'De rode draad in mijn werk is dat je met elkaar verweven bent'

Marjolijn van Heemstra schrijft roman en maakt voorstelling

Toen theatermaker en schrijver Marjolijn van Heemstra (36) bevriend raakte met vluchteling Zohre, besloot ze haar te helpen. Dat bleek ingewikkelder dan gedacht. Samen met Zohre maakte ze er een voorstelling over.

Marjolijn van Heemstra met Eyse, haar zoontje. Foto Erik Smits

De eerste keer dat Marjolijn van Heemstra (36), theatermaker, schrijver en dichter, Zohre Norouzi (23), vluchteling uit Afghanistan zag, had die kale plekken op haar hoofd van de stress. Het was tijdens de première van een film over het broertje van Norouzi, die al vijf jaar zonder verblijfsvergunning door Europa zwierf. Nadat ze aan elkaar waren voorgesteld, raakten ze aan de praat en maakte Norouzi een grap: dat ze op die kale plekken, waar iedereen naar staarde, haar rekeningnummer wilde schrijven.

Dat, zegt Van Heemstra in een café in Amsterdam-Noord, was wat Zohre meteen voor haar innam: haar humor, zelfspot en haar manier om de dingen recht voor zijn raap te zeggen. Ik heb geen medelijden nodig, maar geld.

Niet lang daarna werd Zohre de oppas van haar zoontje Eyse. En nu, twee jaar later, staan ze samen in het theater met Zohre, een Afghaans-Nederlandse soap. Daarin doen de twee vrouwen verslag van de inburgering van Zohre en parallel daaraan van de vriendschap die tussen hen is ontstaan. Het is een typische Van Heemstra-voorstelling: persoonlijk, geëngageerd, journalistiek en als we het dan toch over zelfspot hebben: zichzelf en haar goede bedoelingen niet sparend.

Je vertelt in de voorstelling hoe blij je bent dat een vluchteling je in de schoot wordt geworpen. Dat je haar kunt helpen terwijl je er zelf ook nog wat aan hebt.

'Dat heb ik zwaarder aangezet dan het in werkelijkheid was. Ik had ook mededogen voor Zohre, en ik wilde haar echt helpen. Maar als je dat te veel benadrukt, ben je al snel een gutmensch en dat is tegenwoordig een scheldwoord in plaats van een compliment.'

Zohre
Een Afghaans-Nederlandse soap
tournee t/m 20/6

En we noemen hem
DasMag
€ 19,95
E-book € 7

Die zakelijke blik op jullie overeenkomst - jij levert een dienst, ik betaal - tussen jou en Zohre duurt één avond. Vijf minuten nadat ze voor de eerste keer heeft opgepast, staat ze weer voor de deur. Ze vraagt of ze mag blijven slapen. Je twijfelt. Waarom?

'Omdat ik natuurlijk ook vooroordelen had over vluchtelingen. Ik kende haar niet, ik dacht: straks gaat ze nooit meer weg, of misschien heeft ze ernstige psychische problemen, schiet ze hier thuis in een psychose. Tegelijkertijd zag ik hoe slecht ze eraan toe was. Dus ik liet haar binnen.'

Zo zal het weken, maanden gaan: Zohre komt oppassen en blijft daarna vaak slapen. Op Zohres telefoon kijken ze de Afghaanse soap waaraan ze thuis verslaafd was en ondertussen praten ze over hoe het met haar gaat in Nederland: niet goed. Er is zo veel dat Zohre niet weet: hoe een DigiD werkt, een ov-chipkaart, dat je je moet inschrijven bij de gemeente, een uitkering kunt aanvragen, dat je zelf je studiefinanciering moet stopzetten, dat een bankrekening pas werkt als je eerst een storting doet. Er zijn onbetaalde rekeningen en aanmaningen en boetes die oplopen tot honderden euro's. Van Heemstra besluit: ik ga haar helpen.

Hoe dieper ze in het leven van Zohre duikt, hoe meer ze vastloopt in de bureaucratie in Nederland.

Wanneer wist je: ik kan dit niet voor haar oplossen?

'Toen ze besloot rijlessen te gaan nemen. Ik zei tegen haar: nou heb je zo veel andere dingen die je eerst moet oplossen, een baan, een ander huis, en nou ga je je geld uitgeven aan rijlessen. Je stelt je prioriteiten verkeerd. Later begreep ik dat het altijd haar grote droom was geweest om zelf achter het stuur te zitten. Die rijlessen waren het enige wat haar het gevoel gaf dat ze in elk geval íéts voor elkaar kreeg in haar leven. Het enige waaraan ze iets van eigenwaarde ontleende. Ik besefte toen dat het best lastig is voor een ander te bepalen wat belangrijke stappen zijn.'

Toen Van Heemstra voor de eerste keer een grote schuld voor Zohre betaalde, realiseerde ze zich hoe groot en zwaar de verantwoordelijkheid was die ze op zich had genomen. 'Ik heb toen tegen haar gezegd: het voelt beter als je iets kunt terugdoen voor het geld. Ik heb gezegd: ik koop je verhaal, en dat gebruik ik voor mijn column in Trouw, voor lezingen. Daarna is het idee voor het toneelstuk ontstaan. Ik dacht: ik sla vier vliegen in één klap. Ik heb een voorstelling, Zohre verdient een salaris, ze leert en passant beter Nederlands en ze bouwt aan haar netwerk.'

Zohre Norouzi is vier jaar geleden uit Afghanistan gevlucht. Sindsdien heeft ze Nederlands geleerd, haar rijbewijs gehaald, stage gelopen bij de politie en een woning in Alphen aan de Rijn gevonden. Zohre doet nu volwassenonderwijs vmbo en begint na de zomer aan een opleiding tot laborant. Daarnaast werkt ze parttime bij Kentucky Fried Chicken.

Het stuk wordt in recensies een pamfletvoorstelling genoemd. Een aanklacht: zo slecht is de inburgering van vluchtelingen geregeld. Wat vond jij het schrijnendst?

'Het feit dat inburgering is geprivatiseerd en overgelaten aan partijen die, tegen een lening van 7.000 euro, een programma aanbieden waarin vluchtelingen vragen moeten beantwoorden over de verschillende klederdrachten in Zeeland en of ze, als de directeur van het bedrijf waar ze werken langsloopt, hun hand moeten opsteken ter begroeting, of een hand moeten geven, of niks moeten doen, en als ze die vragen verkeerd beantwoorden en zakken voor het examen, zijn ze die 7.000 euro kwijt. Maar waar de voorstelling voor mij vooral om draait, is dit: vluchtelingen zijn er altijd geweest en zullen er altijd zijn. En wij, als samenleving, hebben de plicht om ze op te vangen. Wat ik mis, bij alle partijen, is de politieke moed om dat hardop en zonder terughoudendheid te zeggen.'

Marjolijn van Heemstra haalt al jaren de actualiteit naar het theater. Voor Family '81 vroeg ze drie mensen die op dezelfde dag zijn geboren als zij, maar op een andere plek in de wereld, om een maand met haar te skypen en haar daarna een week in hun leven mee te nemen. Het werd een zoektocht naar het grote verbindende verhaal van haar generatie. Met Sadettin Kirmiziyüz speelde ze Jeremia, een voorstelling over de grenzen aan de vrijheid van meningsuiting. Als ik de liefde niet heb, met priester Remy Jacobs, ging over misbruik in de kerk.

'Als je zoekt naar een rode draad in mijn werk, dan is het de overtuiging dat je niet alleen een individu bent, maar ook de ander. Je bent met elkaar verweven.'

Marjolijn van Heemstra met haar zoon Otto van 6 maanden in de woonkamer in Amsterdam Noord. Foto Erik Smits

In een interview in Vrij Nederland werd een verband gelegd tussen jouw maatschappelijke betrokkenheid en het noblesse oblige van de adellijke familie waarin je geboren bent. Dat wuifde je weg.

'Omdat het te simpel is. Ja, ik ben opgegroeid in een familie waar nog sterk werd gevoeld dat een adellijke afkomst verplichtingen schept: je inzetten voor een betere wereld. Mijn grootvader ging op late leeftijd in gesprek met imams in Nederland, omdat hij een dialoog tussen christenen en moslims belangrijk vond. Hij heeft zelfs brieven geschreven naar Mohammed B. en als ik dan boos werd, zei hij: je moet je juist verdiepen in de mensen die je niet begrijpt. Maar ik vind het te simpel, omdat ik net zo goed ben gevormd door mijn moeder, die niet van adel is, en ook geëngageerd.'

In 2016 maakte Van Heemstra de voorstelling Bommenneef. Over een verre oom, Frans Julius Johan van Heemstra, die op Sinterklaasavond 1946 een aanslag pleegde op een NSB'er die, vond hij, ten onrechte niet was gestraft voor het verraden van verzetsmensen. In haar familie stond hij bekend als Frans de held, maar toen dook Van Heemstra de archieven in. 'Hij was een kapitein die dacht dat hij, vanwege zijn verzetsdaden tijdens de oorlog, met een hogere militaire functie zou worden beloond. Dat gebeurde niet. Uit frustratie raakte hij eind 1945 betrokken bij de oprichting van een rechtse terreurorganisatie die samen met ex-nazi's ten strijde wilde trekken tegen het communistische gevaar. '

Deze week verschijnt je roman En we noemen hem. Het boek borduurt voort op Bommenneef: hoe je oma je de zegelring van Frans Julius Johan gaf en suggereerde dat je je eerstgeboren zoon naar hem kon vernoemen. Ook hier ga je op zoek naar de waarheid. Waarom na een voorstelling nog een roman?

'Ik had tijdens de research zo veel materiaal verzameld dat niet is gebruikt voor de voorstelling. Ik wilde bijvoorbeeld per se het verhaal vertellen van Jacoba Visser, het dienstmeisje van de familie bij wie mijn oom op 5 december een bom verpakt als sinterklaascadeau liet bezorgen. Ze was 17 en is ook omgekomen bij de aanslag. Net als de vrouw van de vermeende NSB'er - hij bleek het achteraf niet eens te zijn. Twee onschuldige slachtoffers die in het verhaal van mijn familie nooit zijn genoemd. In het Nationale Archief vond ik het rapport van de lijkschouwers, met een opsomming van Jacoba's verwondingen: een gat in de dunne darm, een buikvliesontsteking doordat er bomscherven in haar lichaam waren gedrongen, een verwoesting van het linkeroog en brandwonden in het gezicht en armen. Toen ik dat las, was voor mij één ding heel duidelijk: mijn boek zou definitief een einde maken aan de mythe dat mijn oom een held was die na de oorlog nog een verzetsdaad pleegde.'

De omslag van het boek En we noemen hem

Het was een indrukwekkend moment, toen ze tijdens de research op een dag tegenover zes familieleden van Jacoba Visser zat. Een 'gewone' familie die nooit op zoek is gegaan naar de daders van de aanslag, nooit verhaal heeft gehaald, nooit recht gezocht. 'Daar was ik me er ineens erg van bewust dat mijn familiegeschiedenis mij op een heel andere plek had gebracht dan hen. Ik weet zeker dat mijn familie, als ze slachtoffer waren geweest van een daad als die van mijn oudoom, ervoor hadden gezorgd dat de straf - Frans Julius Johan werd tot dertien jaar cel veroordeeld, maar kreeg na drie jaar gratie - veel hoger was uitgevallen.'

Het is niet moeilijk een verband te leggen tussen dit moment en de manier waarop ze de afgelopen jaren heeft geprobeerd om Zohres leven in Nederland op de rails te krijgen, zegt Van Heemstra. 'Het komt voort uit een overtuiging die je misschien toch als noblesse oblige zou kunnen omschrijven: de bevoordeelden in de samenleving hebben de plicht de onbevoordeelden op te pakken, te helpen, een stem te geven.'

Marjolijn van Heemstra

Op haar website omschrijft ze zichzelf als 'theatermaker, dichter, columnist, soms journalist. Het liefst een combinatie van dat alles'. Van Heemstra studeerde godsdienstwetenschappen, maar kwam in het theater terecht. Ze schreef en speelde voorstellingen voor Frascati Producties, was verbonden aan het Ro Theater en kreeg in 2017 een subsidie van het Fonds Podiumkunsten. Haar eerste dichtbundel, Als Mozes had doorgevraagd, werd genomineerd voor de C. Buddingh'-Prijs. In 2010 verscheen haar debuutroman De laatste Aedema, in 2014 de dichtbundel, Meer hoef dan voet. Van Heemstra is columnist voor Trouw.

Meer over