'Ik heb echt geen ego'

Sjuul Paradijs (47) is sinds vorig jaar hoofdredacteur van De Telegraaf. De krant waarop hij al sinds zijn jeugd verzot is, waarop hij trots is en die hij van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat dient....

De baas van café Scheltema in Amsterdam grijnst van oor tot oor als hij Sjuul Paradijs herkent. ‘Wat vind ik dit leuk. Je doet het goed jongen’, zegt hij, terwijl hij de schouder van de hoofdredacteur van De Telegraaf langdurig kneedt en beklopt .

‘En bent ú ook van De Telegraaf?’

‘Nee, van de Volkskrant.’

‘O jee, als dat maar goed gaat.’

Paradijs is ontroerd. Hij legt zijn vlakke hand op zijn hartstreek en zegt: ‘Kijk, de krant is hun vriend. De krant biedt ze troost. Dat is toch mooi?’

Een vriend. Dat was de krant ook voor de ooit 8-jarige Sjuul Paradijs. ‘Vanaf het moment dat ik kon lezen, las ik Het Nieuws van de Dag, de krant waarop mijn ouders geabonneerd waren. De krant lezen betekende even ontsnappen aan de realiteit van alsmaar buffelen en ploeteren. Mijn vader begon om vier uur ’s ochtends met werken in de banketbakkerij. Sliep ’s middags een paar uur en ging daarna weer de bakkerij in. En de volgende dag hetzelfde. Die sleur. En altijd bij een temperatuur van 40 graden. Ik zag mijn moeder ook altijd werken. Van een gezinsleven was nauwelijks sprake.’

Met Sjuul Paradijs heeft De Telegraaf voor het eerst in decennia weer een hoofdredacteur die kabaal maakt en die graag op de barricaden staat. Met de oprichting van de omroep Wakker Nederland wist hij een voet tussen de deur te krijgen bij de publieke omroep. Hij kreeg van minister Ter Horst min of meer excuses voor het afluisteren van Telegraaf-journalisten. En onder zijn leiding voerde de krant met veel tamtam actie tegen de kilometerheffing (het ‘spionagekastje’ van minister Eurlings). Strijdlustig: ‘Ik ben geen klassieke hoofdredacteur die ver weg van het front in alle rust een strategie bedenkt. Ik wil meevechten in de voorste linies. Met blote vuisten.’

Die scherpere koers werd toch al ingezet voordat u hoofdredacteur werd. ‘Vanaf het moment dat ik adjunct-hoofdredacteur werd. Toen zijn we begonnen met campagnes. Tegen de files. Tegen de fiscus.’

Zijn die acties de nieuwe strategie om de oplagedaling te keren? ‘De Telegraaf is gewoon weer zichzelf. Een beetje actie voeren hoort daarbij. Dat zit in onze genen.’

Wanneer, vindt u, bent u als hoofdredacteur geslaagd? ‘Als we in de toekomst net zo dominant zijn als nu. We zijn een massamedium en dat willen we blijven. Groot, groter, grootst. En dan niet alleen als krant, maar ook via andere kanalen als omroep Wakker Nederland, onze websites, de mobiele telefoon. Met behoud van waar we voor staan: onafhankelijk en toegankelijk. De Turkse groenteman leest De Telegraaf. Want er staan plaatjes in en verhalen die makkelijk zijn te begrijpen.’

De inhoud moet blijven zoals die is? ‘Dat is een prima stelling. Helemaal mee eens.’

Is er geen enkel recent bericht dat beter had gemoeten? ‘Nee, dat kan ik me niet herinneren.’

Misschien die kop: ‘Miljoenen doden door de griep?’ Opeens fel: ‘Ik draai het om. Ik ga niet zeggen wat we fout hebben gedaan. Ik ben trots op onze collega’s die die gevaarlijke Saban B. in Turkije hebben opgespoord. En trots op de manier waarop wij misstanden bij de Amsterdamse woningcorporatie Rochdale aan het licht hebben gebracht.’

Hij strijkt zijn haar, dat op één lengte is geknipt, regelmatig uit het gezicht. ‘Dit is een advocatenkapsel’, lacht hij. ‘Een tip van mijn kapper.’

Die kapper ontmoette Paradijs toen hij met collega’s De Telegraaf uitdeelde aan het publiek tijdens de Vaardagen. ‘Ik heb een klein zeilbootje. Ga nou niet schrijven dat ik een jacht heb, hè? Mijn bootje is twee keer deze tafel. Als ik erin ga zitten hangt-ie helemaal scheef.’

Dat advocatenkapsel was nog niet zo slecht gezien van zijn kapper. Paradijs studeerde rechten en wilde na zijn studie zo snel mogelijk aan het werk. 'Mijn vader betaalde mijn studie en stond nog steeds in de hitte van de oven. Voor mij. Snap je?' Hij solliciteerde als jurist bij een grote bouwonderneming. Toen dat op niets uitliep, ging hij aan de slag als leerling-journalist bij het Amsterdamse huis-aan-huisblad De Echo.

Hij is 1 meter 99, heeft schoenmaat 49. Zijn pakken komen uit Keulen, zijn overhemden uit Kopenhagen. Zijn schoenen koopt hij in Londen. Niet omdat hij zo modewust is. ‘Mijn maten zijn hier gewoon niet voorradig.’ Hij gaat klassiek gekleed. Tijdens het eerste gesprek draagt hij een glanzend blauw pak met rode das. De tweede keer heeft hij een grijs pak aan met een roodgeblokte das.

De weegschaal zegt ‘error’ als hij erop gaat staan. ‘Die gaat maar tot 120 kilo.’ Het is alweer veertien jaar geleden dat Paradijs aan de lijn deed. Omdat hij verliefd was. Op Maaike. Hij voelde zich zo goed dat hij er een boek over wilde schrijven. Hoe heerlijk het was om ’s morgens om acht uur in het Amsterdamse Bos te kunnen rennen. Maar hij had het eerste hoofdstuk nog niet af of hij zwichtte – het was op de eerste ochtend van de Bijlmerenquête – voor de gevulde koeken van de Eerste Kamer.

‘Ja, ik moet eigenlijk aan dokter Frank. Ken je die?’

U bedoelt de nieuwe afslankgoeroe die ruim baan krijgt in De Telegraaf. Ik vraag me altijd af hoe zoiets in zijn werk gaat. ‘Dat zal ik je precies vertellen. Sonja Bakker ging van Koen af en een vriend van mij, die ongeveer twee keer zo groot is als ik, kende ene dokter Frank die zou gaan promoveren op een nieuw dieet. Die man heeft natuurlijk ook een achternaam, maar goed. Dus ik zeg: ‘Jongens, het is tijd voor een nieuwe goeroe: hier is-ie en we noemen hem dokter Frank.’ Voor de rest heb ik er geen enkele bemoeienis mee. Ben ook niet bij hem in therapie geweest. Inmiddels hebben we 120 duizend dokter Frank-boeken verkocht. Een leuke bijverdienste. Ik zag gewoon dat gat in de markt.’

Voor mensen met veel overgewicht schijnt het geen verstandig dieet te zijn. ‘Dat weet ik niet, hoor. Als het niet goed is, moeten ze dat maar wetenschappelijk aantonen. En dit hier’, (hij wijst op zijn appelgebak) ‘is misschien ook niet gezond. Maar wel heel erg lekker. Zelfgebakken. Dat proef je zo.’

De zaterdag voor het interview zat Sjuul Paradijs samen met zoon Julius in de kelder van hun huis in Amsterdam. Ze waren de nieuwe karaokeset aan het testen die hij zijn zoon cadeau had gedaan voor zijn 9de verjaardag. Toen ze naar boven gingen om een broodje te eten, zag Paradijs een politieauto op de stoep staan. En een cameraman van de lokale tv-zender AT5. De buren bleken de avond daarvoor het slachtoffer te zijn geweest van een brute overval. Paradijs is nog steeds ontdaan. Hij brengt de overval een paar keer ter sprake. ‘Zo heftig. Vier gewapende Marokkanen – tenminste, ik hoorde dat het Marokkanen waren, dat moet nog gecheckt. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat mensen zoiets doen? Wat ìs dit allemaal? En het gebeurt niet alleen bij mijn buren. Kom op nou. Waarom nemen die jongens geen voorbeeld aan hardwerkende middenstanders? Ik doe mijn boodschappen in Amsterdam-Oost bij de Marokkaanse visboer en de Turkse bakker. Ondernemers die zich binnen onze cultuur een weg banen. En daarbinnen kunnen ze naar de moskee. Prima. Ik heb groot respect voor dat ondernemerschap. Dat zouden deze jongens ook moeten doen in plaats van rotzooi trappen. Zo voel ik dat. We leven in een heel leuke maatschappij, maar het lijkt erop dat we een beetje ontsporen.’

Wat is de rol van de krant daarin? ‘In elk geval signaleren. Het spotlicht erop zetten. Wij zijn niet van de lijn dat het allemaal wel meevalt.’

Er zijn jaarlijks duizend overvallen op woningen. Maar er zijn vele miljoenen woningen. Moet de krant niet ook dat kader schetsen? ‘Dat is jouw mening. Niet de mijne. Bovendien heeft mijn buurman daar helemaal niets aan. Statistici kunnen van de werkelijkheid een paradijsje maken. Maar als ik naar Opsporing Verzocht kijk en ik zie het allemaal langskomen, dan denk ik: ja, dat gebeurt toch allemaal maar. En als je tegenwoordig op het trottoir loopt en er komen vier jongens van de andere kant aan, gaan ze niet opzij. Normaal maak je plaats voor elkaar, maar in deze samenleving doen we dat dus niet meer. We lopen eromheen, want je gaat het conflict omzeilen. Of mensen gaan het publieke domein niet meer in.’

Voel u zich onveilig? ‘In Nederland? Absoluut niet. Ik heb het niet over mezelf, maar over wat je ziet en hoort. Er is een gevoel van onveiligheid. En de angst dat het onbeheersbaar wordt. Dat mensen zich steeds meer gaan beveiligen. Misschien wel wapens gaan kopen.’

Ziet u daar tekenen van? ‘Neem nou dat besluit om bij de wedstrijden tussen Feyenoord en Ajax alleen supporters toe te laten van de thuis spelende club. Dat zouden we vijf jaar volhouden, maar nu willen ze dat alweer terugdraaien onder het motto: oorlog hoort er een beetje bij. Ik vind het een drama dat we dat zomaar laten gebeuren. Dat de politiek neuzelt over punten en komma’s in de kabinetsbrief over de commissie-Davids, maar dat het ondertussen uit de hand loopt. Niet alleen in Gouda, maar in wel 25 gemeenten. En niet alleen het Marokkanendossier dreigt onbeheersbaar te worden. Ik denk ook aan de zorg en grote infrastructurele projecten als de Noord-Zuidlijn. Politici nemen besluiten terwijl ze de risico’s niet kunnen inschatten. Dat is niet alleen in Nederland hoor, ik zie het ook in andere landen. En het is geen onwil, het is onmacht.’

Draagt De Telegraaf bij aan dat gevoel van onveiligheid? Opeens op luchtige toon: ‘Nee, nee. Dat zie je helemaal verkeerd. Wij zijn optimistisch. Bij ons wordt altijd alles opgelost. Zelfs als het over Bin Laden gaat of over de dreiging van het terrorisme. We zijn altijd optimistisch.’

Wat is volgens u de taak van de journalistiek? Hij haalt zijn schouders op en zwijgt even. ‘Ja. Nou, ja. Dat vind ik zo hoogdravend allemaal. Daar breek ik mijn hersens niet over. Ik moet zorgen dat we elke dag een goede krant maken. Dat de websites meer bezoekers trekken. Zoals ik al zei: groot, groter, grootst. En zorgen dat er een goede sfeer is op de redactie. Dat mensen daar met plezier werken. Het prettig hebben en uitgedaagd worden.’

En zoiets als waarheidsvinding? ‘Dat doen we elke dag. Dat is ook ons wezen.’

Een krant die actie voert, creëert zijn eigen waarheid. Die hoeft er niet meer naar op zoek. ‘Ja. Maar weet je, we voeren ook niet elke dag strijd. Soms, zoals met die kilometerheffing, is het gewoon echt nodig.’

Paradijs woont samen met zijn vriendin Maaike Willems, die een eigen bedrijf heeft voor de werving en selectie van personeel. Ze hebben twee zonen, Julius (9) en Abel (7). Op de vraag of ze een traditionele relatie hebben, begint hij te sputteren. ‘Nee, schrijf dat niet op, dan krijg ik thuis de grootste problemen.’ Hij beweegt zijn hand als een mes langs de hals. ‘Kill, kill, kill.’

De kinderen eten elke avond met Maaike om klokslag zes uur. Paradijs komt later thuis en kookt dan wat voor zichzelf. Behalve dan gisteravond, toen was het zo laat. Te laat om worteltjes te schrappen. Dus is hij even langs de Chinees gegaan, bekent hij lachend. Hij staat om zes uur ’s ochtends op om de kranten te lezen en naar de radio te luisteren. Wanneer hij ’s avonds thuiskomt, leest hij alle kopij die gepland staat voor de voorpagina. En zonodig belt hij op met suggesties. Hij gaat op zijn vroegst naar bed na afloop van Pauw & Witteman, maar meestal later.

‘Maaike en ik hebben er veel discussies over. Dat ik de kinderen ook eens naar school moet brengen, dat ik eerder thuis moet zijn en naar het voetbal van de kinderen moet komen kijken. Maar soms sta ik op het voetbalveld nog te sms’en. Misschien heb ik wel te weinig aandacht voor de kinderen, maar ik hoop niet dat ze het zo ervaren. Ik ben gewoon niet goed in spelletjes. Ik ben geen bakfietsvader.’

Dat overkomt je niet, daar kiest een mens voor. ‘Ja. Nee. Het is ook geen keus van mij om op mijn 55ste in mijn graf te liggen. Dit tempo van werken ga ik niet mijn hele leven volhouden. Dat weet ik ook wel. Altijd die spanning. Altijd scherp zijn.’

Hoelang gaat u daarmee door? ‘Tot ik de eerste waarschuwing krijg. Zo gaat dat toch? Als je het hebt over mijn zwakte, dan is dat natuurlijk mijn zwakte.’

Wat is dat trouwens: een bakfietsvader? Hij gaat er eens goed voor zitten alsof hij blij is dat die vraag gesteld wordt. En somt op: ‘Dat is een man die vier dagen per week werkt. Die de kinderen naar school brengt in de bakfiets. Die daarna de Volkskrant gaat lezen. Soms Het Parool. Die vindt dat het leven vooral leuk moet zijn. Met vrienden en veel boeken lezen. En die D66 stemt of GroenLinks.’ Zijn stem hapert. ‘Ik probeer nog iets onaardigs te zeggen.’

Watjes. ‘Nog nooit een pak aangehad. Zijn het wel echte mannen? Inderdaad. Maar dat is ook prima, hoor.’

Mag het leven niet leuk zijn? ‘Ik zie het leven als een taak. Je moet dingen doen, en wel zo goed mogelijk. Authentiek. Ik draag zorg voor de kinderen. Voor de krant, het bedrijf. Van de bezorgers tot de drukkers. Dat voel ik heel sterk. Eerst hard werken. Daarna komt de lol. Hoewel ik wel de betrekkelijkheid van alles inzie. Je bent hier tachtig jaar of zoiets. Je mag eventjes aan de knoppen zitten. En als je er niet meer bent gaat het leven gewoon verder, zonder jou. Ik heb echt geen ego. Als ze morgen zeggen: ‘Sjuul, nu ga jij die patatzaak overnemen’, dan, nou nee, een patatzaak nog net niet. Maar als ze zeggen: ‘Ga jij voortaan maar boeken schrijven’, prima.’

Sjuul Paradijs meent wat hij zegt. Hij speelt geen rol, mochten we dat denken. De kopteksten uit De Telegraaf lijken zo uit zijn mond te rollen: ‘Onrust dreigt’, ‘Daar gaan we weer’ en ‘Te gek om los te lopen’.

Vaak moet de overheid het ontgelden. ‘De overheid is nodig. Er moeten dijken worden aangelegd. En wegen. Maar daarna houdt het snel op als het aan mij ligt.’ Het weerloze individu dat slachtoffer is van een almachtige overheid is een geliefd thema in de kolommen van De Telegraaf. Paradijs beaamt het graag en vouwt de krant open. ‘Dat zijn verhalen waarin mensen zichzelf herkennen. Wij zijn de koning van de human interest. Wij laten de emotie zien achter de cijfers. Kijk: hier een bericht dat het aantal asielzoekers stijgt, kille cijfers zonder emotie. En verderop een interview met een zeeman die verliefd is op een Filipijnse die geen verblijfsvergunning krijgt. De vrouw is weliswaar geen asielzoekster, maar ze komt toch van buiten. En ze is verliefd. Op ónze stuurman.’ Paradijs smult. (De volgende dag blijkt de Filipijnse toch een verblijfsvergunning te krijgen. De IND had zich vergist, aldus De Telegraaf.)

En managers, daaraan heeft Paradijs ook een broertje dood, meldt hij spontaan. ‘De tumor van onze samenleving!’

Als hoofdredacteur bent u toch ook manager? ‘Nee. Nee. Nee. Niet met een spreadsheet. Kijk, soms zijn managers best nodig. Maar op het moment dat een ziekenhuis een nieuwe vleugel voor managers bouwt en er tegelijkertijd vijftig verpleegsters uitschopt, denk ik: waar zijn we mee bezig?’

In welk ziekenhuis gebeurt dat? ‘Weet ik niet. Het is maar een voorbeeld.’

Voor het tweede gesprek haalt Paradijs een lijvig boek uit de tas over de geschiedenis van De Telegraaf: een cadeautje voor de cafébaas. ‘We gaan toch wel een broodje nemen, hè?’, vraagt Paradijs die zichzelf trakteert op een tosti ossenworst met kaas en ui. Het gesprek komt op de groei van de PVV. ‘Daar heb ik geen zorgen over. Wilders is gewoon een van de partijen. En dat is hij al vanaf 2004. Al die aandacht voor die man, dat is helemaal niet nodig zolang hij de democratische rechtsstaat respecteert en zich aan de regels houdt. En we zijn er met zijn allen bij om te zorgen dat hij dat blijft doen.’

Geeft De Telegraaf geen voeding aan de sentimenten waar de PVV op drijft? ‘Als je de commentaren leest, zie je dat daarvan geen sprake is. De kopvoddentaks hebben wij veroordeeld. Evenals het voorstel van Wilders om de Koran te verbieden. Wij zullen ons nooit vastpinnen op een bepaalde richting. Dat is contrair aan onze doelstelling. Wij zijn een massamedium en dus zul je in onze berichtgeving talloze sentimenten herkennen, van het CDA tot de SP en PVV.

‘Wat ik wel zorgelijk vind is het onvermogen van politici om problemen aan te pakken. Dat kan het politieke systeem destabiliseren terwijl de samenleving juist gebaat is bij rust.’

Maar De Telegraaf mag toch ook graag onrust brengen? Bulderende lach. ‘Een golfje. Maar geen vloedgolf.’