Interview Renate Dorrestein

‘Het is zó moeilijk voor te stellen dat ik er straks niet meer ben’

Schrijfster Renate Dorrestein overleed op vrijdag 4 mei. In september vorig jaar publiceerde de Volkskrant dit interview met Dorrestein, ze was toen net klaar met haar nieuwe boek Reddende engel en wist dat ze niet lang meer te leven heeft. 

Beeld Valentina Vos

Zoiets slechts heb ik nog nooit geschreven, dacht Renate Dorrestein toen ze afgelopen zomer de laatste correcties van haar nieuwe roman doorvoerde. 'Alles vond ik er slecht aan. Het hangt als los zand aan elkaar. Maar misschien is dat een goed teken, want dat denk ik bij elk boek.'

Wanneer begin je een boek van jezelf doorgaans weer leuk te vinden?

'O, dat duurt jaren. Weerwater, uit 2015, heb ik nog steeds niet herlezen.'

Het nieuwe boek van Renate Dorrestein (1954) verschijnt zaterdag 16 september. Het heet Reddende engel. De hoofdpersoon is een vrouw van middelbare leeftijd zonder familie (op een stokoude achternicht na), 'van haar verleden en haar toekomst beroofd' sinds ze door haar echtgenoot is ingeruild voor een jong ding.

Overige ingrediënten: een afgelegen boerderij in Zuid-Limburg, bewoond door twee merkwaardige meisjes, hun nog merkwaardiger grootmoeder en een (op het oog) redelijk normale vader; diverse dode vrouwen; onweer; roddel en achterklap. Het boek beslaat tien dagen. Reddende engel is een echte Dorrestein, zoals dat heet: beeldend, spannend en humoristisch, doorspekt van een milde ironie, niet weg te leggen, vol scènes die zich vastklauwen in je geheugen.

'Het begon met een plek, daar begint het bij mij meestal mee. Ik dacht: ik moet een plek hebben waar je een beetje kunt verdwijnen. Waar in Nederland kan dat in godsnaam? Iemand in mijn omgeving zei dat ik eens in Limburg moest kijken, dus ben ik daar een paar dagen gaan rondrijden. En als ik eenmaal dat gevoel voor een plaats heb, komt het goed. Zo'n afgesloten plek is interessant, dan kun je de druk goed opvoeren.'

Welk verhaal ze met dit boek wil vertellen? 'Ja, wat bedoelt de schrijver? Dat weet de schrijver zelf ook niet. Zogenaamde naastenliefde is heel vaak een vorm van eigenbelang, dat is wel een thema in Reddende engel. Maar ik geloof dat ik alleen maar wil laten zien; zo tobben wij rond. Dit doen we in zulke situaties. Ik ben dol op die onuitputtelijk interessante gezinssituatie, die snelkookpan van het gezin. Meestal zie ik pas jaren nadat ik een boek heb geschreven wat ik ermee heb willen zeggen. Dan kan ik het plaatsen, ook in mijn eigen geschiedenis.'

Of Dorrestein die jaren krijgt, is hoogst onzeker. In het normale leven zou dit weekeinde de aftrap vormen van de vrolijke en intensieve periode die bij de verschijning van een nieuw boek hoort, vol optredens in bibliotheken, bij boekhandels en in zaaltjes. Maar die optredens gaan er dit keer niet komen, want het leven van Dorrestein is niet langer normaal. Afgelopen december moest ze in de MRI-scan vanwege de reuma waaraan ze sinds een jaar lijdt. Bij die scan ontdekten artsen een grote tumor op haar slokdarm. In de maanden erna kreeg ze chemo en werd ze bestraald. Hoewel de tumor is geslonken, wordt genezing uitgesloten. Afgaand op de statistieken heeft Dorrestein nog een jaar te leven.

'Toen we na die scan thuiskwamen, zei Maarten: had jij dit nou zien aankomen? Ik zei: nee, ik had geen enkel idee. En toen zei hij - en dat vond ik zulke geruststellende woorden: 'Tja, een op de drie mensen krijgt kanker, waarom wij niet?' En zo is het. Waarom wij niet?' Maarten is Maarten de Boer, architect en de man met wie Dorrestein al bijna dertig jaar een latrelatie heeft. Ze zijn een paar weken geleden getrouwd, op het strand.

Hoe is hij eronder?

'Maarten is een man van het gunstige scenario, een ontzettend optimistisch iemand. Zijn dochter Noor, die 8 was toen wij elkaar leerden kennen - ze is nu 35 - zei vaak: 'Papa en Renate vullen elkaar zó goed aan! Zij is altijd somber en hij is altijd vrolijk.' Het is waar, ik ben van het naargeestige scenario, dus mij valt het hele leven mee. Ik moet zeggen dat ik erg door hem geroerd ben. Maarten moest van medische dingen nooit veel hebben, als ik een pleister om mijn vinger had, zei hij: kun je die vinger wegdoen? Dus ik dacht: nou, dat wordt misschien nog best moeilijk. Maar hij deinst nergens voor terug. Ik reageerde niet goed op de chemo en kreeg verlammingsverschijnselen, waardoor hij me echt aan mijn oksels door het huis moest slepen. En hij heeft me dus ten huwelijk gevraagd. De man die altijd zei: trouwen, belachelijk, zei nu: ik wil met je trouwen. Ik wil voor mezelf, voor jou en voor de hele wereld duidelijk maken dat ik tot het einde voor je zal zorgen.'

Dorrestein ziet eruit zoals ze zich voelt: goed. 'Het is een beetje optisch bedrog door de prednison die ik slik vanwege mijn reuma, maar ik heb op dit moment (klopt driftig op tafel) nergens last van, dat is een wonder. Ik heb mijn haar behouden, dat scheelt ook. Sinds de behandeling afgelopen voorjaar, heb ik een paar energieke uren per dag en hoef ik overdag niet naar bed. Ik voel me nu niet ziek.

'Het gaat natuurlijk zover komen dat je niet meer kunt slikken - een paar weken geleden gebeurde dat, het duurde 24 uur en het was erg onaangenaam, maar nu blijft het in zekere zin toch een abstractie voor me. Doodsangst heb ik niet, geloof ik. Ik heb besloten me niet te laten opereren. Wil je dan niet leven, vragen mensen me. Dan antwoord ik dat ik niet genoeg doodsangst in me heb om mijn leven te laten verzieken door een operatie waar veel mensen als een wrak uit komen. Mensen hebben niet in de gaten dat wat zij levenslust noemen, vaak in feite doodsangst is.'

Beeld Valentina Vos

Het zou kunnen dat Reddende engel je laatste boek is.

'Dat zou heel goed kunnen.'

Is iets van dat besef in deze roman doorgesijpeld?

'Ik was natuurlijk nog niet ziek toen ik eraan begon, ik was zelfs al heel ver toen ik de diagnose kreeg: één hoofdstuk van het einde verwijderd. Wat kloeker klinkt dan het is, want daarna moet ik altijd nog verschrikkelijk veel herschrijven. Maar aan de wetmatigheden die het verhaal stelde, kon ik niets meer veranderen, als ik dat al had gewild.

'En toch is er iets geks mee. Ik was klaar met Zeven soorten honger, de roman hiervoor, en na een boek ga ik altijd als een gek mijn werkkamer opruimen, waar een jaar lang alles alleen maar is neergedaald. Daarbij kwam ik een oude essaybundel van Hella Haasse tegen waarvan ik wist dat er een leuk stuk in stond over mijn werk. Dus ik lees dat essay en zie dat Haasse schrijft over de invloed van de gothic novel op mijn werk. Ik dacht: dát wil ik. In Reddende engel ga ik terug naar mijn basis. Er moeten weer onweersbuien en gekletter van regen in en het moet beperkingen en begrenzingen hebben - de kern van de gothische roman.

'Toen ik een paar maanden bezig was, in september vorig jaar, kon ik bijna niet meer lopen en bleek ik die reuma te hebben ontwikkeld. En toen dacht ik: aha, ik heb mijn eigen beperkingen gevoeld. Die moeten de keuze voor dat onderwerp mede hebben bepaald.'

CV Renate Dorrestein

25 januari 1954: geboren in Amsterdam, in een rooms-katholiek gezin. Haar vader was advocaat, haar moeder voor haar huwelijk onderwijzeres en daarna huisvrouw.
1972: gymnasiumdiploma aan het Keizer Karel College in Amstelveen.
1972-1977: verslaggever bij weekblad Panorama.
1977-1983: verslaggever en columnist bij onder meer Opzij, Viva en De Tijd.
1983: Debuteert als romanschrijver met Buitenstaanders.
1986: mede-oprichter Anna Bijns Stichting, die elke twee jaar een prijs uitlooft voor 'de vrouwelijke stem in de letteren'.

Schrijft tussen 1984 en nu in totaal ruim dertig boeken, waaronder Korte metten, Een hart van steen, Zolang er leven is, De leesclub, Een sterke man (genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs) en Zonder genade (genomineerd voor de AKO-prijs).

1993: Heden ik, over haar ziekte ME.
1997: Boekenweek-geschenk Want dit is mijn lichaam.
2008: Boekenweek-essay Laat me niet alleen.
2013: De blokkade, over haar writer's block.
2015: Weerwater, geschreven als writer in residence in Almere.
2016: Zeven soorten honger
2017: Reddende engel

Renate Dorrestein heeft een lat-huwelijk met architect Maarten de Boer.

Mocht het je laatste boek zijn, dan is het in elk geval een goed gelukt laatste boek.

'Dat is fijn. Dat ze niet over je schrijven: haar oeuvre ging als een nachtkaarsje uit.'

Renate Dorrestein is een van de best gelezen schrijvers van Nederland. Ze begon meteen na de middelbare school te werken als journalist (Panorama, Viva, Opzij) en debuteerde in 1983 als romanschrijver. Sindsdien volgden haar boeken elkaar in straf tempo op; ze schreef er sinds haar debuut ruim dertig, en dat terwijl ze tien jaar van haar leven last had van de chronische-vermoeidheidsziekte ME (waar ze Heden ik over schreef) én een paar jaar een writer's block had (wat resulteerde in De blokkade).

In De vrolijke wetenschap werpt Friedrich Nietzsche de vraag op wat je zou antwoorden als je de mogelijkheid kreeg je leven opnieuw te leven, mét alles wat je hebt meegemaakt, dus inclusief alle nare en mooie dingen. Wat zou jij zeggen?

'God ja... ik heb altijd het gevoel gehad dat ik ontzettend bevoorrecht was. Niet als kind, maar later wel door mijn werk. Ik heb altijd kunnen doen wat ik leuk vond. Ik behoor tot die wonderlijke lichting auteurs die van hun pen konden leven, dat was vóór mijn tijd niet mogelijk en voor de mensen die nu beginnen ook nauwelijks.

'Gisteren vertelde een vriendin dat ze iemand in haar praktijk had gehad die Een hart van steen had gelezen. De moeder van die cliënt had een postpartum depressie gehad na de geboorte van deze vrouw en Een hart van steen gaat over zo'n geval. Het boek had haar zo veel goed gedaan. Niet dat het verleden er prettiger door was geworden, maar er waren nu woorden aan gegeven. Ze voelde zich niet meer eenzaam over wat ze had meegemaakt. Dat raakte mij erg. Omdat ik dacht: dat je dat met je werk kan bereiken. Dat mensen denken: dit wordt nu voor mij verwoord. Ik ben niet de enige op aarde. Ik geloof niet dat je meer dan dat kunt wensen. Als ik terug moet komen - wat ik niet hoop, ik hoop in godsnaam dat er géén reïncarnatie bestaat, maar áls reïncarnatie bestaat, hoop ik dat ik opnieuw schrijver mag zijn.'

En wil je dan ook de rest van je leven opnieuw leiden?

'Ja, minus sommige delen natuurlijk, maar anderzijds: die hoorden erbij, die hebben me gemaakt tot wie ik ben.

'Het is zó moeilijk je voor te stellen dat je er niet meer bent. Je weet dat je ooit doodgaat, maar als het je wordt aangezegd, sta je er toch versteld van hoezeer je hier niet op had gerekend. Ik denk dat het niet in het menselijk repertoire zit je de eigen eindigheid voor te stellen. Het je écht voor te kunnen stellen.'

Je komt uit een katholiek nest.

'Dat is heel troostrijk, want wij gaan allemaal door naar de hemel - natuurlijk ga ik naar de hemel, wat heb ik in de hel te zoeken, ik ben mijn leven lang een ontzettend brave vrouw geweest. En daar gaan we het heel fijn hebben.'

Dat geloof je echt?

'Alle geloof is hoop, hoor. Maar het is wel heel troostend. Ik heb een vriend die longkanker heeft en niet gelovig is. Ik begrijp niet hoe hij die ziekte doorstaat. Maarten is ook niet religieus. Maar hij heeft wel een heel Bijbels geloof en dat is dat alles zijn tijd heeft. Voor hem hebben de dingen daardoor betekenis; want dit is nu het moment waarop het moest gebeuren.'

Ga je naar de kerk?

'Nee. De katholieke kerk is natuurlijk ontmaskerd als een vreselijk instituut. Maar je moet nooit het instituut verwarren met de leer, en vooral niet met de intentie. Ik geloof gewoon in God, klaar.'

Bid je ook?

'Ja. 's Ochtends, als ik wakker word.'

Probeer je dan een soort gesprek te hebben?

'Het is vooral dankzeggen. Heel klassiek dankzeggen. Voor de nieuwe dag en wat je op die dag allemaal zult tegenkomen. Ik vind dankbaarheid een van de fijnste emoties die er zijn. Het is verwarmend om de dag zo te beginnen en je even te verbinden met het al dat dit jou toch maar schenkt.'

En hoe plaats je daar dat naderende einde in?

'Dat einde zou toch wel komen, en we moeten natuurlijk ook niet doen alsof ik in de wieg gesmoord word. Ik ben 63.'

Dat is nog best jong.

'Ja, kijk uit. Best jong: dat is echt onzin. Dat zeiden die artsen ook, toen ik vertelde dat ik geen nieuwe operatie wil: maar u bent nog zo jong! Ik zeg: ú bent jong, ik leef al een stuk langer dan u. We zijn zo gefixeerd op dat eeuwige jong blijven. En ook op dat we alles moeten zien te fiksen, dat alles máákbaar is. Mijn beste vriendin Liesbeth ging dood toen ze begin 40 was en liet twee jonge kinderen achter. Dat zijn drama's, dan zeg je: die was te jong. Maar niet van iemand van mijn leeftijd. Dat vind ik zo'n overschatting van wat een mens überhaupt betekent: alsof je niet ophoudt onmisbaar te zijn.'

Je bent niet verongelijkt, niet kwaad.

'Ik zou niet weten op wie of wat ik kwaad zou moeten worden. Ik ben wel geregeld in paniek en ik ben verdrietig, bij vlagen - ik zeg nu verdrietig, maar ik weet niet eens wat voor emotie het precies is. Ik was altijd al 'nat op de zakdoek', zoals mijn eerste uitgever het noemde, maar nu huil ik helemaal gemakkelijk. Vooral als iemand aardig tegen me is. Het is een soort heimwee...'

Met vooruitwerkende kracht?

'Precies. Hoe ga ik dit ooit loslaten, dit leven, mijn dierbaren? Want dat is volgens mij de praktijk van het sterven. Een soort melancholie.'

Een van de eerste dingen die Dorrestein tegen haar geliefde zei, toen ze wist dat ze slokdarmkanker heeft, was: verbied me hierover te schrijven, en als ik ooit zeg dat ik er toch over ga schrijven, pak dan een hamer en sla me heel hard op mijn kop. 'Al die particuliere lijdensverhalen, daar zijn er veel te veel van. Ik wil dat niet.'

Schrijf je er ook niet over voor jezelf? Je hebt over je chronische vermoeidheid trouwens ook een boek geschreven.

'Maar ik verwerk niks door te schrijven, ik houd ook geen dagboek bij; ik ben zo gewend om te schrijven voor het oog van een ander dat ik denk dat ik dat niet eens meer zou kunnen. Dat boek over ME had een soort missionaire bedoeling. Dat was een ziekte waarover weinig bekend was en ik dacht: ik ben van de patiënten waarschijnlijk de enige met een publieke stem.

'Ik denk vaak dat ik die ziekte van toen nu min of meer verzilver. Destijds heb ik de eerste jaren van die ME veel energie verloren door ertegen te strijden. Bij deze diagnose heb ik meteen gedacht: accepteren. Omhels het, strek je armen ernaar uit, duw het niet weg. Integreer het, dan heb je er de minste last van. Dat hele idee dat je kunt vechten tegen een ziekte, dat is zo volstrekt mallotig.'

In 1979 pleegde haar jongere zus zelfmoord. Volgens Dorrestein is die gebeurtenis bepalend geweest voor haar leven en werk. Ze heeft eens gezegd dat ze eigenlijk al haar boeken als 'tussendoortjes' beschouwde, opstapjes naar het ene, ultieme antizelfmoordboek. Het is er niet gekomen. En het hoeft ook niet meer, want er kwam een ander boek: Weerwater, geschreven toen de gemeente Almere haar had gevraagd een tijdje als gastschrijver in de stad te komen wonen. De hoofdpersoon in Weerwater is Renate, een schrijver van begin 60 wier man Maarten heet. Zijn dochter heet Noor en Renate heeft ook nog een nepnichtje Elisabeth. Samen vormen ze precies zo'n gezellig in elkaar geknutselde familie als Dorrestein zelf heeft. Meteen aan het begin wordt duidelijk dat Maarten, Noor en Elisabeth de ramp die de wereld treft niet overleven. 'Ik ben volstrekt gewetenloos als het op mijn werk aankomt. Als ik denk: dat heeft het verhaal nodig, dan interesseert de rest me echt geen fuck. Niet erg fraai van mij, maar zo moet je als schrijver wel opereren. Evengoed durfde ik het ze niet te vertellen, tot het boek uitkwam.'

Weerwater is een fascinerende dystopie, een ideeënroman die doet denken aan het werk van Margaret Atwood. Niet alleen is het vermoedelijk een van Dorresteins beste boeken en het boek waarmee ze haar writer's block overwon, ook helpt ze in Weerwater een van haar personages (en daarmee zichzelf) van het schuldgevoel af over de zelfmoord van een naast familielid. 'Het heeft één groot voordeel om in een wereld te leven die niet perfect is', zegt een voormalige boef in het boek: 'Je hoeft zelf ook niet volmaakt te zijn. Hier word je niet depressief als je de uitzondering bent die het niet redt, want niemand redt het hier. Niemand eist hier van je dat je gelukkig bent of je dromen waarmaakt.'

Beeld Valentina Vos

Je schrijft in Weerwater dat depressie en zelfmoord veel met onze tijd te maken hebben. Wanneer ben je tot die conclusie gekomen?

'Ik had het er een keer met psychiater Bram Bakker over. Hij publiceert ook bij Podium, we spraken elkaar op een borrel en hij zei: 'Waarom maak je van die zelfmoord van je zusje zo'n persoonlijk ding? Het heeft te maken met de wereld waarin we leven'. Dat kwartje viel onmiddellijk bij mij. Er zijn natuurlijk ook psychiatrische aandoeningen die niets te maken hebben met de verplichting om gelukkig te zijn. Maar dat dit tijdsgewricht een rol speelt bij depressie, daarvan ben ik wel overtuigd.'

Het ultieme boek hoeft dus niet meer; hoe breng je je dagen nu door? Jouw leven is nog nooit niet-schrijvend geweest.

'Nu ook niet. Reddende engel is net af en in mijn hoofd vormt zich een idee voor een volgend boek, ik heb zelfs al een titel. Natuurlijk ga ik aan de slag met een nieuw boek. Slokdarmkanker of niet, het zou toch raar zijn als ik ineens iets heel anders zou doen.'

En de dood: bereid je je daar op voor?

'Als je dagen geteld zijn, word je opeens geacht overal boven te staan. Dat je het al overschouwt en een mild en uitgebalanceerd persoon bent. Helaas is dat stadium nog niet in zicht. Simone de Beauvoir heeft heel mooi geschreven over hoe we onszelf niet als ouder kunnen percipiëren, maar we kunnen ons ook niet als dood of als stervend percipiëren; dat lukt gewoon niet. Mijn voorstelling van het hiernamaals is behoorlijk kinderlijk. Ik ga ervan uit dat ik boven heel druk zal zijn met het hernieuwen van de contacten met de mensen die ik zo lang heb moeten missen. Het eerste wat ik doe als ik dood ben is een sigaretje opsteken - ik ben nog niet zo lang geleden gestopt.

'Een vriendin van mij heeft een schitterende voorstelling dat het hiernamaals een prachtige Toscaanse villa is met allerlei vertrekken, en daar komt iedereen samen van wie zij houdt. Iedereen zit daar de dingen te doen waar hij goed in was. Ik vind dat een prachtig beeld. Een ding weet je zeker: je komt hier niet levend vandaan, dus je kan je maar beter ergens op verheugen in plaats van te denken dat er niets blijkt te zijn. Ik denk wel: zou ik in de hemel nog steeds boeken zitten te schrijven?'

Je wordt gastschrijver van de hemel.

'Wat een goeie vind ik dat. Ja. En dan gooi ik af en toe een manuscript over een wolk. Dat zou ik heerlijk vinden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.