Korporaal b.d. Olaf Nijeboer, veteraan van het bataljon Dutchbat III.

Reportage Theaterstuk Dark Numbers

‘Het kan lang goed gaan, maar ptss is nooit over’

Korporaal b.d. Olaf Nijeboer, veteraan van het bataljon Dutchbat III. Beeld Erik Smits

Dutchbat staat symbool voor alles wat in Srebrenica misging. Maar hoe gaat het nu met de mensen van dat bataljon? Regisseur Tea Tupajic zet er in Dark Numbers vier op het toneel.

Zijn tijd in Bosnië is een ‘diaserie’ in zijn hoofd, zegt korporaal b.d. Olaf Nijeboer (45), veteraan van het bataljon Dutchbat III. Eén dia die hij steeds weer ziet is die van de gewonde vrouw die hij op patrouille tegenkwam. ‘Haar jurk was gescheurd en haar gezicht zat onder het bloed. Dat was echt helemaal mis.’ Nog altijd ziet Nijeboer levendig haar opluchting voor zich: daar komt de VN, nu krijg ik hulp. ‘Maar onze opdracht was: niet ingrijpen, alleen rapporteren. Dus dat hebben we gedaan. Ik zal nooit haar gezicht  vergeten toen we haar voorbij reden.’

Nijeboer heeft ptss, posttraumatische stressstoornis. Na 23 jaar en de nodige therapie kan hij nu beter omgaan met de emoties die hem soms nog overvallen. ‘Het komt met golven. Het kan lang goed gaan, maar het is nooit over.’ Hij is nu – opnieuw – aan het reïntegreren op de arbeidsmarkt. Maar op dit moment gaat al zijn aandacht uit naar de voorstelling Dark Numbers van theatermaker Tea Tupajić, die woensdagavond bij theater Frascati in première gaat. 

Daarin vertellen Nijeboer en nog drie andere Dutchbat-veteranen over hun persoonlijke ervaringen en gevoelens bij de veelbesproken ‘val van Srebrenica’, in juli 1995. Het is sober, documentair theater waarin de veteranen beurtelings hun verhaal doen. Niks is fictief, weinig gedramatiseerd. Tupajić voegt slechts enkele dramatische elementen toe als een geluidsopname van een zomerdag in Srebrenica, of een popnummer: het onder veteranen geliefde Brothers in arms van de Dire Straits.

‘Sorry’

Olaf Nijeboer speelt gitaar en zingt in de voorstelling, onder meer het nummer Sorry van Kensington. ‘Sorry for the road that I won’t take/ For the words that I won’t say/ For the love that I won’t give.’ Die tekst is van toepassing omdat hij altijd een stukje van zichzelf verborgen houdt voor zijn naasten, zegt Nijeboer. ‘Ik ga mijn zoontje niet belasten met wat ik daar heb meegemaakt. Maar dat betekent ook dat ik niet alles van mezelf kan laten zien. Dan ben je er niet helemaal meer. Daar zing ik ‘sorry’ voor.’

Hij oefent nu al een paar maanden op de liedjes, want hij zingt en speelt wel al sinds zijn 18de, maar altijd ‘op zijn zolderkamer’, nooit eerder voor echt publiek. ‘Thuis kan je nog wel eens een verkeerde noot zingen, maar dat mag natuurlijk straks niet meer.’

Tupajić, die in Sarajevo is geboren, is al lang gefascineerd door Dutchbat en de val van de moslimenclave, waarna 8.000 Bosnische moslimmannen en jongens werden vermoord. Haar fascinatie komt niet voort uit directe persoonlijke betrokkenheid, benadrukt ze – Tupajić heeft de Kroatische nationaliteit; zij en haar familie behoorden niet tot de door de Serviërs vervolgde bevolkingsgroep. Het was niet de oorlogsmisdaad op zich, die haar intrigeert, zegt ze op het kantoor van Frascati in Amsterdam. ‘Dat soort gruwelen gebeuren helaas in elke oorlog. Maar uniek aan Dutchbat is hoe dit bataljon alle schuld op zich heeft geladen. Dutchbat is hét symbool geworden voor alles wat in Srebrenica misging, voor alle fouten die zijn gemaakt, door de legerleiding, de staat, de bondgenoten, de VN. Dutchbat is een begrip: het is synoniem geworden voor de schuld van het Westen.’

Wond die nooit kan helen

Maar achter dat symbool gaan wel mensen schuil, individuele soldaten, mannen en vrouwen van toen vaak pas 20 jaar oud, die nog altijd worstelen met schuldgevoelens en gevoelens van falen. Srebrenica is ook voor hen een wond die nooit kan helen, omdat steeds opnieuw aan de hechtingen wordt getrokken; met elk nieuw onderzoek, elk nieuwsfeit, elke wending in het debat. ‘Hen wilde ik ontmoeten en ze voorstellen aan het publiek.’ Het gaat Tupajić nadrukkelijk niet om een reconstructie van de feiten, of een antwoord op de steeds weer opspelende schuldvraag. ‘Ik wilde weten: wie zijn de mensen achter zo’n grote historische gebeurtenis? Wat hebben zij daar meegemaakt? Wat is hún verhaal? Dat vertellen ze op toneel.’

De veteranen wordt verweten dat ze zich niet als helden hebben gedragen daar, zegt Tupajić. ‘Maar het zijn geen helden, het zijn gewone mensen, mensen die worstelen en fouten maken. Hoe houden die zich staande in zo’n situatie? En erna? Goed, ze leven nog. Maar als ik naar ze kijk, vraag ik me af of ze het zo goed hebben doorstaan. Hebben ze het wel overleefd? Of zijn ze alleen maar lichamelijk ongeschonden teruggekomen?’

Tupajić benaderde het veteraneninstituut en deed een oproep op de Facebook-pagina van Dutchbat III – waar een aantal veteranen contact met elkaar onderhoudt. Zo kwam ze in contact met Olaf Nijeboer en later met militair chirurg Gerry Kremer (63) en soldaten eerste klasse Liesbeth Beukeboom-de Jong (43) en Hans de Jong (46); twee Dutchbat-veteranen die elkaar tien jaar na het drama hebben ontmoet en intussen getrouwd zijn.

Liesbeth Beukeboom was Tupajić ook opgevallen in het fotoboek dat fotograaf Friso Keuris in 2010 maakte van de Dutchbatsoldaten, met kwetsbare, confronterende portretten en openhartige verhalen. Tupajić: ‘In dat boek zegt Liesbeth iets heel interessants en iets heel dappers. Ze legt uit hoe je afstompt ten opzichte van de mensen die je moet beschermen. Uit zelfbescherming, om het aan te kunnen, om te blijven functioneren, om te voorkomen dat het je teveel raakt.’

Beukeboom: ‘Als er steeds kinderen om je heen staan die je niet kan helpen, kun je die niet allemaal lief en schattig vinden. Op een gegeven moment vond ik ze alleen nog maar irritant. Behalve eentje, een mank jongetje van een jaar of 8 dat altijd werd gedragen door zijn moeder. Dat jongetje, dat was mijn schatje, daar voelde ik iets voor.’

Soldaat eerste klasse Liesbeth Beukeboom. Beeld Erik Smits

Beukeboom was 19 toen ze naar Bosnië vertrok. Ze vierde haar 20ste verjaardag in het Nederlandse kamp in Potočari. Op toneel vertelt ze hoe ze de dag van vertrek opeens oog in oog stond met ‘het monster’ Mladic. Hij heeft een grote glimlach op zijn ‘vette, gezwollen, bezwete gezicht’. Hij zwaait. Beukeboom beseft dat hij nog geen 3 meter van haar afstaat, dichtbij genoeg om hem dood te schieten. Ik doe het, denkt ze, ik schiet hem middenin dat grijnzende gezicht. Met haar hand tast ze al naar het pistool op haar heup. Maar dan beseft ze dat ze onmiddellijk zal worden omgebracht, en bovendien al haar collega’s in gevaar brengt. ‘Ik wil geen dode held zijn’, zegt ze. ‘Ik hoef geen Liesbeth Beukeboomstraat. Ik kies ervoor om te leven.’

Ook Beukeboom heeft ptss. Ze had lang last van nachtmerries en heeft nog steeds elke dag spierpijn. ‘In mijn armen, mijn schouders, mijn rug, zelfs mijn benen. Het begon op de dag dat ik terugkwam en is nooit meer weggegaan. Srebrenica hoort bij mijn leven. En het maakt mijn leven ook soms nog moeilijk. Juli is een lastige maand voor mij.’ Het helpt dat haar man min of meer dezelfde ervaring heeft gehad. ‘Gek genoeg praten we er nooit over. Maar we weten het van elkaar. We begrijpen het. Dat is genoeg.’

Plaatsvervanger

Hans de Jong richt zich op toneel in een brief tot hun drie jonge kinderen. Hij legt ze uit dat hij in maart 1995 eigenlijk wacht moest lopen bij een observatiepost. Maar omdat hij zelf vast kwam te zitten met een bevoorradingskonvooi, nam een andere soldaat zijn plaats in. Die soldaat was Jeffrey Broere, de eerste Nederlandse soldaat die in Bosnië sneuvelde door een gerichte aanval, toen de observatiepost onder vuur kwam te liggen. ‘Dat is de reden dat papa eind maart altijd wat sneller boos en verdrietig is.’

Soldaat eerste klasse Hans de Jong. Beeld Erik Smits

Het werken aan de voorstelling brengt bij de vier veel herinneringen boven, zegt Beukeboom: ‘Het is heel confronterend om ook de verhalen van de anderen te horen. Emotioneel, ja. Maar toch heb ik er geen spijt van. Ik merk ook dat het wel ergens goed voor is.’

Wapenbroeders

Deze ochtend bij de repetities draaide Tupajić voor het eerst het nummer Bothers in arms. Gerry Kremer: ‘Tja, toen hield ik het niet droog. Van muziek word ik altijd heel kwetsbaar. Toen hebben we met elkaar wel even een potje staan janken op toneel.’

Kremer vertelt op toneel een schokkende anekdote over de gesneuvelde soldaat Raviv van Renssen, die met zijn 1.95 niet in de enige doodskist past die Kremer tot zijn beschikking heeft. Kremer overweegt om zijn benen eraf te zagen. Uiteindelijk lukt het hem, door het lichaam in een soort foetushouding te vouwen, om de gesneuvelde soldaat passend in de kist te krijgen. Op toneel gaat de 63-jarige Kremer stram in diezelfde houding op de grond liggen. Een ontroerend beeld.

Zijn enige toneelervaring dateert van vijftig jaar geleden, op de middelbare school,  bekent Kremer. ‘Maar dit is anders, want nu spelen we onszelf. Mijn eigen verhaal, dat hoef ik niet te spelen.’

Hij vertelt over het gejammer en geschreeuw van bange en boze mensen in het vluchtelingenkamp. Over vluchtelingen die stierven door ontoereikend medisch materieel. Maar ook over de bevalling waarbij hij hielp en een prachtig gezond meisje werd geboren. ‘Het begin van een leven in een situatie van dood en ellende’.

Het helpt hem om zijn verhaal te delen, zegt hij. ‘Het is ook een soort trainen van je emoties, zeker als we het straks avond aan avond moeten doen. Op een bepaalde manier is werken aan deze voorstelling therapeutisch.’

Militair chirurg Gerry Kremer. Beeld Erik Smits

Universeel verhaal

Olaf Nijeboer vindt het waardevol dat hun ervaringen nu zin krijgen, in de vorm van kunst. ‘Wat wij hebben meegemaakt is een universeel verhaal waar de maatschappij zich liever van afkeert. Ik zou willen dat elke Nederlander dit krijgt te zien.’

Op toneel deelt hij zijn grote dilemma van toen met het publiek: had hij de gewonde vrouw moeten helpen of niet? Hij heeft zich keurig aan zijn opdracht gehouden, zoals het een goede militair betaamt, zegt Nijeboer, niet ingrijpen, alleen rapporteren. ‘Maar ik vraag me nog dagelijks af: was die opdracht niet verkeerd? Had ik hem moeten negeren?’

Hij beseft dat het publiek hem om zijn keuze mogelijk zal veroordelen. ‘Dat mag. Ik stel me in dat opzicht kwetsbaar op.’ Tegelijk is hij ook kritisch over al te gemakkelijke verwijten. ‘Ik moest kiezen tussen een goed mens zijn of een goede militair. Terwijl leeftijdgenoten hier zo hun eigen dilemma’s hadden: begin ik meteen met mijn studie of ga ik nog een jaar op reis? Ga ik vroeg naar bed of neem ik nog een biertje?’ Hij wil maar zeggen: waar iedereen hier gewoon verder leefde, veilig thuis in Nederland, stonden zij daar voor onmenselijke keuzen. Nijeboer is even stil. ‘Het is maar veertien uur rijden hè?’  

Dark Numbers van Frascati Producties gaat woensdag 19/9 in première in theater Frascati in Amsterdam. Daar t/m 22/9, daarna tournee.

Tea Tupajić

Tea Tupajic (Sarajevo, 1984) studeerde aan de Academy of Dramatic Art in Zagreb en is verbonden aan het Veem Theater. Haar werk is internationaal georiënteerd en speelt zich af op het snijvlak van theater, performance, ­videokunst en happening. Als hoofdrolspelers kiest zij vaak voor niet-professionele performers en ervaringsdeskundigen. Haar werk wordt internationaal getoond in theaters, op festivals, in galeries en in de publieke ruimte.

Tea Tupajić. Beeld Erik Smits
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.