'Ik draag graag het verzonnen leven uit'

Thomas Verbogt is eindelijk genomineerd voor de Libris Literatuurprijs

Op zijn 63ste is Thomas Verbogt voor het eerst genomineerd voor een grote prijs, de Libris. Zou dat komen omdat hij meer dan ooit - hij zegt het met lichte huiver - 'dicht bij zichzelf' durft te blijven?

Beeld Valentina Vos

Het heeft dertig boeken geduurd, maar Thomas Verbogt (63) is met zijn Als de winter voorbij is voor het eerst genomineerd voor een grote prijs, de Libris Literatuurprijs, die maandag wordt uitgereikt. Eindelijk. Dacht hij dat: eindelijk?

'Dat impliceert dat ik hiervoor altijd heb gedacht: hè, weer niet, en zo zit ik niet in elkaar. Maar of ik dacht: eindelijk? Nou ja, een beetje misschien. Dat heeft niet met verongelijktheid te maken. Ik dacht vooral: wat fíjn voor dat boek. Mede omdat er zoveel van mezelf in zit.'

Als de winter voorbij is is een boek vol weemoed en melancholie, over een hoofdpersoon die Thomas heet, een man met een levendige verbeelding, zo levendig dat hij een leven lang blijft stilstaan bij twee korte kussen die hij ooit kreeg op zomerkamp. Een man die opgroeide in Nijmegen en tegenwoordig woont in de mooiste straat van Amsterdam, waar Verbogt overigens óók woont, sinds hij drie jaar geleden introk bij zijn vriendin op de Brouwersgracht.

CV

1952 Geboren in Nijmegen
1981 Debuteert met verhalenbundel De feestavond, daarna auteur van vele verhalen, romans, toneelstukken en cabaretteksten
1992-heden Dagelijkse column in De Gelderlander
2010 Longlist Libris Literatuurprijs
2016 Shortlist Libris Literatuurprijs met Als de winter voorbij is, zijn dertigste boek

Ik had het idee dat dit boek heel erg over u gaat.

Pretoogjes. 'Je hebt gelijk, hoor, maar hoe wéét jij dat? Het is hartstikke waar, maar hoe kun je dat weten, want je kent mij toch helemaal niet? Het is niet zo dat ik in interviews over het algemeen veel over mijn privéleven praat. Ik denk dat ik, zoals dat heet, dicht bij mezelf ben gebleven. Daardoor wordt het toch een ander boek dan wanneer het alleen maar fictie is. Mijn boeken worden de laatste jaren steeds autobiografischer. Niet bewust, dat gebeurt gewoon. Lekker, moet ik zeggen. Het boek diende zich aan, en ik begon.'

Wat precies diende zich aan?

'Beelden uit Nijmegen, mijn geboortestad. Dat ik op bezoek ben bij een meisje uit mijn klas, dat we een beetje intiem worden en ik wegvlucht. Een beeld van een zomerkamp en weer een ander meisje dat me twee korte kussen geeft. Beelden van mij, terwijl ik hier 's nachts over de gracht loop. Ik maak graag wandelingen door de stilte van de nacht, dat vind ik prettig.'

De hoofdpersoon in uw boek trekt er 's nachts op uit als hij ruzie heeft met zijn vriendin.

'Niet alles in mijn boek is precies zo gebeurd, hoor. Maar inderdaad, dat gebeurt, dan vertrek ik met slaande deuren en heb ik bij de hoek al spijt en vind ik mezelf een idioot, maar ik ga niet meteen terug natuurlijk, want dat is ook weer zo'n capitulatie. Dus dan blijf ik nog een tijdje lopen. Met die beelden deed ik een tijdje helemaal niks, ik liet ze hun gang gaan in mijn hoofd. Ze lieten me niet los en werden steeds groter. Langzaam wilde de hoofdpersoon, die inderdaad erg op mij lijkt, mijn hoofd uit. Op dat moment begon ik te schrijven.'

Kunt u leven van uw boeken?

'Nee, wel van het schrijven: toneelstukken, een dagelijkse column in De Gelderlander. Dat is zo oké dat ik nooit met mijn vuist op tafel zou slaan omdat ik alwéér geen prijs heb gewonnen. En als iemand anders straks wint, ben ik niet kwaad of jaloers, al gun ik hem in eerste instantie aan mezelf.'

Al zijn eerdere boeken moest hij schrijven om in de buurt te komen bij Als de winter voorbij is, zegt Verbogt.

'Ik denk dat, naarmate mijn oeuvre vorderde, ik steeds meer controle kreeg over de bron waaruit ik putte. Niet dat het schrijven makkelijker wordt, maar ik weet beter wie ik ben en wat ik kan. Schrijven is iets van jezelf blootgeven. Ik durf dat nu meer dan ooit.'

De hoofdpersoon beschouwt zichzelf en zijn leven, bijvoorbeeld in een zin als deze: 'Het grootste deel van mijn leven dacht ik dat je een leven moest leiden om dat leven te veránderen, beter te maken, voller, avontuurlijker, misschien gaat het daar ook wel om, dat je dat doet dus, maar misschien moet er op een gegeven moment, op een moment dat je jezélf geeft, wel een ándere beweging komen, dat je zegt: dit is het en hiermee wil ik het doen.'

Verbogt: 'Ik beschouw dat als een inzicht. Want zo is het toch, dat je elke keer maar weer denkt: ik ga dat bestuderen om dit boek te kunnen schrijven, of: ik ga nu vijf keer per week sporten om dat lichaam te krijgen. En ondertussen leef je door, en kom je door al dat gedoe niet toe aan wat er echt belangrijk is.'

Libris Literatuurprijs

Maandagavond 9 mei maakt juryvoorzitter Dick Benschop (oud-politicus, thans Shell) bekend welke roman de Libris Literatuurprijs van 50 duizend euro heeft gewonnen. Genomineerden zijn Alex Boogers met Alleen met de goden (over de marginale kickbokser Aaron Bachman), Joke van Leeuwen met De onervarenen (over Nederlandse boeren die in 1847 de oversteek naar Zuid-Amerika waagden), Thomas Verbogt met Als de winter voorbij is (over de weemoed van Thomas die zich voorbereidt op zijn laatste verhuizing), Connie Palmen met Jij zegt het (waarin dichter Ted Hughes terugblikt op zijn huwelijk met dichteres Sylvia Plath, die in 1963 zelfmoord pleegde), debutante Inge Schilperoord met Muidhond (over de worstelingen van de pedofiele Jonathan) en P.F. Thomése met De onderwaterzwemmer (over drie fasen uit het leven van Tin van Heel, op zoek naar verlossing uit zijn binnenwereld). In de Volkskrant kregen Boogers en Palmen drie sterren, Thomése, Van Leeuwen en Verbogt vier sterren en Schilperoord vijf.

Wanneer kwam u tot dit inzicht?

'Een jaar of drie geleden, toen ik mijn huis aan het opruimen was omdat ik hier zou intrekken. Ik kwam een boek van Camus tegen, dat ik in de jaren zestig van mijn vader had gekregen. Het kostte me geen enkele moeite om mezelf weer te zien staan in mijn ouderlijk huis, voor de boekenkast, naast mijn vader die inmiddels jaren dood is. Het voelde niet alsof er meer dan veertig jaar voorbij waren, maar alsof ik alleen maar even de kamer uit was gegaan om seconden later terug te keren. Tegelijkertijd realiseerde ik me dat ik nooit meer had gedacht aan het moment waarop mijn vader me dat boek gaf - toch een belangrijk moment. Ik was altijd maar bezig met de volgende dag, de volgende maand. Zonde.'

Beeld Valentina Vos

En daar bent u mee gestopt?

'Dat heb ik geprobeerd. Twee weken geleden overleed mijn moeder, in dezelfde week als mijn goede vriend Wim Brands (presentator van VPRO's Boeken, red.). De dag dat Wim overleed, bracht ik mijn moeder naar het hospice, waar ze haar laatste dagen zou doorbrengen. Ze was 91, op. Na een val in huis ontdekten ze kanker bij haar. Ze wilde niet worden gerepareerd, het was mooi geweest. We reden samen achter in de ambulance door Nijmegen en kwamen langs ons geboortehuis. Ineens was ik weer 4 jaar en liep ik naast haar op straat. Ik probeerde, bewust, bij dat moment stil te staan, in plaats van te denken aan mijn moeders dood en hoe het daarna allemaal verder zou moeten. Het verleden ligt zo dicht bij het nu, dat ik het onzinnig vind om een woord als vroeger te gebruiken als ik schrijf of spreek over mijn eigen leven. Het is zó dichtbij. Dat wist ik overigens niet toen ik zo oud was als jij, toen was ik vooral met later bezig.'

Heeft u, door altijd met later bezig te zijn, een onrustig leven geleid?

'Ja. Zeer. Als ik schreef, was ik in rust, dan bevond ik me in een wereld die ik zelf bedacht en waar ik de baas over was. Maar daarbuiten was er onrust. Ik was er een beetje aan verslaafd, denk ik. Rommel in relaties, dagen die over elkaar heen tuimelden zonder dat ik grip had op wat er gebeurde. Mensen die me dierbaar waren gingen dood, en dat vond ik oprecht erg, maar ik ging daarna meteen over tot de orde van de dag. Soms stond ik daags na een begrafenis weer ergens voor te lezen en vroeg ik me af: waar is mijn verdriet eigenlijk? Ik wist zeker dat ik verdrietig was, maar ik wist niet waar ik dat verdriet moest vinden.'

Kijkt uw hoofdpersoon terug op een leven vol gemiste kansen?

'Nee, dat zou ik getut vinden. Maar hij beseft dat het toeval een grote rol speelt. Op een schoolkamp wordt hij twee keer kort gekust door een meisje, hij is 19, zij 13. De gebeurtenis krijgt geen vervolg. Beschouw jij dat als een gemiste kans?'

Een beetje. Hij blijft zijn leven lang aan het meisje denken. Waarom gaat hij er niet achteraan?

'Bedoel je dat hij er werk van had moeten maken? Dat deed je in die tijd niet, als 19-jarige. Zes jaar verschil is dan veel. Maar ik, want over mij gaat het, bleef aan haar denken, vooral aan haar lichtheid. Ik werd twintiger en ik studeerde in dat vervelende Nijmegen van toen, waar in de jaren zeventig alles om politiek draaide, een humorloze tijd. Als ik aan haar dacht, werd het licht in mijn hoofd, en dat was prettig, stimulerend en troostrijk. Het is dus geen gemiste kans. Het is iets wat het leven mij gaf. Soms doet het leven je beloftes, en of die beloftes uitkomen is niet altijd belangrijk. Net als wanneer je naar iemand verlangt: als het verlangen wordt ingelost, valt het vaak - bijna altijd - tegen, omdat je het in je hoofd zo groot hebt gemaakt. Maar dát, dat grote, is nou juist het grootse.'

Is het verzonnen leven mooier dan het echte leven?

'Absoluut. Daarom ben ik zo blij dat ik kan schrijven. Daarom denk ik niet aan bestsellers. Als ik een boek schrijf, leef ik het leven van de hoofdpersoon. En omdat ik zoveel schrijf, leef ik steeds een ander leven. Dat is een rijke sensatie.'

Valt het echte leven vaak tegen?

'Ik heb niet te klagen, maar ik vind het echte leven vaak wat meer gedoe. Dingen regelen, administratie, een e-mail met een ingewikkelde vraag: of ik, voor ik kom voorlezen in Lisse, even in vijf woorden kan omschrijven waar mijn boek over gaat. Ik ontleen meer aan het leven dat ik bedenk, dan aan het leven dat ik leef. Of vind je dit te hoogdravend klinken?'

De hoofdpersoon is iemand tegen wie wordt gezegd dat hij te veel in zijn hoofd zit.

'Ja, net zoals vroeger tegen mij werd gezegd: je denkt te veel. Ik heb veertien jaar geleden mijn rijbewijs gehaald, maar wel in een automaat, want mijn examinator zei: je denkt te veel voor versnellingen. Maar ik vind dat denken juist fijn, al staat het soms mijn sociale vaardigheden in de weg. Je hebt van die mensen die een kamer binnenkomen en gelijk het gezelschap beheersen, zonder arrogant te zijn, maar met een levenskunst die aanstekelijk is. Dat zou ik ook wel eens willen zijn.'

Bent u altijd aan het verzinnen, ook als u niet schrijft?

'Ja. Laatst viel mijn oog in de supermarkt op het woord 'vleesvervangers'. Ineens was 'vleesvervanger' geen product meer, maar iemand die langs de vleesschappen loopt, het vlees weghaalt en er iets anders - een boek, een fluitje - voor in de plaats legt. Ik ben dan zo verzonken in die gedachte, dat ik opeens weer hier aan deze tafel zit, en het laatste stukje van de wandeling ben vergeten.

'Mijn fantasie gaat voortdurend met me op de loop. Soms zie ik op straat een vrouw lopen met een mooie jas, tegen wie ik dat eigenlijk zou willen zeggen, maar dat durf ik niet. In plaats daarvan speelt de dialoog zich in mijn hoofd af: een langdurig gesprek, over Japan, waar deze vrouw vandaan blijkt te komen. Het is niet echt, maar het gebeurt wél! Waarom zou het minder waard zijn omdat ik het zelf verzonnen heb?'

Beeld Valentina Vos

Wat vindt uw omgeving van deze levensfilosofie?

'Mijn zusje woont in Athene, toen ze er pas woonde schreef ik haar brieven. Laatst was ik daar en las ik oude brieven van mezelf terug. Ik kwam tot de conclusie dat ik veel van wat in die brieven staat, heb verzonnen. Geen grote dingen, niet dat er een oor bij me moest worden geamputeerd of dat Beatrix op de thee kwam, maar alledaagse gebeurtenissen, dat ik me had ontfermd over een eenzaam vogeltje bijvoorbeeld. Ik weet eigenlijk niet wat mijn omgeving daarvan vindt. Ze beschouwen me in ieder geval niet als een halve gek. Ik ben niet mataklap, ik draag graag het verzonnen leven uit.'

Want in je hoofd kun je meemaken wat je wil.

'Dat doen kinderen toch de hele tijd? Die zeggen: jij bent Harry Potter en ik ben Hermelien, en dan spelen ze dat. Ze hebben een geweldige middag en gaan om zes uur naar huis om te eten. Dan kun je je afvragen: is het wáár wat ze deden? Ik zou zeggen: ja. Want de een geloofde erin en de ander ook. Precies zo probeer ik te leven. Het heeft even geduurd voor ik accepteerde dat dat niet raar is. Waar het om gaat is: wat je verzint, is waar. Het is een ander soort waarheid dan dat een brood 1,20 kost, maar evenzogoed waar.'

Een troostrijke gedachte, kan ik me voorstellen. Helpt deze levenshouding u bij het rouwen?

'Vaak wel, maar niet toen Wim laatst doodging. Dat vervult me met een gevoel van onbegrip, ik snap niets van zijn beslissing niet meer te willen leven. Ik kan me duizend gesprekken herinneren hier op de brug, korte gesprekjes, want Wim had altijd haast. Ik kan nu nog niet lachend denken aan die ontmoetingen, want ik ben nog veel te veel in de war.

'Bij mijn moeder lukt het wel. Dan helpt het om momenten terug te roepen, leuke middagen in de tuin, slappe lachbuien, de middagborrel in mijn ouderlijk huis met jenever en haringen op tafel. Ik kan er op zo'n manier aan denken dat ik daar weer ben en daarom zijn het geen gebeurtenissen die horen bij een leven dat afgesloten is door de dood, maar gebeurtenissen die horen bij een leven dat vóórtgaat, ook al zijn mijn ouders niet meer in leven. Dus ja, het helpt enorm tegen het verdriet om zo te denken. Wat je niet wil dat voorbij is, ís niet voorbij, als je het zelf maar levendig houdt. Ik hoop niet dat het zweverig klinkt, want zo is het echt.'

Beeld Valentina Vos
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.