'Ik hoor eigenlijk niet zo graag dat ik excentriek ben, hoor. Alsof ik het doe om het effect, dat is niet zo. Voor die uitzending van Van Dis had ik nog nooit aan iemand verteld hoe goed ik achterstevoren kon praten. Het was dat ik net vlak voor die uitzending een Japanse vrouw op televisie zag die het kon, en die reisde met deze kunde de wereld rond. Ik dacht: ik kan dat minstens zo goed en ik kan er nog leuker over vertellen ook. Het is ook niet alléén maar een geintje, het is ook een mooie metafoor: de omgekeerde wereld heeft mij altijd erg geïnteresseerd. Ik wil het niet diepzinniger maken dan het is, maar misschien werd het dáárom ook zo gewaardeerd door kijkers, omdat ze zich er op een bepaalde manier in herkenden. Het gaat erom dat je de werkelijkheid eens op een andere manier bekijkt. Vreemd is trouwens dat ik goed Frans spreek, maar dat niet omgekeerd kan. Ja, ej sneiv, dat gaat nog, maar bij moeilijkere zinnen zou ik heel hard moeten nadenken.'

Wílden Barend en u afwijken van de norm of ging dat vanzelf?

'Dat ging vanzelf. Wij konden ons onmogelijk zomaar aansluiten bij de consensus, want er waren te veel dingen waarmee we het niet eens waren. Wij bevroegen altijd alles, zo slepen we onze geest. Je kunt natuurlijk bij alles vragen stellen, zo schrijf ik ook. Soms heb ik echt van die aanvallen, dan denk ik bij elke zin, bij elk woord: het kán ook anders. Op die manier maak ik mezelf helemaal gek, want er zijn een miljoen kwadraat mogelijkheden. Ik moet dat dus steeds weer van me afzetten en ombuigen tot waarachtige kritiek op mezelf. Moeilijk.'

Kunt u na het schrijven van uw boek zeggen waar het met Barend is misgegaan?

'Dat is zo'n vraag. Je kunt toch ook niet vragen: waar is het goed met iemand gegaan? Misschien is het wel in hem geboren. Ik was ruim zeven jaar ouder en moest hem vroeger naar de kleuterschool brengen. Hij wierp zich dan altijd krijsend op de grond. Zulke kinderen komen gewoon voor. Ik zie nog wel eens een moeder met zo'n kindje, vreselijk naar. Zo'n kind begint de dag met: het zal toch niet dat ik vandaag alweer naar de crèche moet? Maar ja hoor. Iedereen doet maar of het de normaalste zaak van de wereld is, want zo hebben wij de wereld nu eenmaal ingericht. Alleen weet ik zeker dat er ouders zijn die dit herkennen, die weten: mijn kind is hier ongeschikt voor. Er gaan tegenwoordig zelfs baby's naar de crèche. Ik heb zelf geen kinderen gehad, maar ik weet niet of ik dat gekund zou hebben. Wij kunnen onze hond niet eens naar een oppas doen. Zo zielig! Met onze eerste hond probeerden we het, hij in een kennel en wij twee weken naar Portugal. We dachten in die vakantie alleen maar aan de hond. En dat terwijl we héél lang naar die kennel hadden gezocht. We hebben een kennel bezocht, werkelijk - zo'n terreintje, een vieze stal met loeiharde popmuziek om het geblaf te overstemmen. Wij kijken, de hond bleef in de auto. Toen we weer bij de auto waren, zat de hond achter het stuur op ons te wachten. 'Het lijkt de burgemeester zelf wel', zei die kenneleigenaar. Zo werd het standsverschil dus al benadrukt bij de hond! Nou, daar gingen wij onze hond echt niet brengen. Ook zoiets is overigens uitsluiting, vind ik. Dat begrip wordt meestal te beperkt gehanteerd, het gaat altijd maar om uitsluiting wegens huidskleur, sekse of geaardheid, maar er zijn oneindig veel meer redenen waarom mensen - en dieren - worden uitgesloten. On-ein-dig veel meer. Er is nu eenmaal veel ellende in het leven, op allerlei vlakken en voor allerlei individuen.'

U schrijft ook dat Barend anders werd opgevoed dan u en uw zus, hij werd vrijer gelaten.

'Ik kan me nog herinneren dat we een fietstochtje maakten en met het gezin en stopten om bloemen te plukken langs de weg. Op een zeker moment ziet de 5-jarige Barend achter een hek, in iemands tuin, nog mooiere bloemen bloeien. Hij doet zo het hekje open en plukt ze af. Het verbaasde me dat hij op die leeftijd nog niet wist van mijn en dijn. Ik sprak hem erop aan en hij werd vreselijk kwaad, dat was hij niet gewend. Mijn vader was nadrukkelijk aanwezig in de opvoeding van mijn zus en mij, en hij was erg streng. Toen Barend werd geboren, zei mijn moeder: 'Ik voed hem op, want jij hebt de meisjes al gedrild.' Mijn vader stemde in en zei: 'Je zal wel zien hoe het uitpakt.' Ik denk dat zijn aanpak beter was. Het kan geen kwaad voor een kind, een brulaap in huis die zegt: 'En nou is het godverdomme afgelopen.' Een vrouw doet dat toch minder snel.'

Foto Oof Verschuren

Had Barend een speciale positie in het gezin omdat hij een jongen was?

'Mijn ouders zagen hem als stamhouder. Eerst kregen ze mijn zus, en wilden daarna natuurlijk een jongetje. Maar toen kwam ik. Mijn vader was dol op mij en voedde mij min of meer op als zoon. Hij kocht goochel-dozen voor me, leerde me hoe ik vanaf het balkon moest fluiten naar vrouwen op straat. We lachten ons de pleuris als ze verheugd omhoog keken en een klein meisje zagen staan.'

Hoe was de band met uw moeder?

'Niet goed, zacht uitgedrukt. Misschien was ze voor Barend liever. Barend heeft nooit iets slechts over haar gezegd, maar ook nooit iets goeds. Ik heb in mijn leven geleerd dat liefde tussen ouder en kind helemaal niet vanzelfsprekend is. Het is geen natuurwet. Mooi niet.'

Zegt u nu dat uw moeder niet van haar kinderen hield?

'Dat is het gevoel dat zij mij heeft gegeven. Ik ben nooit door haar gesteund of geholpen in moeilijke situaties. Mijn zus, broer en ik hebben geen van drieën kinderen gekregen. Mijn zus en broer zijn zelfs altijd ongetrouwd gebleven.'

Wilde u geen kind omdat u dacht dat u er misschien niet van zou houden?

'In mijn boek geef ik nog veel meer redenen. Bovendien, je kan ook een verkeerd kind krijgen, denk daar eens aan. Ik heb er gewoon nooit zo in geloofd. Mijn broertje, en mijn ervaring met hem als baby, heeft daar een duchtige rol in gespeeld. Ik weet hoe verschrikkelijk een baby is omdat ik het als kind heb meegemaakt. Tirannen zijn het, altijd maar krijsen, schreeuwen en stinken. Altijd maar die dinky toys uit de kinderstoel gooien. Ik kan me niet herinneren dat ik zelf een baby was, maar ik heb het idee dat ik me zó gek toch niet gedragen heb. Ik moest hem soms ook voeren van mijn moeder, terwijl zij zelf lekker zat te borrelen, en dan spuugde hij het terug, pfffrt. Waarom doet hij dat, dacht ik, waarom eet hij niet gewoon? Met jonge katjes en hondjes is niks mis, die gedragen zich fatsoenlijk. Later is mij uitgelegd: de mens is zo fantastisch, die moet eerst een tijdje onaangenaam zijn om zijn magnifieke brein tot volle wasdom te laten komen. Gelukkig heb ik een man (Mutsaers is getrouwd met neerlandicus Jan Fontijn, red.) die ook niet op een kind zat te wachten. We hebben het samen heel gezellig. Het is, dat besef ik, een afwijking van de consensus. Men denkt dan dat ik kinderen niet leuk vind. Vergis je niet, sommige kinderen vind ik enig. Let wel: sommige.'

U was 7 toen Barend werd geboren. U vond het niet leuk om een broertje te krijgen?

'Ik heb mijn halve vinger eraf gesneden op de dag dat hij geboren werd. Daar hoef je Freud niet bij te halen, dacht ik. Mijn tante kwam ons wekken en zei dat mijn moeders vliezen waren gebroken. Dat van die vliezen vond ik zo vies, wat waren vrouwen toch een vieze wezens! Ik ben in de keuken messen gaan slijpen, want dat mocht ik nooit van mijn ouders. Ik sneed mijn halve vinger eraf, hij hing aan een draadje. De dokter en mijn vader kwamen naar míj toe, om mij te verbinden, en ik en mijn vinger stonden in het middelpunt van de aandacht.

Later, als we naar het Zeehotel gingen, kreeg Barend altijd de overgebleven kroket van mijn vader toegespeeld. Voorheen kreeg ík die kroket altijd. Maar Barend was zo klein, dus hij mocht die kroket, dat snapte ik toch zeker wel? Nee, dat snapte ik niet, ik was in tranen vanwege deze leeftijdsdiscriminatie! Ik begrijp het nóg niet, eerlijk gezegd. Het is misschien onbenullig, maar ik weet zeker dat ik hierdoor nog altijd extra geniet van elke kroket die ik in mijn mond steek.'

Toch kwam het helemaal goed tussen Barend en u.

'Helemaal is weer te veel van het goede, maar een tijd lang konden we beslist goed opschieten. Hij was buitengewoon intelligent en geestig. Al had ik later ook moeite met hem, bijvoorbeeld toen hij boeken ging stelen bij kleine boekhandels. Dat vond ik heel, heel erg. Hij moet een jaar of 15 zijn geweest. Zijn kamer lag vol gloednieuwe boeken, dat had hij nooit van zijn zakgeld kunnen betalen. Ik zag de hele verzamelde Ter Braak liggen, alle Russen van uitgeverij Van Oorschot. Hij had een goede smaak, en hij las het allemaal. Mijn ouders zeiden er pijnlijk genoeg niks van. Daar had ik moeite mee, bij Barend: de afwezigheid van moraal.'

Was moreel besef bij Barend helemaal afwezig?

'Misschien druk ik me te sterk uit. Laten we zeggen: hij had een morele beperking. Dat is netjes uitgedrukt, vind je niet?'

Tot een paar jaar voor zijn dood kwam u nog bij hem over de vloer. U beschrijft hoe het contact tussen hem en u en uw zus na een onbenullige ruzie verbroken wordt.

'Wij denken dat hij bewust ruzie met ons heeft gemaakt, om ons eruit te werken. Hij werd steeds banger, denk ik, dat zijn gigantische pornoverzameling door ons zou worden ontdekt. Er was ook kinderporno bij, hè? Wat dacht je, dat is levensgevaarlijk. Toen we het vonden, bij het uitruimen, dachten we zelfs: o jee, straks zijn wíj erbij. Je weet het allemaal niet. Daarna dacht ik: het is handel, we gaan het gewoon verkopen. Dus ik was ook immoreel, ha ha! Maar we kregen het gewoon niet in vuilniszakken, zo veel was het. O, o, o.'

Die pornoverzameling bevond zich grotendeels in een kist. De enige echte boekenkist van Hugo de Groot, want die stond bij uw ouders thuis. Serieus?

'Die hadden wij. Inderdaad. Mijn vader had de officiële documenten, en die zijn allemaal geverifieerd. Anders had het Rijksmuseum destijds, toen mijn vader nog leefde, ook niet zo zijn best gedaan om de kist van ons te kopen.'

Waar is die kist nu?

'Dat krijg je niet te horen. Ik kan je alleen zeggen dat mijn zus en ik de kist niet verkopen. Geloof je me niet, ofzo?'

Nee, ik denk dat ik het eigenlijk wel geloof.

'Het is zo. Er zijn wel raardere dingen in mijn familie, maar ik wil niet alles weggeven uit mijn boek. Dat is wel een gevaar bij zo'n interview natuurlijk.'

U moet erg zijn geschrokken toen u bij uw broer kinderporno ontdekte.

'Ik zou je vraag willen veranderen, want volgens mij bedoel je eigenlijk: ik had in uw boek wel wat meer schrik verwacht.'

Misschien heeft u daarin wel gelijk. Waarom heeft u die complete pornoverzameling voor 5.000 euro aan een handelaar verkocht en niet vernietigd?

'Hoe had ik het in vredesnaam moeten vernietigen? Ik had nog nooit van papiervernietigers gehoord, en waar had ik het moeten verbranden? Er was voor ons één andere optie: in vuilniszakken aan de straat zetten. Dat was, gezien de grote hoeveelheid en het gewicht ervan, bijna geen doen. Bovendien was het gevaarlijk vanwege de morgensterren. Ik vond het van mezelf ontzettend slim dat ik dat winkeltje nog kende, ik was eerlijk gezegd wel trots dat ik het durfde.'

U zei eerder: ik voel me met Barend verwant. Welke gelijkenissen ziet u tussen hem en uzelf?

'Alles willen uitzoeken. Op medisch gebied bijvoorbeeld. Ik ben geen hypochonder die de hele tijd aan zichzelf zit te voelen, maar áls ik of iemand van wie ik houd ook maar het kleinste dingetje heeft, zoek ik daar alles over op. Zo heb ik veel mensen gered, laat ik dat zeggen. Dokter Mutsaers is de slechtste dokter nog niet.'

Bent u voor zo'n leven als dat van Barend ooit bang geweest?

'Het scheefgroeien zit wel enigszins in de familie. Een zus en broer van mijn vader hebben zich bijvoorbeeld doodgedronken. O, en die peetoom van mij, dat was zó'n leuke man, begaafd als ik weet niet wat. Maar goed, die was homo, en die was een keer verliefd geworden op een brandweerman. Hij had een toenaderingspoging gedaan en moest voor het gerecht komen. Dat vond hij zó'n grote schande dat hij in bed is gaan liggen in een hotel in Tilburg, jarenlang, hij huurde de hele gang in dat hotel. Wij kegelden in die gang met champagneglazen. Zulke dingen. Maar goed, ik ben dus vrolijker van aard dan Barend, en ook dan die peetoom, denk ik. Die is helaas nog geen 50 geworden.'

Helpt de kunst u om niet in die kuil te vallen?

'In het algemeen helpt het helemaal niet om kunstenaar te zijn, er zijn bendes kunstenaars die zich hebben doodgedronken. Of denk aan Sylvia Plath. Maar voor mij: ja, ik vind het geweldig fijn dat ik mijn kunstenaarschap heb kunnen ontwikkelen. Ik doe graag dingen alleen, ben geen samenwerker. Het is voor mij ideaal. Ik kan als kunstenaar ad fundum gaan en hinder daar niemand mee.'

Heeft u na het verbreken van het fysieke contact met Barend nooit geprobeerd hem op te zoeken?

'Jawel, maar hij was er echt niet van gediend. Het contact bleef beperkt tot telefoontjes tussen 5 en 6, op andere tijden mochten we hem niet bellen. Als ik een bezoek voorstelde, zei hij: 'Ik ben druk, druk, druk.' Hij hád het ook druk. Hij zag masturbatie namelijk als werk. Hij dacht zelfs dat hij aan overwerktheid kapot zou gaan, en ik begrijp dat eerlijk gezegd helemaal. Omdat hij bij alles ad fundum ging. Barend is er altijd van beschuldigd lui te zijn, omdat hij nooit een betaalde baan heeft gehad. Ten onrechte, hij werkte zich he-le-maal rot. Naarmate de tijd verstreek en het huis verder vervuilde, werd zijn angst ontdekt te worden steeds groter. Als iemand de rotzooi zou zien, zou hij misschien wel worden opgenomen of uit huis gezet. Zijn huisbaas wilde niets liever dan Barend eruit werken en het huis renoveren. Dat was namelijk in geen honderd jaar gebeurd. Mijn ouders vonden dat niet nodig, zoals niemand uit het welgestelde Utrechtse milieu dat destijds nodig vond. Het geld werd liever aan personeel, eten en drinken besteed. Soms zie ik bij Droomhuis gezocht zo'n stel zoeken naar een vakantiewoning in het buitenland. Zo'n wijf komt dan binnen in een prima badkamer, en zegt: 'Dit gaat er als eerste uit, want ik hou niet van roze tegeltjes!' Nou ben ik ook niet dol op roze tegeltjes, maar je zit toch niet met je vrienden in de badkamer? Renoveren is meestal nergens voor nodig.'

Foto Oof Verschuren

Heeft u zichzelf ooit verweten dat het contact met Barend nooit is hersteld?

'Ik voelde duidelijk dat hij het niet meer wilde. Hij schaamde zich natuurlijk, hij kón ons domweg niet meer ontvangen. En toch voelt het alsof ik zelf min of meer in gebreke bent gebleven. Dat gevoel kun je niet van je afschudden. Maar eigenlijk dien je de schuldvraag niet te stellen. Het is zoals het is, blijkbaar. Barend was een wandelend existentieel probleem, voor hemzelf en zijn omgeving.'

Een belangrijk inzicht uit uw boek: achter elke tandeloze zwerver kan een genie schuilgaan, iemand die door toevalligheden is afgegleden.

'Waarachtig, dat is gewoon zo. Onderschat de ander niet, ook al ziet hij of zij er nog zo sjofel uit. Uitgerekend Barend was heel gevoelig voor hoe hij op straat overkwam, dat vond hij belangrijk. Dat je dan zó dood moet gaan, zonder onderbroek op je bed, zonder enig decorum. Dat lijkt mij niet leuk. Als je goed omringd bent, hou je het leven in het algemeen wel op de rails. Dat is zo, hè? Dit is misschien wel het belangrijkste inzicht dat ik heb opgedaan door dit onderzoek naar mijn broer. Ik zie nu in hoe vreselijk moeilijk het is om in je eentje een goed leven te leiden. Niet voor niets spreekt men van 'in z'n dooie eentje'.'

Meer over