'Droom is het leven, anders niet'

ROND 1955 - hij was zesenvijftig jaar - begon het gezichtsvermogen van Jorge Luis Borges snel te verminderen. Hij zou ten slotte helemaal blind worden....

Bijna alle herinneringen aan gesprekken met hem betreffen literatuur. Dat spreekt boekdelen. Hoe kan het anders bij iemand die de schets van eigen leven zo begint: 'Jarenlang heb ik geloofd dat ik opgegroeid ben in een voorstad van Buenos Aires, een voorstad met gevaarlijke straten en schitterende zonsondergangen. De waarheid is, dat ik ben opgegroeid in een tuin, achter een schutting van ijzer paalwerk en in een bibliotheek van eindeloze Engelse boeken.' Een afgeschutte bibliotheek, een tweede wereld. Of de enige echte, buiten de tijd van zonsop- en zonsondergang.

Borges is of was zo'n mythe dat de bekoring onweerstaanbaar is zijn werk als een geheel te lezen en elk onderdeel als een microbeeld van dat geheel. Ik blader in zijn werk. En ik lees in de bundel De gezworenen het gedicht 'Alle gisterens, een droom'. En mij treffen de laatste twee regels: 'Het verleden is de leem die het heden/ naar eigen behoeven kneedt. Onophoudelijk.' En dat zal voor wat nu 'heden' is, ook gaan gelden. Er wordt niet alleen gedoeld op de geschiedschrijving, maar op ieders persoonlijk leven, op wat wij herinnering noemen, aan gisteren bijvoorbeeld. Sterker: aan het ogenblik van een minuut geleden. Wat we tijd noemen is een kunstmatig rijgwerk van 'gisterens', en dus een droom. Tijd is literatuur, zou je haast zeggen. Borges' wellicht diepzinnigste essay is zijn 'Tweede weerlegging van de tijd', het werd opgenomen in de bundel De cultus van het boek (een schitterend en jaloersmakend boek; zo dient over literatuur te worden geschreven). De ruimte van de tijd is een kunst-ruimte en daarin is van alles mogelijk: gelijktijdigheid, omkering van heden en verleden en van oorzaak en gevolg, zielsverhuizing, eeuwigheid zelfs! Het is een speelruimte, maar een betekenisvolle. Het lijkt erop dat binnen die ruimte alle grote gedachten metaforen zijn, die relaties leggen en vermoedens geven. Denker en dichter zijn bij Borges onscheidbaar.

Ik lees in de bundel De maker de tekst 'In memoriam J. F. K.' en de initialen zijn die van Kennedy. 'Deze kogel is oud', is de eerste regel ervan. Hij is vele malen afgeschoten. En hij kan van gedaante veranderen: zwaard worden, mes, de spijkers waarmee Christus werd gekruisigd, het ezelskakebeen waarmee Kaïn Abel doodsloeg. En zo wordt de geschiedenis die van moord, met hetzelfde wapen. De geschiedenis herhaalt zich en bestaat dus niet. Dat dat alleen literair waar is, was voor Borges een ondenkbare gedachte. Er lijkt alleen literatuur te zijn. Of een bibliotheek.

DAT BIJ BORGES het lezen centraler staat dan het schrijven is niet verwonderlijk. Het kan typerend zijn, dat hij, schrijvend over klassieken, vaststelde dat niet de manier van schrijven, zoals Eliot opmerkte, maar de wijze van lezen een boek klassiek maakt. Borges' wijze van lezen is eenheidscheppend in ruimte en tijd en daarmee ook ontnationaliserend (geen onspaanser schrijver dan Cervantes, geen onengelser dichter dan Shakespeare). Daarbij schuwt hij de door hem zo vaak gehanteerde omkering niet. De lezer is een verzinsel van de literatuur, is er zo een. De literatuur denkt de lezer uit. Dat kan, gezien de eenheid van de literatuur, alleen maar betekenen, dat die lezer zich overal in kan herkennen, want hij wordt steeds door hetzelfde bedacht. Wat wij intertextualiteit noemen, veronderstelt een 'tussenlezerschap'. Als het allemaal waar is, is Borges zelf het grootste bedenksel van de literatuur. Borges tussen aanhalingstekens natuurlijk. En die is toch in hoofdzaak zijn eigen schepping. In zijn verhalen, zijn essays en zijn gedichten.

Maar lezen is meer dan teksten ordenen en in alle tijden en literatuur de diepste metaforen voor ons bestaan ontdekken. Het is ook de werkelijkheid om je heen lezen. En die daarmee verdichten. De wijze waarop Borges met Buenos Aires is omgegaan, kan het bewijzen. Ook zijn geboortestad is er een tussen aanhalingstekens geworden. En voor door hem beschreven mensen geldt vaak hetzelfde. De grootste bekoring van zijn verhalend werk is het aanvankelijke realisme ervan. Het is schijnbaar. Na enige tijd verschijnen de aanhalingstekens en alles wordt betekenisvol, maar daarmee ook mysterieus. Men heeft zijn verhalen met 'magisch realistisch' getypeerd, 'fantastisch-realistisch' ook. Ik denk nog altijd dat 'schijn-realisme' het beste is. Dat maakt de verhalen ook zo bedriegelijk. Alles lijkt op, maar net niet. En die net niet lijkende wereld wordt de werkelijke. Zoals hij er in zijn verhalen in kan slagen, denkbeeldige boeken en schrijvers zo te gebruiken, dat ze echt worden. En een plaats in de bibliotheek verdienen! De denkbeeldige bibliotheek, maar is er een andere?

In 1964 las ik het eerste van Borges in het Nederlands vertaalde werk,de bundel De Aleph. Ik heb het nu te voorschijn gehaald, lees de eerste regels van het titelverhaal, herken niet alleen, maar herken ook de lezer die toen verzonnen werd. Dit is diens wereld:

'Op de schrijnende morgen in februari waarop Beatriz Viterbo stierf, na een grootse doodsstrijd die geen moment naar sentimentaliteit noch naar angst neigde, zag ik dat de ijzeren aanplakborden van de Plaza Constitución opnieuw beplakt waren met een of andere reclame voor lichte sigaretten; dat stak me, want ik begreep dat het rusteloze, grote heelal bezig was zich van haar te distantiëren en dat die verandering de eerste was van een eindeloze reeks.'

Een kleinigheid krijgt een kosmische betekenis. Er zijn grote machten die buiten ons om handelen, in de oneindige ruimte, die Borges, om met Pascal te spreken, schrik aanjaagt. Die krachten maken elke gebeurtenis noodlottig en de mens machteloos. Borges is de waarnemer van het ingrijpen van de grote krachten, waarin hij niet gelooft! Dat bij zoveel betekenisgeving en duiding de verhalen een sterk allegorisch karakter krijgen, hoeft niet verwonderen. Voor Borges was de hele wereldliteratuur een grote allegorie.

TEGENOVER de tekst 'In memoriam J. F. K.' staat een kleine tekst die 'Le regret d'Heraclite' heet:

Ik, die zovelen ben geweest, ben nooit die mens geweest

In wiens omhelzing Matilde Urbach bezwijmde.

Eronder staat als bron: 'Gaspar Camerarius, in Deliciae Poetarum Borussiae, VII, 16'. Ik kan niets over de dichter vinden, misschien bestaat hij ook wel niet. (Nu wel, natuurlijk.) Alles stroomt en ook niemand blijft, mag ik door titel en eerste regel denken. Maar de in de tweede regel genoemde minnaar is de dichter nooit geweest. Zijn gedaantewisselingen zijn een wetmatigheid, maar zijn verlangen gaat buiten zijn wetmatigheid om. Zijn hart is groter dan zijn inzicht, de wijsgeer legt het af tegen de dichter. Door de tweede regel krijgt de eerste iets ironisch. Humor en zelfspot moet Borges, die daar zelf in uitmuntte, hebben herkend.

Maar de tekst kan tot nog een andere gedachte verleiden. Het persoonlijke legt het af tegen het algemene, het leven tegen de leer. Dat Borges deze tekst maakte of uit een groot geheel isoleerde (en hem daardoor opnieuw maakte) moet gevolg zijn van herkenning. Jorge Luis Borges heeft het van 'Borges' verloren, kan men zeggen. En zo wordt vanachter die tekst een scherfje autobiografie zichtbaar. Uit het vele dat we nu van Borges' leven weten, kan men concluderen dat zijn liefdes alle mislukt zijn, weinig spectaculair overigens, maar zijn hele leven is weinig opzienbarend. En daardoor ook geen gemakkelijk object voor zijn biografen. De ware Borges is die tussen aanhalingstekens. Diens geschiedenis valt samen met die van zijn werk, zijn lezen en schrijven. En met de goeroe-achtige Borges die vanaf de zestiger jaren de wereld begon af te reizen en overal als een orakel werd beluisterd. En gehuldigd. En naar het lijkt, soms ook orakeltaal sprak. De gewone Borges was een schuwe, onhandige, stotterende man. Hij leefde bij het lezen en bij het spreken over dat lezen. Hij leefde in de bibliotheek, in dat veilige ouderhuis dat hij pas bij de dood van zijn moeder - en die werd bijna honderd jaar, in het leven van sommige schrijvers overdrijft de natuur naar de literatuur toe - zal verlaten, de tussenpoos van een zeer kort durend huwelijk daargelaten. Al voor zijn tiende jaar wist hij één ding zeker: hij wilde schrijver worden. Wilde hij een van de grote werken uit de bibliotheek van zijn vader zelf schrijven? Ik denk hier aan zijn prachtige verhaal over de man die een nieuwe Don Quichotte wilde schrijven. Hij begon en schreef de eerste bladzijden precies gelijk aan die van Cervantes' werk: verschillend en toch gelijk. Misschien heeft Borges in zijn werk die paradox toch waargemaakt: zijn werk, hoe herkenbaar ook, lijkt onpersoonlijk; scherven uit de wereldliteratuur; nooit eerder heeft iemand, in zijn verhalen dan, zoveel geschreven dat al bestaand lijkt. De aard van zijn werk past precies in zijn literatuuropvattingen, zoals hij die in vele schitterende essays heeft neergeschreven. Wat hij over enkele grote schrijvers (zijn lievelingsdichter Quevedo bijvoorbeeld) heeft opgemerkt geldt ook voor hem: zijn werk is niet dat van een literator, het is de literatuur zelf. Geschreven door 'Borges'.

DE UITVOERIGE BIOGRAFIE van Monegal heeft een eenheid van de twee Borgesen weten te bereiken. Dat is van een sterk psychologiserende benadering van leven en werk het gevolg. Het hele schrijverschap van Borges is de vervulling van het schrijverschap dat de vader door blindheid niet kon bereiken. De uitspraak van het kind is een belofte aan de vader! En zo wordt de moeder na de dood van de vader iemand die er alles aan doet, de vader in de zoon te zien herrijzen of herschrijven. En Borges wordt een figuur in de familiegeschiedenis, zonder eigen wil. Met een als erfgenaam opgelegd noodlot. En zo wordt de Borges tussen aanhalingstekens de vervulling, de man die hij voor zijn vader had moeten worden. De zoon wordt de vader! De biografie kent een grote lijn, zonder nadrukkelijkheid overigens, geeft heel veel informatie en soms prachtige interpretaties van het werk.

Een nieuwe biograaf is onvermijdelijk Monegals schaduwloper. James Woodall, die een nieuwe biografie schreef onder de titel The Man in the Mirror of the Book weet dat ook. Hij kan nogal eens niet anders dan Monegal citeren. Zijn biografie is beknopter. De feiten en figuren verdringen zich. Het boek is boordevol informatie. En daarom zeer respectvol. Woodall waagt zich niet aan een centrale visie; de scheiding tussen Borges en 'Borges' kan of wil hij niet ongedaan maken. Daardoor is zijn boek een levensbeschrijving in de meest strikte zin. En dat van een leven dat op zich weinig boeiend is. Ondanks de titel, - hij weet Borges in de bladspiegel niet goed zichtbaar te maken. En pas daarin begint hij interessant te worden. Maar men krijgt een goed beeld van de jeugdige Borges en diens Europese vormingsjaren. En van de beginnende dichter, modernistisch werk schrijvend, maar zich ten slotte wendend tot de grote tradities, zo lezen en schrijven met elkaar verbindend.

Men krijgt ook een heel goed beeld van het zeer gewone en toch ook oninteressante leven dat Borges leidde (voor hij wereldberoemd werd, onder een andere gedaante). Ook zijn verzet tegen de dictator Perón krijgt heel goed gestalte. Wat een moed had deze stotteraar en lezer. De anekdote is bekend, maar voor herhaling vatbaar: telefonisch werden Borges en zijn moeder met de dood bedreigd. Zijn moeder nam de telefoon aan en reageerde superieur: 'Ik ben negentig jaar, u moet dus vlug komen en wat mijn zoon betreft: het zal makkelijk voor u zijn, want hij is blind.' Een schrijver krijgt soms een moeder die uit zijn werk lijkt te komen. Kortom: de biografie is zeer informatief, niet het minst door de bijgevoegde tabellen over Borges' reizen en zijn eredoctoraten. Men lijkt in de hele wereld de literatuur zelf te huldigen, met haar hele geschiedenis, want 'Borges' kwam altijd in het gezelschap van de grootsten uit het verleden. Amerika ontdekt in hem de grote tradities.

Hoogbejaard sterft Borges in Genève. Uit welke droom zal hij zijn ontwaakt of in welke binnengegaan? Maar dat is een ijdele vraag. Jorge Luis Borges stierf. Gewoon. En hij liet 'Borges' hier achter, met al zijn dromen die eenheid scheppen, zij het niet tussen leven en dood. Want de laatste ligt voorbij het alfabet. En dat kan alleen het leven tot bestaan maken.

James Woodall, The Man in the Mirror of the Book, A Life of Jorge Luis Borges. Hodder en Stoughton, London, * 65,80. Er verschijnt binnenkort een paperback-editie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.